Sterviolist Leonidas Kavakos speelt Tsjaikovski’s Vioolconcert
Leonidas Kavakos viool
Gewandhausorchester Leipzig
Andris Nelsons dirigent
Dit concert maakt deel uit van de serie Grote Solisten.
Ook interressant:
- Dirigent Andris Nelsons: ‘Muziek kan ons alles leren over de kracht van liefde en gedeelde menselijkheid’
Pjotr Tsjaikovski (1840-1893)
Vioolconcert in D gr.t., op. 35 (1878)
Allegro moderato
Canzonetta: Andante
Finale: Allegro vivacissimo
pauze ± 20.55 uur
Symfonie nr. 5 in e kl.t., op. 64 (1888)
Andante – Allegro con anima
Andante cantabile, con alcuna licenza
Valse: Allegro moderato
Finale: Andante maestoso – Allegro vivace
einde ± 22.05 uur
Toelichting
Pjotr Tsjaikovski (1840-1893)
Vioolconcert
Door Rutger Helmers
Het Vioolconcert van Pjotr Tsjaikovski is ongetwijfeld een van de populairste concerten uit het repertoire, en zodoende een must voor elke violist van enige naam. Het biedt de solist de kans om te schitteren, niet alleen door technische begaafdheid maar ook door gevoel voor lyriek en – als we voor uitgerekend zo’n werk een Duitse term mogen gebruiken – schwung. De voornaamste inspirator van het concert was Iosif Kotek, een jonge violist waar Tsjaikovski amoureuze gevoelens voor koesterde, maar uiteindelijk een soort vader-zoonrelatie mee opbouwde. Kotek kwam in de lente van 1878 bij de componist langs in het Zwitserse Clarens en had een hele stapel partituren meegebracht, waaronder de Symphonie espagnole (1874) van Édouard Lalo, die Tsjaikovski bijzonder beviel. Lalo, merkte hij op, ‘vermijdt zorgvuldig routine, zoekt nieuwe vormen, en geeft meer om muzikale schoonheid dan om het in acht nemen van gevestigde tradities, zoals de Duitsers doen.’ Dit was precies wat Tsjaikovski zo aantrok in het werk van andere Franse tijdgenoten zoals Léo Delibes en Georges Bizet. Nog geen twee weken later lagen er schetsen voor het Vioolconcert, waar Kotek zich vol enthousiasme op stortte.
Hoe vaak het werk sindsdien ook gespeeld is, het blijft fris aandoen. Het zit vol treffende momenten, zoals de terugkeer van het trotse hoofdthema van het eerste deel, dat na de virtuoze niet door vol orkest, maar subtiel door de fluiten wordt ingezet. De Finale komt direct voort uit het Canzonetta, het e tweede deel, waar Tsjaikovski tegen het einde subtiel, en veel langzamer, het van de Finale introduceert. Het slotdeel zelf is een trepak, een snelle Oekraïense dans in tweekwartsmaat: het is moeilijk om je niet door de energie van dit stuk mee te laten slepen, waarin de onvermoeibare viool soms even nadrukkelijk rust neemt, maar altijd in de startblokken staat om er weer als een speer vandoor te gaan.
Pjotr Tsjaikovski (1840-1893)
Vijfde Symfonie
Door Rutger Helmers
Tsjaikovski’s Vijfde moet het stellen zonder de verhalen over onmogelijke huwelijken en dodelijke glazen besmet water die bijdragen aan de eeuwige fascinatie voor zijn Vierde en Zesde symfonie. Er is weliswaar een korte notitie van de componist bewaard gebleven, een vroege schets van een programma voor een symfonie met verwijzingen naar ‘het lot’, ‘verwijten tegen … XXX’, die vaak zijn opgevat als een verwijzing naar zijn homoseksualiteit, en ‘de armen van het geloof’ waar de protagonist van het stuk zich al dan niet in zou moeten storten. Maar los van de vraag of de uiteindelijke Vijfde symfonie daadwerkelijk een uitwerking van dit idee is, laat het werk zich niet zo gemakkelijk koppelen aan de uiterlijke omstandigheden van Tsjaikovski’s biografie: die laten rond 1888 namelijk een productieve en succesvolle componist zien die respect genoot in eigen land en gaandeweg – sinds kort ook als van zijn eigen werken – internationaal aanzien begon te verwerven. De Vijfde symfonie is opgedragen aan de dirigent Theodor Avé-Lallemant, een van die Duitse tijdgenoten die nogal hechtte aan ‘gevestigde tradities’ en daarom nog zijn twijfels had. Hij zou de Russische componist gesmeekt hebben om in Duitsland te komen werken zodat hij zijn slechte gewoonten af kon leren. Zodoende lijkt Tsjaikovski met dit werk ook een andere boodschap uit te dragen, namelijk dat hij prima in staat was om zijn eigen stijl te verenigen met beheerste, goed geproportioneerde klassieke vormen waar de conservatieve Lallemant zich ook in zou kunnen vinden.
