Sonatesalon: Amihai Grosz en Saleem Abboud Ashkar
Amihai Grosz altviool
Saleem Abboud Ashkar piano
Dit concert maakt deel uit van de nieuwe serie Sonatesalon, waarin de geheimen van de sonate uit de doeken worden gedaan – in woord én muziek.
Johann Sebastian Bach (1685-1750)
Sonate in G gr.t., BWV 1027 (ca. 1740)
oorspronkelijk voor viola da gamba en klavecimbel
Adagio
Allegro ma non tanto
Andante
Allegro moderato
Ödön Pártos (1907-1977)
Yizkor (‘In memoriam’) (1947)
oorspronkelijk voor altviool en strijkorkest
Robert Schumann (1810-1856)
Fantasiestücke, op. 73 (1849)
oorspronkelijk voor klarinet en piano
Zart und mit Ausdruck
Lebhaft, leicht
Rasch und mit Feuer
Johannes Brahms (1833-1897)
Eerste sonate in f kl.t., op. 120 nr. 1 (1894)
oorspronkelijk voor klarinet en piano
Allegro appassionato
Andante un poco adagio
Allegretto grazioso
Vivace
er is geen pauze
einde ± 21.30 uur
Toelichting
Johann Sebastian Bach 1685-1750
Bach: Sonate
Door Carine Alders
Denkend aan Johann Sebastian Bach en Leipzig hoor je waarschijnlijk de Matthäus-Passion en al die andere prachtige muziek die hij componeerde voor de Thomaskerk. Minder bekend is dat hij daarnaast ook artistiek leider was van het Collegium Musicum in diezelfde stad. Het gezelschap trad meerdere keren per week op in Zimmermanns Koffiehuis. Het was een zoete inval voor reizende virtuozen en vaak stond de nieuwste muziek op de lessenaar.
Het zou goed kunnen dat Bach voor deze gelegenheid ook voor de gambist Carl Friedrich Abel enkele nieuwe werken schreef. Bach kende Abels vader nog uit Köthen en de zeer getalenteerde jonge musicus studeerde bij de meester in Leipzig.
Algemeen wordt aangenomen dat de in G groot, BWV 1027 voor viola da gamba en klavecimbel rond 1740 gecomponeerd is. Niet veel later vertrok Abel naar Dresden, met een aanbeveling van Bach op zak.
Voor deze sonate maakte Bach gebruik van een eerder werk voor twee fluiten en continuo uit 1726. De eerste fluitpartij verlaagde hij een voor de viola da gamba, de tweede fluitpartij kwam terecht in de rechterhand van de klavecinist. De continuobegeleiding werd toebedeeld aan de linkerhand. De versie voor volgt vrij nauwgezet het oorspronkelijke handschrift van Bach, afgezien van enkele onspeelbare dubbelgrepen en noten buiten het bereik van het instrument.
Ödön Pártos 1907-1977
Pártos: Yizkor
De componist Ödön Pártos werd in 1907 geboren in Boedapest, waar hij op achtjarige leeftijd door meesterviolist Jenö Hubay naar het conservatorium gehaald werd. Hij studeerde compositie bij Zoltán Kodály, samen met onder andere Géza Frid. Beide wonderkinderen waren Joods en beiden verlieten het heftig antisemitische Hongarije.
In 1938 werd Pártos door Bronisław Huberman uitgenodigd om in het Palestijns Symfonie Orkest te komen spelen. Hij zou aanvoerder van de altviolen blijven tot 1956. Frid vestigde zich in Amsterdam, terwijl Pártos een nieuw leven opbouwde als altviolist, componist en conservatoriumdirecteur in Israël.
De beide componisten bleven hun hele leven bevriend, traden samen op (ook in Nederland) en componeerden samen (een orkestcompositie voor de tachtigste verjaardag van Kodály en een opdrachtwerk voor twaalf harpen). Net als zijn leermeesters Béla Bartók en Kodály gebruikte Pártos volksmuziek als inspiratiebron voor zijn eigen composities. Geïnspireerd door de Jemenitische ën van zangeres Bracha Zefira ontwikkelde Pártos een eigen stijl.
