Schuberts Octet en Salve Regina met Anna Prohaska

Strijkers met Variatie 20.15 uur

Anna Prohaska sopraan
Veronika Eberle viool
Malin Broman viool
Danusha Waskiewicz altviool
Quirine Viersen cello
Rick Stotijn contrabas
Pascal Moraguès klarinet
Radovan Vlatkovic hoorn
Marco Postinghel fagot

Franz Schubert 1797-1828

Salve regina in A gr.t., D 676 (1819)

Anton Webern 1883-1945

Schmerz immer, Blick nach oben (1913)

Giovanni Battista Pergolesi 1710-1736

Salve regina in c kl.t. (1736)
Salve regina
Ad te clamamus
Ad te suspiramus
Eia, ergo
Et Jesum
O clemens, o pia

pauze

Franz Schubert

Octet in F gr.t., D 803, op. 166 (1824)
Adagio – Allegro
Adagio
Allegro vivace
Thema: Andante – Variationen I-VII
Menuetto: Allegretto
Andante molto – Allegro

begin van de pauze ca. 20.45 uur
einde van het concert ca. 22.05 uur

teksten gratis verkrijgbaar aan de zaal

Toelichting

Franz Schubert 1797-1828

Salve Regina

Tekst: Agnes van der Horst

Bij een componist die is opgegroeid in een katholieke familie in een katholiek land (en ook nog in een voorstadje van Wenen dat Himmelpfortgrund heette), is het niet zo verwonderlijk dat de meeste van Franz Schuberts vroegste composities religieuze werken waren.

Zijn eerste compositielessen ­kwamen van de organist en koorleider van de parochie­kerk waar hij zelf in het koor zong, samen met verschillende van zijn familieleden. Tussen zijn veertiende en zeventiende jaar componeerde Schubert verschillende losse misdelen (Kyrie, Gloria, Credo), complete missen en zes maal een Salve regina: een loflied op Maria. Het Salve regina is een zogenoemd Maria-antifoon op een Latijnse tekst uit de Middeleeuwen.

Het gezang had een vaste plek in de katholieke liturgie. In 1819 componeerde Schubert zijn zevende en laatste Salve regina in A groot voor so­praan en strijkers. Het muziekstuk stroomt over van liefdevolle eerbied en serene blijdschap.

Schuberts grote talent voor het schrijven van eren op wereldlijke gedichten en zijn van jongs af aan gekoesterde liefde voor de moeder van God komen hier prachtig samen. Zoals met veel van zijn werken gebeurde, kon Schubert ook voor dit ontroerende ­Salve regina geen uitgever vinden. Pas in 1845, zeventien jaar na zijn dood, verscheen het in druk.

Anton Webern 1883-1945

schmerz immer, blick nach oben

Bijna een eeuw na de dood van Schubert leefde en werkte in Wenen de componist en Anton Webern. Hoewel hij in een volstrekt andere tijd leefde en vanaf zijn eerste composities op zoek was naar nieuwe muziekstijlen, voelde Webern zich een opvolger van Schubert. Zijn eerste composities uit circa 1902 waren onder meer bewerkingen van Schuberts eren.

In 1904 kwam hij de negen jaar oudere componist Arnold Schönberg tegen. Diens revolutionaire denkbeelden over muziek en componeren boeiden Webern en hij werd Schönbergs eerste compositieleerling. Hadden zijn eerste composities nog (laat-)romantische trekken, in de loop van de jaren worden Weberns muziekstukken beknopter en soberder.

Tussen 1911 en 1913 ontstonden de Zes n voor strijkkwartet: zes minutieuze minicomposities waarvan het langste deel minder dan anderhalve minuut duurt. In diezelfde periode componeerde Webern het nauwelijks een minuut durende voor zangstem en strijkkwartet Schmerz immer, Blick nach oben. Het werk bestaat uit slechts 14 maten, 17 lettergrepen en 13 woorden.

Toch is het een stuk vol betekenis en vooral vol verdriet. Het lied begint met gesmoorde klanken, die zo angstaanjagend fel worden dat de zanger in zijn eigen droefenis lijkt te stikken.