Het optimisme van het geheel is zodanig, dat je na afloop haast niet anders kan dan de Grote Zaal met nieuwe moed verlaten
Van Tsjaikovski’s symfonieën is de Vijfde degene die het meest nadrukkelijk gebruikt maakt van tische eenheid: het sombere thema van de inleiding komt in alle delen in andere verschijningsvormen terug. De dalende toonladder van zes noten, die in dit thema tweemaal klinkt, wordt in Tsjaikovski’s muziek vaak geassocieerd met het noodlot, en het openingsthema is daardoor het meest opvallende verband met het later teruggevonden programmafragment. Maar anders dan in de Vierde symfonie, waar het noodlotsmotief overkomt als een existentiële dreiging, laat deze symfonie zich niet gemakkelijk uit het evenwicht brengen, zelfs niet wanneer het net als in de Vierde de vorm van een agressieve fanfare aanneemt die het tweede deel ruw verstoort. Het con anima van het eerste deel, dat zonder veel omhaal uit de langzame inleiding volgt, lijkt met de regelmatige begeleiding in de bas onaangedaan voort te stappen. Zodoende komt het dat deze symfonie ondanks al het drama – waar het zeker niet aan ontbreekt – vooral vertrouwen uitstraalt. Het langzame deel, met de prachtige melodie misschien wel het hoogtepunt van het werk, ademt ondanks de onderbrekingen en de duistere en aan het begin bovenal liefde en troost. Bij zijn vorige symfonie werd Tsjaikovski nog door zijn student Sergej Tanejev op de vingers getikt omdat het dansachtige karakter ten koste zou gaan van het symfonische karakter; hier schrijft Tsjaikovski op de plek van het gebruikelijke zonder gêne een , die met de zwierige s en lichtvoetige ’s de verwantschap met balletmuziek niet onder stoelen of banken steekt. De Finale begint met een plechtige inzet van het openingsthema, die plaats maakt voor een steeds groter enthousiasme, de nodige strijd en, uiteindelijk, de onvermijdelijke mf. Luisteraars zijn gewaarschuwd dat de uitgelatenheid van de laatste minuten ook te veel van het goede kan zijn, maar het optimisme van het geheel is zodanig, dat je na afloop haast niet anders kan dan de met nieuwe moed verlaten. En dat is in deze barre tijd ook wat waard.
Biografie
Leonidas Kavakos, viool
Leonidas Kavakos brak internationaal door met het winnen van Sibelius Concours in 1985 en het Paganini Concours in 1988. Sinds die tijd werkt hij met gezelschappen als de Wiener, de Berliner en de Münchner Philharmoniker, de Staatskapelle Dresden, het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks, het London Symphony Orchestra en het Orchestre Philharmonique de Radio France.
Sinds 2002 is hij een graag geziene gast bij het Concertgebouworkest, waar hij soleerde in een breed repertoire van Saint-Saëns en Tsjaikovski tot Rihm en Dutilleux.
In het seizoen 2014/2015 was hij de eerste artist in residence in de geschiedenis van het orkest. Tijdens Opening Night 2021 op de Dam soleerde hij in werken van Kreisler, Paganini, Mascagni en Ravel, en in oktober en november 2022 was hij met het orkest onder leiding van Daniel Harding in Amsterdam en op tournee te horen in Brahms’ Vioolconcert.