Voor Yizkor (een gebed om overledenen te gedenken) zocht hij inspiratie in de religieuze muziek van Asjkenazische joden. De heft als een voorganger het gebed aan. Pártos droeg de compositie op aan de slachtoffers van de Holocaust. De componist bracht Yizkor – oorspronkelijk voor altviool en strijkorkest geschreven – in 1957 zelf in première met het Hashomer Hatzait Kibbutz Orchestra onder leiding van Frank Pelleg. In 1987 werd Yizkor in een bewerking voor altviool en piano gepubliceerd ter gelegenheid van de tachtigste verjaardag van de componist.
Robert Schumann 1810-1856
Schumann: Fantasiestücke
Het jaar 1849 was voor Robert Schumann het meest vruchtbare jaar ooit, waarin ruim veertig nieuwe composities het levenslicht zagen. Vele blaasinstrumenten werden met fantasieën en romances bedacht. Soms schreef Schumann zelf een alternatieve versie voor bijvoorbeeld of viool, soms drong zijn nieuwe uitgever daar op aan om zo de verkoopcijfers te stimuleren.
Dat was hard nodig, want het gezin Schumann had financiële problemen. Tot overmaat van ramp wilde de vermaarde uitgever Breitkopf & Härtel zijn muziek niet langer uitgeven omdat ze, volgens zeggen, grote verliezen leden op Schumanns orkestwerken. Uitgever Carl Luckhardt zag zijn kans schoon en ging een lucratieve samenwerking met de componist aan. Het Album für die Jugend werd in januari 1849 een kaskraker en een maand later volgden de eerste werken voor verschillende blaasinstrumenten en piano.
Uit dagboeken van de familie Schumann weten we dat Johann Gottlieb Kotte, eerste klarinettist aan het hof in Dresden, regelmatig een bezoek bracht aan de componist in februari van dat jaar. Kotte stond bekend om zijn uitzonderlijk mooie toon en vingervlugheid.
Op 17 februari bezocht hij Schumann voor een repetitie, drie dagen na de voltooiing van de Fantasiestücke voor klarinet en piano. Het is dus zeer waarschijnlijk dat hij een rol gespeeld heeft in het ontstaan van deze compositie.
Ondanks het politieke tumult – op 3 mei brak in Dresden de Meirevolutie uit en Schumann ontkwam via de achterdeur toen een beroep op hem werd gedaan om te vechten – lukte het de uitgever om het nieuwe werk al in juli van de drukpers te laten rollen, compleet met alternatieve versies voor viool en .
Met zijn Fantasiestücke zette Schumann een trend. De vorm van de muziek, die zich weinig aantrekt van conventies en waarin Schumann zijn fantasie de vrije loop kon laten, vond gretig navolging bij jongere collega’s zoals Johannes Brahms, Max Bruch en Niels Gade.
Johannes Brahms 1883-1897
Brahms: Sonate
Zoals Schumann aan de wieg stond van het fantasiestuk, zo stond zijn bewonderaar en protégé Brahms aan de wieg van de klarinet- en de sonate. Brahms had al aangekondigd dat hij als componist met pensioen zou gaan en had al een jaar niets meer geschreven toen Richard Mühlfeld, eerste klarinettist en van het Meininger hoforkest, voor hem speelde. Deze gebeurtenis inspireerde Brahms alsnog tot vier composities waarin de klarinet de hoofdrol speelt, waaronder de Eerste in f klein.
Waar Schumann en zijn uitgever ‘vergaten’ een versie voor altviool te publiceren, aarzelden Brahms en zijn uitgever Simrock geen moment. Volgens overlevering zou Brahms zelf de voor altviool gemaakt hebben, hoewel dat door sommigen betwijfeld wordt omdat de altvioolpartij vol zit met kleine wijzigingen, terwijl de pianopartij onveranderd bleef – hoogst ongebruikelijk voor Brahms.
