Shani & Weilerstein: Schumanns Celloconcert en Schuberts Negende
Rotterdams Philharmonisch Orkest
Lahav Shani dirigent
Alisa Weilerstein cello
Robert Schumann (1810-1856)
Celloconcert in a kl.t., op. 129 (1850)
Nicht zu schnell
Langsam
Sehr lebhaft
pauze (± 20.45 uur)
Franz Schubert (1797-1828)
Negende symfonie in C gr.t., D 944 (1825-28) ‘Grote’
Andante — Allegro ma non troppo
Andante con moto
Scherzo: Allegro vivace
Allegro vivace
einde (± 22.00 uur)
Toelichting
Robert Schumann 1810-1856
Schumann: Celloconcert
Door Michiel Cleij
Behalve over een enorme geestdrift beschikte Robert Schumann over een onuitputtelijk gevoel. Niet alleen zijn oeuvre, maar ook zijn instrumentale werken hebben een overrompelende zangkwaliteit. Die aanleg moet doorslaggevend geweest zijn in zijn opmerkelijke keuze een soloconcert te schrijven voor – een instrument dat de menselijke stem dicht benadert, maar dat Schumann zelf niet beheerste.
Weliswaar had hij in diverse kamermuziekwerken markante cellopartijen geschreven, maar dat gold nauwelijks als voorbereiding. Verrassend genoeg klaarde de componist deze hachelijke, zelfverkozen klus in twee weken. Schumann had een schap in Düsseldorf aanvaard en kon derhalve een nare tijd in Dresden afsluiten (een oord, vond zijn vrouw Clara, ‘waar alles ouderwets is en waar je geen intelligent persoon tegenkomt’).
Het concert is in verscheidene opzichten experimenteel. Schumann had geen voorbeelden tot zijn beschikking; buiten Joseph Haydns Celloconcert in D groot uit 1781 was er geen noemenswaardig repertoire voor solocello en orkest bekend. Ook werkte hij niet samen met een cellist die hem de fijne kneepjes van het instrument kon bijbrengen.
Die beperkingen lijken zijn fantasie eerder gestimuleerd dan belemmerd te hebben. Vergeleken met andere soloconcerten uit die tijd is de opzet tamelijk ongewoon (aanvankelijk wilde Schumann het een Konzertstück noemen). Het gebruikelijke openingssalvo van het orkest is vervangen door een kort signaal, alsof het orkest even inademt alvorens de cello inzet met een langgerekt ‘gezang’ dat – typisch Schumann – vaak klinkt alsof ter plekke geïmproviseerd wordt.
Tot zijn frustratie moest Schumann met het voltooide werk leuren bij zowel solisten als uitgevers
Het begindeel is de hoofdmoot; het langzame middendeel is een kort, sierlijk brugje naar de even compacte finale. Die opzettelijke asymmetrie compenseert Schumann door de delen als een doorgaande lijn te laten klinken: met sluwe ‘scharniertjes’ zijn de slotmaten van deel een en twee aan het volgende deel geklonken.
Door het ontbreken van solistisch vuurwerk sloeg dit Celloconcert niet onmiddellijk aan. Tot zijn frustratie moest Schumann met het voltooide werk leuren bij zowel solisten als uitgevers – zonder succes. Pas in 1860, vier jaar na Schumanns dood, werd het voor het eerst uitgevoerd.
Franz Schubert 1797-1828
Schubert: Negende symfonie
Door Jos van der Zanden
‘Clara, vandaag was ik in de zevende hemel. We repeteerden een symfonie van Schubert. O was je er maar bij geweest! Ik kan het niet beschrijven, de instrumenten leken wel menselijke stemmen. Het werk is geniaal, voor Beethoven doet het niet onder. En dan die lengte, die hemelse lengte! Alsof je een vierdelige roman leest. Langer dan de Negende van Beethoven! Tjonge, kon ik zelf maar zulke symfonieën schrijven.’
Robert Schumann kon zijn enthousiasme niet onderdrukken. In 1839 had hij bij Ferdinand Schubert, broer van de ruim tien jaar eerder gestorven Franz, een afschrift gevonden van een symfonie in C groot, die toen nog niemand kende. Onbegrijpelijk was het, vond hij, dat zo’n meesterwerk ergens onder een dikke laag stof op zolder lag. Bij de repetitie gingen bij Schumann de rillingen door het lijf. Hij had een magistraal en majestueus werk aan de vergetelheid ontrukt.