Er wordt gerouwd om een gestorven moeder. Of dat Weberns zeven jaar eerder overleden moeder is, weten we niet. Webern maakt hier voor het eerst gebruik van het min of meer door Schönberg ‘uitgevonden’ Sprechgesang. Zelf vond hij dit werk te privé om in zijn officiële oeuvrelijst op te nemen. Maar vernietigen deed hij het ook niet. Na zijn dood in 1945 werd het alsnog gepubliceerd.

Giovanni Battista Pergolesi 1710-1736

Salve Regina

Giovanni Battista Pergolesi bleek al vroeg een groot muziektalent. Als jonge tiener werd hij door zijn eerste muziekleraar van zijn geboorteplaats Jesi naar het conservatorium in Napels gestuurd.

Daar kreeg hij les van de beste Italiaanse musici en componisten van zijn tijd. En hij hoefde niets te betalen, omdat hij in het koor zong en viool speelde in de cappella van het conservatorium tijdens diensten in verschillende Napolitaanse kathedralen.

Toen hij zelf begon te componeren was dat in eerste instantie vooral kerkmuziek, waaronder verschillende Salve regina’s. Later componeerde hij ook ’s, wereldlijke vocale muziek en instrumentale stukken. Giovanni Battista was van kinds af aan veel ziek en stierf al op zijn zesentwintigste aan tbc.

Tegen het eind van zijn korte leven componeerde hij twee van zijn mooiste religieuze werken. Het Salve regina in c klein en het beroemde Stabat mater. Ze lijken in stijl sterk op elkaar, ook al is de inhoud totaal anders. Het zou goed kunnen dat dit Salve regina een aanloop was naar het langere en complexere Stabat mater. Net als SchubertSalve regina (en Weberns Schmerz immer, Blick nach oben) is ook dit werk nooit door zijn schepper in het openbaar gehoord.

Franz Schubert 1797-1828

octet

Dat geldt ook voor het Octet in F groot van Franz Schubert, dat pas zeventig jaar na diens dood werd uitgebracht. Mijn ‘kleine symfonie’, noemde Schubert het werk. De bescheiden componist was zelf uitermate tevreden over zijn stuk, want hij deed veel moeite om het uit te laten geven.

Tevergeefs. Zijn eren verkopen, dat ging nog wel, ook al verdiende hij er door een domme zakelijke fout niets mee. Maar zijn ’s en instrumentale werken kreeg hij niet of nauwelijks gepubliceerd. Schubert moest opboksen tegen grote tijdgenoten als Beethoven, Rossini en Boccherini, die veel furore maakten met instrumentale en muziektheatrale composities.

Toch kreeg hij in 1824 een belangrijke compositieopdracht van graaf Ferdinand ­Troyer, de kamerheer van aartsbisschop Rudolf van Oostenrijk. Beiden waren ze muzikaal begaafd (Troyer was een bekend klarinettist en Rudolf speelde piano) en beiden componeerden. Allebei waren ze grote liefhebbers van Beethoven. Ze verzochten Schubert een octet te schrijven, gemodelleerd op Beethovens Septet in Es groot, 20 uit 1799.

Veel componisten zouden misschien beledigd zijn als ze gevraagd zouden worden een stuk te schrijven ‘in de trant van’. Schubert niet, hij had zelf ook diepe bewondering voor Beethoven. Hij liep in diezelfde periode met plannen rond voor een symfonie (zijn Negende). Het Octet beschouwde hij als een aanloop daarvoor.

Schubert hield zich keurig aan zijn voorbeeld: de van zijn Octet is praktisch dezelfde als van Beethovens Septet en ook de vorm – zes delen, afwisselend langzaam en snel, ingeleid met een langzaam begin. Maar de muziek van Schuberts Octet is helemaal en onmiskenbaar Schubert. Zwierig, zangerig, schatplichtig aan vorm en helderheid van zijn klassieke voorgangers (Mozart, Haydn) en met de lange lijnen van de .

In de langzame inleiding lijkt een verwijzing op te duiken (toeval of opzet?) naar het hoofdthema uit het langzame deel van Beethovens Zevende symfonie uit 1812. Het erop volgende is een en al afwisseling en Weense schwung.