Hoe het ook zij, op 14 oktober 1894 schreef hij aan zijn vriend, de violist Joseph Joachim: ‘Mocht je nog naar Frankfurt komen, zeker in de eerste helft van de winter, laat het me weten. In dat geval zal ik ook komen, en dan nodig ik ofwel Mühlfeld uit om mee te komen, of ik breng een partij mee – voor twee klarinetsonates die ik aan Mevrouw Schumann zou willen laten horen. Deze eenvoudige werken zullen onze rust niet verstoren – maar het zou mooi zijn!’
Brahms had er dus geen moeite mee zijn klarinets in een altvioolversie aan zijn belangrijkste criticus te laten horen. Gelukkig maar, want het markeerde het begin van het genre van de altvioolsonate.
Biografie
Amihai Grosz, altviool
Amihai Grosz speelde viool vanaf zijn vijfde en verruilde die op zijn elfde voor de . De Israëlische musicus kreeg les van onder anderen Tabea Zimmermann (Frankfurt en Berlijn) en Chaim Taub (Tel Aviv). Ook maakte hij deel uit van de ‘Young Musicians Group’ van het Jerusalem Music Center. In deze periode was Amihai Grosz medeoprichter van het Jerusalem Quartet, waaraan hij van 1995 tot 2009 verbonden was en waarmee hij ook meermaals optrad in de .
Voor s en kamermuziek deelde Amihai Grosz wereldwijd het podium met collega’s als Yefim Bronfman, Mitsuko Uchida, Daniel Hope, Eric le Sage, Janine Jansen en David Geringas. Sinds 2010 is hij eerste altviolist van de Berliner Philharmoniker en daarnaast treedt hij steeds vaker op als solist; hij soleerde onder leiding van en als Zubin Mehta, Tugan Sokhiev, Klaus Mäkelä, Daniel Barenboim en Simon Rattle en bij gezelschappen als de omroeporkesten van Finland en Zweden, het Warschau Philharmonisch Orkest, het Deens Nationaal Symfonie Orkest en het Kammerorchester Zürich.
Per seizoen 2021/2022 is Amihai Grosz artistiek leider van het Internationaal Kamermuziek Festival Utrecht. Hij bespeelt een instrument van Gasparo da Salò uit 1570.
Saleem Ashkar, piano
Saleem Ashkar begon zijn studies in Nazareth en vervolgde zijn opleiding in Londen en Hannover bij Maria Curcio en Arie Vardi. Op zestienjarige leeftijd werd de pianist ontdekt door Zubin Mehta, die hem als solist uitnodigde bij het Israël Philharmonisch Orkest. Op zijn 22ste maakte hij in New York zijn Carnegie Hall-debuut.
Saleem Ashkar heeft gespeeld met toonaangevende orkesten als het London Symphony Orchestra, de Staatskapelle Berlin, het Orchestra Filarmonica della Scala en de orkesten van Chicago, Atlanta en Detroit, en werkte met en als Riccardo Chailly, Daniel Barenboim, Riccardo Muti, Kazushi Ono, David Afkham en Nikolaj Szeps-Znaider. Ook treedt hij regelmatig op in kamermuziekverband en geeft hij solorecitals. Hij nam onder andere alle pianosonates van Beethoven op, en de pianoconcerten van Mendelssohn met het Gewandhausorchester Leipzig.
Saleem Ashkar is verbonden aan de Brown University in de Verenigde Staten. Als medeoprichter en artistiek leider van het Galilee Chamber Orchestra brengt hij Palestijnse en Joods-Israëlische musici samen, met tournees door Europa en Noord-Amerika inclusief optredens in onder andere Carnegie Hall in New York en het Konzerthaus Berlin. Saleem Ashkar maakte zijn debuut in Het Concertgebouw in september 2007 met het Israël Philharmonisch Orkest onder leiding van Zubin Mehta, en in juli 2012 volgde zijn debuut bij het Concertgebouworkest.