Het manuscript was gedateerd ‘maart 1828’, Schuberts sterfjaar. Schumann nam voetstoots aan dat die datum klopte en dat Schubert de symfonie een half jaar voor zijn dood had geschreven. Maar er rezen twijfels, want Schubert had drie jaar eerder, in 1825, een reis langs enkele Oostenrijkse dorpen en steden gemaakt, een welverdiende vakantie.
Vanuit Gmunden en Gastein correspondeerde hij met vrienden in Wenen en in zijn brieven refereerde hij met gepaste trots aan ‘een grote symfonie’ die hij bij terugkomst meteen wilde laten uitvoeren. Van die zogenaamde ‘Gasteiner’-symfonie uit 1825 is nooit een spoor gevonden. Was deze verloren gegaan? Had Schubert misschien het manuscript uitgeleend of weggegeven, zoals hij eerder met zijn ‘Onvoltooide’ had gedaan?
Mysterie ontrafeld
Het raadsel bleef lang onopgelost, tot in onze jaren zeventig. De muziekwetenschap ontdekte toen door middel van watermerkonderzoek dat de geheimzinnige ‘Gasteiner’-symfonie en de Symfonie in C groot één en hetzelfde werk waren. De datering op het manuscript van de Symfonie in C groot, maart 1828, sloeg op een revisie door Schubert, die mogelijk verband hield met een geplande uitvoering. Het componeren had drie jaar eerder plaatsgehad, tijdens die vrolijke zomervakantie.
Maakt het iets uit, 1825 of 1828? Wél als we Schuberts levensomstandigheden erbij betrekken, want de symfonie krijgt dan een heel ander perspectief. Het werk dateert niet, zoals lang aangenomen, uit Schuberts dramatische en intens droevige sterfjaar 1828, maar uit een tijd van betrekkelijke voorspoed.
Na een jarenlange kuur tegen de bijwerkingen van syfilis, voelde Schubert zich tijdelijk beter en herstelde zijn psychische evenwicht. Van mei tot oktober 1825, op reis door Oostenrijk, beleefde hij een zestal heerlijk ontspannen maanden. Een herbergier bij wie hij samen met zijn vrienden overnachtte, herinnerde zich:
‘Schubert was zo vriendelijk, zo spraakzaam. Bijna tot middernacht zaten we bij elkaar. Zoals hij over kunst sprak, over poëzie, over zijn jeugd, zijn idealen, enzovoort, het was zo boeiend allemaal. Ik verbaasde me keer op keer over deze zo bijzondere jongeman, van wie men zei dat zijn scheppingen volkomen spontaan tot stand komen, zo spontaan dat hij het zich nauwelijks bewust is.’
De uitgelaten stemming waarin Schubert verkeerde, lijkt in de Negende symfonie veel sporen te hebben nagelaten. De melancholie die uit veel andere werken spreekt, is hier nauwelijks te bespeuren. Bevallig en gracieus zijn bijvoorbeeld de hoofdthema’s van het openingsdeel.
Natuurlijk is er dramatiek, zoals de expressieve s in de doorwerking, maar op de achtergrond schijnt de zon. De ’s van het tweede deel zijn zelfs dartel en dansant. Ook het vinnige kent geen spoor van dramatiek. Tot het vriendelijke , het middendeel van het Scherzo, werd Schubert mogelijk geïnspireerd door volkswijsjes die hem tijdens zijn reis ter ore kwamen, zo ‘volkstümlich’ klinkt het allemaal. De lange, uitbundige Finale van maar liefst 1154 maten is een fraai voorbeeld van de door Schumann zo bezongen ‘himmlische Länge’.
Biografie
Lahav Shani, dirigent
In juni 2016 maakte Lahav Shani zijn debuut bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest – als én pianosolist – en twee maanden later volgde de aankondiging van zijn benoeming tot chef-dirigent per september 2018. In seizoen 2020/2021 volgde hij Zubin Mehta op als music director van het Israël Filharmonisch Orkest; in september van dit jaar treedt hij aan als chef-dirigent van de Münchner Philharmoniker.