In zijn geboortestad Athene geeft hij jaarlijks druk bezochte masterclasses viool en ensemblespel. Leonidas Kavakos is ook actief als ; zo leidde hij het Budapest Festival Orchestra, het Rotterdams Philharmonisch Orkest, de New York Philharmonic, de Wiener Symphoniker, het Orchestra dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia, het Israël Filharmonisch Orkest en het Chamber Orchestra of Europe.
Leonidas Kavakos trad regelmatig op met cellist Yo-Yo Ma en pianist Emanuel Ax en rekent onder zijn kamermuziekpartners ook de pianisten Enrico Pace en Yuja Wang. Solo was hij te horen in bijvoorbeeld Bachs ’s en s, die hij ook op cd opnam. Leonidas Kavakos bespeelt de ‘Willemotte’-Stradivarius uit 1734.
Wat vindt Leonidas Kavakos zo bijzonder aan Korngolds Vioolconcert? Lees hier het artikel.
Andris Nelsons, dirigent
Andris Nelsons was tist in het orkest van zijn geboortestad Riga voordat hij in 2001 naar Sint-Petersburg vertrok om directie te studeren bij Alexander Titov, gevolgd door privélessen bij Mariss Jansons. Hij werd achtereenvolgens chef- van de Letse Nationale Opera (2003-2007), de Nordwestdeutsche Philharmonie (2006-2009) en het City of Birmingham Symphony Orchestra (2008-2015).
Sinds seizoen 2014/2015 is Andris Nelsons music director van het Boston Symphony Orchestra en sinds februari 2018 ook Kapellmeister van het Gewandhausorchester Leipzig. Zijn twee orkesten werken verregaand samen, wat onder meer tot uiting komt in gezamenlijke cd-opnames.
producties leidde Andris Nelsons onder meer bij het Royal Opera House Covent Garden in Londen, de Wiener Staatsoper, de Metropolitan Opera in New York en de Bayreuther Festspiele. Als gastdirigent leidt hij gezelschappen als de Berliner en de Wiener Philharmoniker, het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks en de New York Philharmonic.
Sinds augustus 2008 is Andris Nelsons bij het Concertgebouworkest een graag geziene gast: naast concerten in Amsterdam leidde hij het orkest veelvuldig op tournee. Bij de laatste samenwerking, in augustus 2020, stond Rachmaninoffs Tweede symfonie op de lessenaar.
Gewandhausorchester Leipzig, orkest
Het Gewandhausorchester Leipzig vierde in 2018 zijn 275ste verjaardag en was in april van dat jaar voor het laatst te gast in Het Concertgebouw. Andris Nelsons was toen net chef- geworden, de eenentwintigste in de orkesthistorie. De aanstelling van drie stadspijpers in 1479 was de start geweest van een ‘openbaar concertwezen’ in Leipzig.
De officiële orkestgeschiedenis begint op 11 maart 1743 met ‘Das grosse Concert’ in Gasthaus ‘Zu den drei Schwanen’ – door zestien beroepsmusici, stadsmuzikanten en studenten.Vanaf 1766 ontstond er een samenwerking met de plaatselijke ‘komedie’, het theater waar reizende toneel- en groepen optraden, en in 1781 vond het eerste ‘Gewandhauskonzert’ plaats in wat oorspronkelijk een lakenhal was (het Duitse woord Gewand betekent ‘gewaad’, of ‘kleding’).
Mozart gaf daar in 1789 zijn enige concert in Leipzig, Clara Wieck debuteerde er als concertpianiste, Mendelssohn dirigeerde er premières van Schumann en Schubert, pianovirtuoos Liszt was te gast en Berlioz, Brahms en Wagner dirigeerden er eigen werk. Op 26 september 1840 riep de gemeenteraad het Gewandhausorchester uit tot stadsorkest en sindsdien speelt het ook bij diensten in Bachs Thomaskirche en in de Oper Leipzig.
Na de eerste buitenlandse concertreis in 1916 – tijdens de Eerste Wereldoorlog werd het orkest uitgenodigd door Zwitserland – ontwikkelde het Gewandhausorchester Leipzig een grote internationale reputatie; afgelopen november tourde het nog door Taiwan, Korea en Japan. Het orkest kende vele beroemde chef-en, onder wie Arthur Nikisch, Wilhelm Furtwängler, Bruno Walter, Kurt Masur, Herbert Blomstedt en Riccardo Chailly.



