Yuja Wang en Beethoven met het San Francisco Symphony Orchestra
San Francisco Symphony Orchestra
Michael Tilson Thomas dirigent
Yuja Wang piano
Ludwig van Beethoven 1770-1827
Vierde pianoconcert in G gr.t., op. 58 (1805-06)
Allegro moderato
Andante con moto
Rondo: Vivace
cadensen: n.t.b.
pauze
Gustav Mahler 1860-1911
Eerste symfonie in D gr.t. (1884-88; revisie 1906) ‘Titan’
Langsam, schleppend (Wie ein Naturlaut) - Im Anfang sehr gemächlich
Kräftig bewegt, doch nicht zu schnell - Trio: Recht gemächlich
Feierlich und gemessen, ohne zu schleppen
Stürmisch bewegt
Toelichting
Ludwig van Beethoven: 1770-1827
Vierde pianoconcert in G gr.t., op. 58 (1805-06)
Ludwig van Beethoven was dertien toen hij voor het eerst een pianoconcert schreef, een stuk waarvan alleen de solopartij bewaard is gebleven. De officiële nummers één en twee ontstonden in de periode 1788-1800. Het zijn traditionele, maar tegelijk krachtige en individuele werken, al bezitten ze nog niet de allure van het kort daarop volgende Derde pianoconcert. Er verstreken vijf jaren voordat Beethoven aan het Vierde begon. Het waren jaren van toenemende bitterheid en een groeiend isolement, mede door zijn gehoorproblemen en andere gezondheidsklachten. In 1802 had hij het Heiligenstädter Testament geschreven, een – niet verstuurde – brief waarin hij tegenover zijn twee broers zijn wanhoop uit. In deze periode componeerde hij markante, sterk dramatische werken als de Fidelio, de Appassionata en de Waldsteinsonate en de Derde en Vijfde symfonie. In het Vierde pianoconcert is de tragiek geïmplodeerd. Ook geeft het de sensatie van iets ongewoons en onherhaalbaars. Dat de eerste frase niet aan het orkest maar aan de solist is toevertrouwd is op zichzelf al bijzonder binnen de traditie van het klassieke soloconcert.
Minstens zo uitzonderlijk is het karakter van dit beginthema, dat klinkt alsof iemand de luisteraar met enige aarzeling in vertrouwen neemt. Ook de reactie hierop van het orkest en het verloop van de instrumentale conversatie geven de luisteraar het gevoel dat deze muziek tussen andere werken van Beethoven uit deze periode geheel apart staat. Hier geen grote gebaren en ferme s, maar een klinkend fluïdum, waarin de solist en het collectief in elkaar verstrengeld zijn. Het zowel verheven als geladen tweede deel is juist gebaseerd op maximale contrastwerking. Het orkest is streng, afgemeten en onverbiddelijk, de solist tracht het milder te stemmen, waarbij hij herhaaldelijk op verzet stuit. In steeds kortere frases komen de twee partijen geleidelijk bij elkaar. Uiteindelijk verzoent het orkest zich met de piano, waarna onmiddellijk de lucht opklaart en het op een parmantige manier zijn opwachting maakt. Nu is de solist aan de beurt om met levendige ritmes het orkest uit te dagen en tot meer energie aan te zetten. Het resultaat is een subtiel spel met korte stemmingswisselingen, uitmondend in een sfeer van apollinische vreugde.
Aad van der Ven
Gustav Mahler: 1860-1911
Eerste symfonie in D gr.t. (1884-88; revisie 1906) ‘Titan’
Toen in 1899 de definitieve en eerste uitgave van Gustav Mahlers Eerste symfonie in D groot verscheen, was er al heel wat water door de Rijn gegaan. Tien jaar ervoor had een eerste, vijfdelige versie van de symfonie geklonken in Boedapest; vier jaar later klonk een tweede versie in Hamburg. De componist liet zich in het werk naar eigen zeggen inspireren door de roman Titan van de Duitse schrijver Jean Paul. Dit boek gaat over een emotionele held, die gelijkenis vertoont met Goethes Werther en zichzelf uiteindelijk vernietigt. Mahler noemde zijn symfonie eerst een ‘Sinfonische Dichtung’ waarbij in de eerste delen de jeugdjaren met ‘jeugd-, vrucht- en doornstukken’ (van de held) aan de orde kwamen en in de laatste twee delen de ‘menselijke komedie’. Aanvankelijk schreef Mahler een commentaar bij de verschillende delen, dat hij later weer introk. Als je zijn woorden eenmaal hebt gelezen is het niet moeilijk om in het openingsdeel het ontwaken van de natuur in de vroege morgen te horen. De inleiding klinkt geheimzinnig (‘als een natuurklank’) en loopt uit in een prachtig lentebeeld waarin Mahler niet toevallig de van zijn Ging heut’ Morgen übers Feld uit zijn Lieder eines fahrenden Gesellen als hoofdthema kiest. In de ontwakende natuur horen we de de roep van een koekoek nabootsen. Oorspronkelijk volgde na deze zonnige lente een deel dat Mahler ‘Blumine’ doopte, maar later uit de symfonie schrapte. Het tweede deel is nu het eenvoudige, vrolijke en landelijke met een Oostenrijkse Ländler als middendeel, waarin de componist schatplichtig is aan Anton Bruckner. ‘Schallrichter auf!’ krijgen de isten te horen. In zijn programma noemde Mahler dit deel: ‘Met volle zeilen’.