Zijn engagementen als gastdirigent omvatten optredens met het Koninklijk Concertgebouworkest (juni 2018), de Wiener Philharmoniker, de Berliner Philharmoniker, het Gewandhausorchester Leipzig, het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks, het London Symphony Orchestra, het Philharmonia Orchestra, het Budapest Festival Orchestra, de Filarmonica della Scala, het Orchestre de Paris en de orkesten van Boston, Chicago en Philadelphia.
Na pianolessen in zijn geboortestad Tel Aviv bij Hannah Shalgi en Arie Vardi voltooide Lahav Shani zijn pianostudie bij Fabio Bidini aan de Hochschule für Musik ‘Hanns Eisler’ in Berlijn, waar hij ook orkestdirectie studeerde bij Christian Ehwald. Tijdens zijn studiejaren was Daniel Barenboim zijn mentor, en het winnen van het Gustav Mahler enconcours 2013 in Bamberg was zijn doorbraak.
Lahav Shani heeft ook een flinke staat van dienst als pianist in kamermuziek: hij treedt regelmatig op tijdens het Verbier Festival en speelde ook op het Festival d’Aix-en-Provence, het Jerusalem Chamber Music Festival en in duo-s met Martha Argerich.
Alisa Weilerstein, cello
Alisa Weilerstein, geboren in Rochester (New York), ontdekte haar liefde voor de toen ze twee jaar oud was en haar oma kartonnen instrumenten voor haar maakte. Op vierjarige leeftijd wist ze haar ouders te overtuigen een echte cello te kopen en zes maanden later gaf ze haar eerste publieke optreden.
Op dertienjarige leeftijd, in 1995, maakte de Amerikaanse haar debuut bij The Cleveland Orchestra met Tsjaikovski’s Rococo-variaties.
Alisa Weilerstein volgde lessen aan het Cleveland Institute of Music en studeerde daarnaast geschiedenis aan Columbia University. In 2015 debuteerde ze in Carnegie Hall in New York. Sindsdien soleerde ze bij gezelschappen als de Berliner Philharmoniker, de Staatskapelle Berlin, de New York Philharmonic en het Simón Bolívar Symphony Orchestra en bij de orkesten van bijvoorbeeld Boston, Cincinnati, Toronto, Valencia, Praag en Göteborg.
Naast het bekende repertoire speelt ze graag hedendaagse muziek: onder anderen Pascal Dusapin en Lera Auerbach schreven nieuw werk voor haar en in 2017 bracht ze un despertar van Matthias Pintscher in première.
In de van Het Concertgebouw was de celliste eerder te beluisteren met onder meer het European Union Youth Orchestra en het Rotterdams Philharmonisch Orkest; in de debuteerde ze in februari 2001. Alisa Weilerstein maakt haar debuut bij het Concertgebouworkest.
Rotterdams Philharmonisch Orkest, orkest
Het Rotterdams Philharmonisch Orkest werd opgericht in 1918. Onder Eduard Flipse ontwikkelde het zich vanaf 1930 tot een van de meest prominente Nederlandse orkesten, en met Jean Fournet, Edo de Waart en James Conlon bouwde het in de jaren 1970 en 1980 verder aan zijn internationale reputatie.
De benoeming van Valery Gergiev in 1995 luidde een nieuwe bloeiperiode in, die sinds 2008 werd voortgezet met Yannick Nézet-Séguin.
Hij bleef als eredirigent aan het orkest verbonden toen Lahav Shani per seizoen 2018/2019 chef- werd. Vaste gastdirigent is Tarmo Peltokoski. Naast de concerten in de thuiszaal, Concertgebouw De Doelen, speelt het Rotterdamse gezelschap op vele andere podia in binnen- en buitenland.
Zo heeft het sinds 2010 een residency in het Parijse Théâtre des Champs-Élysées. Met zijn concerten, educatieve voorstellingen en sociale projecten trekt het Rotterdams Philharmonisch Orkest ieder seizoen 150.000 à 200.000 bezoekers. Het orkest koestert een uitgebreide discografie en voor de heruitgave van historische opnamen initieerde het zijn eigen label Rotterdam Philharmonic Vintage Recordings.
De vorige optredens in de serie Klassieke Meesterweken waren op 6 mei 2024 met Yannick Nézet-Séguin en violist Randall Goosby respectievelijk op 5 april 2025 met Lahav Shani en violiste Clara-Jumi Kang.