Het tweede deel heeft mooie solorollen voor de klarinet (misschien wel een eerbetoon aan de opdrachtgever). Prachtige e passages zijn er te horen in een pastoraal weemoedige stemming die gaandeweg wat tragischer wordt. Het erop volgende deel is een zorgeloze rondedans met speelse s, het bijbehorende een fijnzinnig je.

De variaties van het vierde deel zijn gebaseerd op een ­ uit een duet uit Schuberts Singspiel Die Freunde von Salamanka uit 1815, dat – net als de meeste van zijn circa zeventien ­voltooide en onvoltooide muziektheatrale werken – nooit is uitgevoerd tijdens zijn leven. In het to heerst, in weerwil van de elegantie en het volksdansachtige Trio, een ernstige stemming, maar in het -gedeelte van de finale is die ronduit dramatisch en depressief.

De vrolijker passages van het Allegrodeel hebben een onderhuidse onrust. Vlak voor het energieke slot klinkt er een uiterst treurig momentje, als om aan te geven dat er meer aan de hand is dan op het eerste gehoor lijkt.

In de periode dat Schubert dit werk componeerde was hij ernstig ziek. In een brief aan een vriend beschrijft hij zichzelf als een man die nooit meer helemaal gezond zal worden, wiens opgewekte verwachtingen waren vervlogen en wiens liefde voor schoonheid dreigt te verdwijnen. Het is alsof die woorden doorklinken in die paar maten aan het einde van Schuberts Octet.

Biografie

Anna Prohaska, sopraan

Klassik riep Anna Prohaska uit tot zangeres van het jaar 2024, en in het lopende concertseizoen is ze spotlight artist van het Toronto Symphony Orchestra. De Oostenrijks-Engelse sopraan studeerde aan de Musikhochschule ‘Hanns Eisler’ in haar woonplaats Berlijn, waar ze op achttienjarige leeftijd debuteerde aan de Komische Oper en op twintigjarige leeftijd aan de Staatsoper Unter den Linden.

Sinds 2006 is ze aan deze laatste vast verbonden, en sinds 2008 staat ze ook regelmatig op de Salzburger Festspiele.

Anna Prohaska werd geëngageerd door La Scala in Milaan, de Hamburger Staatsoper, de Bayerische Staatsoper, het Theater an der Wien, het Bolsjoi Theater in Moskou, het Royal House in Londen, de Opéra National de Paris en De Nationale Opera in Amsterdam. In oratoria en vocaalsymfonisch repertoire zong ze met de Wiener en de Berliner Philharmoniker (debuut 2007), het London Symphony Orchestra, het NHK Symphony Orchestra, Tokyo en de orkesten van Los Angeles, Cleveland en Boston.

Bij het Concertgebouw­orkest debuteerde ze in de Kerstmatinee van 2014 (Mahlers Vierde symfonie met Mariss Jansons) en keerde ze terug in 2020 (Gluck, Händel, Mozart en Rameau) en 2023 (in een programma van Iván Fischer over de cartouches van de ).

Oude muziek zong Anna Prohaska met bijvoorbeeld het Freiburger Barockorchester, de Academy of Ancient Music en – ook in de Grote Zaal in 2016 – Il Giardino Armonico. Anderzijds droegen hedendaagse componisten als Widmann en Rihm hun werken aan haar op.

In de bracht de sopraan eerder tische programma’s in 2015 (ron­dom Shakespeares Ophelia) en 2018 (Behind the Lines, met de Eerste Wereldoorlog als onderwerp). Een eerdere uitnodiging voor Paradise Lost, dat inmiddels ook op cd is verschenen, kon in december 2020 vanwege de coronapandemie niet doorgaan.

Veronika Eberle, viool

Veronika Eberle begon op zesjarige leeftijd met vioolspelen en volgde later lessen bij docenten als Olga Voitova, Christoph Poppen en Ana Chumachenko. De violiste ontving een beurs van de Borletti-Buitoni Trust, was ‘Junge Wilde’ van het Konzerthaus Dortmund (2010-2012) en BBC New Generation Artist (2011-2013).