Geheel anders van toon is het derde deel: een treurmars over een versie van Vader Jacob. Inspiratie voor dit deel was een houtsnede door Moritz von Schwind, gebaseerd op werk van de zeventiende-eeuwse tekenaar Jacques Callot. Dieren begeleiden de kist van een gestorven jager naar zijn graf. ‘Op deze plek’, aldus Mahler, ‘is dit stuk als de uitdrukking van een soms ironisch vrolijke, dan als een unheimlich mijmerende stemming bedoeld.’ Behalve het bekende kinderliedje klinkt opnieuw de melodie uit een van de Lieder eines fahrenden Gesellen: Lindenbaum, ‘sehr einfach und schlicht wie eine Volksweise’.
Het vierde deel komt ‘als een bliksemschicht uit de donkere wolken’. Mahler schreef bij deze finale in zijn toelichting: ‘Dall inferno al Paradiso ( furioso), als een plotselinge uitdrukking van een tot in het diepst verwond hart.’ In het turbulente deel horen we vele energieke passages waarin de componist ook teruggrijpt op het eerste deel. De held lijkt begeleid door en en fanfares op een overwinning af te stevenen – hij zal, zo stelde de componist, pas in de Tweede symfonie sterven – en de natuur wordt ten slotte in een prachtige hymne bezongen. De isten moeten ervoor gaan staan en ‘zelfs de ten’ overstemmen. Mahler beschouwde het componeren van deze en andere symfonieën als ‘het met alle middelen van de voorhanden techniek een wereld opbouwen’. In zijn Eerste symfonie slaagt hij daar op een prachtige manier in en laat hij meteen tal van karakteristieke elementen horen die hij in de ‘werelden’ die nog zouden volgen, opnieuw zou uitwerken. We horen hier bijvoorbeeld al de marsen en en (uit zijn jeugd), de herinneringen aan de blaaskapellen, zijn voorliefde voor het volkslied en zijn liefde voor de natuur. Door zijn in de praktijk als opgedane kennis van het orkest komen deze en andere elementen bijzonder mooi over het voetlicht en weet de componist ook geheel nieuwe en tevoorschijn te toveren.
Biografie
San Francisco Symphony Orchestra
De San Francisco Symphony, opgericht in 1911, stond onder leiding van chef-en als Pierre Monteux, Josef Krips, Seiji Ozawa, Edo de Waart (1977-1985) en Herbert Blomstedt (nog steeds eredirigent). In september 1995 werd Michael Tilson Thomas chef-dirigent; per september 2020 zal hij worden opgevolgd door Esa-Pekka Salonen.
Als gastdirigent traden in het verleden onder anderen Bruno Walter, Leopold Stokowski, Leonard Bernstein en Georg Solti aan, en componisten als Stravinsky, Prokofjev, Ravel, Schönberg, Hindemith en Copland dirigeerden eigen werk. De San Francisco Symphony won voor zijn opnames vijftien Grammy Awards, waaronder drie voor balletmuziek van Stravinsky, eentje voor lehre en Short Ride in a Fast Machine van John Adams en zeven voor de op het eigen label SFS Media uitgebrachte Mahlercyclus.
Voor zijn avontuurlijke programmering werd het orkest dertien maal geëerd door de American Society of Composers, Authors and Publishers. De aanstelling, in 1978, van John Adams als adviseur nieuwe muziek stelde voor vele Amerikaanse orkesten een voorbeeld voor residency-programma’s. Met het educatieprogramma Adventures in Music bereikt de San Francisco Symphony meer dan 23.000 schoolkinderen per jaar en met Keeping Score draagt het kennis over klassieke muziek en componisten over via documentaires, radioprogramma’s en een uitgebreide interactieve website.
Het vorige optreden van de San Francisco Symphony in Het Concertgebouw was op 13 september 2015 onder leiding van Michael Tilson Thomas, met op de lessenaars Mahlers Eerste symfonie en Beethovens Vierde pianoconcert met Yuja Wang.
Yuja Wang, piano
Yuja Wang studeerde aan het conservatorium in haar geboortestad Peking en in Canada en voltooide haar opleiding bij Gary Graffman aan het Curtis Institute of Music in Philadelphia. Haar definitieve doorbraak volgde toen ze in 2007 met Tsjaikovski’s Eerste pianoconcert inviel voor Martha Argerich bij het Boston Symphony Orchestra.
Sindsdien wordt de pianiste uitgenodigd door grote orkesten als die van Philadelphia, Washington en New York, de Sächsische Staatskapelle Dresden, het Orchestra dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia, het City of Birmingham Symphony Orchestra en de Wiener, de Münchner en de Berliner Philharmoniker.
In 2017 riep muziekblad Musical America Yuja Wang uit tot Artist of the Year, in 2021 kreeg ze een Echo Klassik voor haar première-opname van Must the Devil Have all the Good Tunes? van John Adams met de Los Angeles Philharmonic, en in 2024 won ze haar eerste Grammy Award. In San Francisco verzorgde ze in 2022 de wereldpremière van het Derde pianoconcert van Magnus Lindberg, met vervolguitvoeringen in Noord-Amerika en Europa.
Bij het Concertgebouworkest debuteerde Yuja Wang in 2010 met Prokofjevs Derde pianoconcert en ze keerde meermaals terug, de laatste keer afgelopen december met Prokofjevs Tweede pianoconcert onder leiding van Thomas Adès. Kamermuziek speelt de pianiste met onder anderen cellist Gautier Capuçon, klarinettist Andreas Ottensamer en violist Leonidas Kavakos, en solorecitals geeft ze wereldwijd – in de voor het laatst in mei 2022.