Een belangrijk debuut maakte Veronika Eberle toen ze op haar zestiende bij de Berliner Philharmoniker onder leiding van Simon Rattle het Vioolconcert van Beethoven speelde in Salzburg. Sindsdien soleerde ze bij vele beroemde gezelschappen, waaronder het London Symphony Orchestra, het Gewandhausorchester Leipzig, de New York Philharmonic en – in juni 2013 – het Koninklijk Concertgebouworkest.

Als kamermusicus deelt ze het podium met collega’s als Renaud Capuçon, Shai Wosner en Lars Vogt. Het vorige optreden van Veronika Eberle in de was op 12 februari in de serie Strijkers met Variatie. Haar Kleine Zaal-debuut was een met pianist Oliver Schnyder in november 2011. Veronika Eberle bespeelt de ‘Dragonetti’-Stradivarius uit 1700.

Malin Broman, altviool

De Zweedse Malin Broman studeerde bij David Takeno aan de Guildhall School of Music and Drama in Londen en won prijzen van de Carl Nielsen Violin Competition en de Washington Competition for Strings.

Ze soleerde bij het Göteborg , het Filharmonisch Orkest van Kopenhagen en de Academy of St Martin in the Fields.

Malin Broman is mede-oprichter van het Kungsbacka , dat werd geselecteerd voor het BBC New Generation Artists Scheme en de Rising Stars-serie 2002/2003, en van het Kungsbacka Chamber Music Festival. Voor kamermuziek sloot ze zich aan bij het Leopold String Trio, het Belcea Quartet en het Elias String Quartet en treedt ze op met haar man, de pianist Simon Crawford-Phillips.

Ook is Malin Broman mede-oprichter van het Stockholm Syndrome Ensemble, dat een eigen serie heeft in Musikaliska in Stockholm. Sinds 2008 is ze concertmeester van het Zweeds Radio en ze is geregeld gastaanvoerder bij het Mahler Chamber Orchestra, het Chamber Orchestra of Europe, Philharmonia en het London Symphony Orchestra. Sinds 2019 is ze artistiek leider van het Ostrobothnian Chamber Orchestra (Finland).

Malin Broman geeft les aan het Edsberg Instituut in Stockholm en heeft een Stradivariusviool uit 1709 en een van Bajoni uit 1861 in bruikleen.

Danusha Waskiewicz, altviool

Danusha Waskiewicz begon op zesjarige leeftijd met vioolspelen en koos toen ze tien was voor de . Ze was leerling van onder anderen Tabea Zimmermann en viel in 2000 meervoudig in de prijzen tijdens het ARD Concours in München.

De altiste begon haar carrière in het hr-Sinfonieorchester in Frankfurt. Op vijfentwintigjarige leeftijd werd ze lid van de Berliner Philharmoniker, waar ze twee jaar later de positie verwierf van aanvoerder van de altviolen.

Momenteel maakt Danusha Waskiewicz deel uit van het Orchestra Mozart in Bologna en van het Lucerne Festival Orchestra. Als solist trad de Duitse altvioliste op met gezelschappen als het Stuttgarter Kammerorchester en het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks. Danusha Waskiewicz speelt bovendien graag kamermuziek en vormt een duo met pianist Andrea Rebaudengo.

In oktober 2019 speelde ze ook in de , in Isabelle Fausts eerste Spotlight-programma met onder meer het Octet van Schubert.

Quirine Viersen, cello

Quirine Viersen kreeg haar eerste lessen van haar vader Yke Viersen, cellist in het Concertgebouworkest van 1971 tot 2014. Ze studeerde bij Jean Decroos en Dmitri Ferschtman aan het Conservatorium van Amsterdam en bij Heinrich Schiff aan het Mozarteum in Salzburg.

De celliste won prijzen op het Rostropovich Concours (Parijs 1990), het Internationale concours (Helsinki 1991) en het Tsjaikovski Concours (Moskou 1994), en in 1994 kreeg ze de Nederlandse Muziekprijs. Quirine Viersen soleerde bij de Wiener Philharmoniker, het Concertgebouworkest, het Nederlands Philharmonisch Orkest en het Filharmonisch Orkest van Sint-Petersburg.

Na een bijna twintigjarige samenwerking met ­pianiste Silke Avenhaus ging ze nieuwe duoverbanden aan met Enrico Pace ( oktober 2019) en Thomas Beijer (Kleine Zaal oktober 2021), en in november vorig jaar was ze in de Kleine Zaal te gast in een et met onder anderen pianist Severin von ­Eckardstein en altvioliste Isabelle van Keulen.

Quirine Viersen bespeelt de ‘Joseph Guarnerius Filius Andreae’ uit 1715, ter beschikking gesteld door het Nationaal Muziekinstrumenten Fonds. Heinrich Schiff deed haar een van zijn strijkstokken cadeau.

Rick Stotijn, contrabas

Ieder jaar reizen artistiek leider Candida Thompson en de aanvoerders van Amsterdam Sinfonietta langs de nationale en internationale kamermuziekpodia. Voor de huidige tournee schuift Rick Stotijn aan, voormalig bas-aanvoerder van Amsterdam Sinfonietta.

Rick Stotijn studeerde aan het Conservatorium van Amsterdam bij zijn vader Peter Stotijn en aan de Musikhochschule in Freiburg bij ­Bozo Paradzik. Hij kreeg in 2013 de Nederlandse Muziek­prijs. Als solist musiceerde hij met onder meer Amsterdam Sinfonietta, het ­Residentie ­Orkest en de philharmonie zuidnederland.

Bij het Finse Joensuu City Orchestra vertolkte hij een soloconcert van Gavin Bryars en bij het ­Radio ­Filharmonisch Orkest het nieuwe werk Reports from the Low Country van Martijn ­Padding. Kamermuziek speelt hij met collega’s als Liza Ferschtman, ­Janine Jansen, Bram van Sambeek, Julius Drake, Joseph Breinl en zijn zus, mezzosopraan Christianne Stotijn.

Rick Stotijn is aanvoerder bij het Zweeds Radio Symfonie ­Orkest en voert ook geregeld de basgroep aan in het Orchestra Mozart, het Chamber Orchestra of Europe en het Mahler Chamber Orchestra.

Pascal Moraguès, klarinet

Pascal Moraguès is sinds 1985 de eerste klarinettist van het Orchestre de Paris. Met dit orkest, maar ook met tal van andere gezelschappen, soleerde hij in vele klarinetconcerten. Hij speelde onder leiding van en als Christoph Eschenbach, Frans Brüggen, Zubin Mehta en Daniel Barenboim.

Als kamermusicus treedt Pascal Moraguès op met collega’s als Yuri Bashmet, Shlomo Mintz, Pascal Rogé en Itamar Golan. De klarinettist maakt deel uit van het Moraguès et, het Mullova Ensemble en het Ensemble Katia & Marielle Labèque. Pascal Moraguès sluit zich ook regelmatig als orkestlid aan bij het Chamber Orchestra of Europe.

Op cd is hij onder meer te beluisteren met het Wanderer in Messiaens Quatuor pour la fin du temps en met het Pražák Kwartet in Brahms’ Klarinetkwintet.

Pascal Moraguès is als docent verbonden aan het conservatorium in Parijs en geeft daarnaast regelmatig les aan conservatoria in Osaka en Londen.

Radovan Vlatkovic, hoorn

Na zijn opleiding in Zagreb en Detmold was Radovan Vlatkovic in 1983 winnaar van het ARD Concours in München, wat de deuren opende naar een internationaal succesvolle carrière. Hij was te gast op talloze belangrijke muziekfestivals in Europa, de Verenigde Staten, Canada, Japan en Australië. Als solist was de ist te beluisteren met gezelschappen als het BBC Symphony Orchestra, het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks en het NHK in Tokio.

In de van Het Concertgebouw debuteerde hij in april 2002 met het Eerste concert van Richard Strauss met Het Gelders Orkest onder leiding van Lawrence Renes en soleerde hij later ook nog bij de Radio Kamer Filharmonie en het Radio Filharmonisch Orkest. Radovan Vlatkovic voerde ook tal van nieuwe composities uit, zoals het in 2008 voor hem geschreven Hoornconcert van Krzysztof Penderecki met onder meer de Bremer Philharmoniker en het Deutsches Symphonie-Orchester Berlin.

Radovan Vlatkovic was in het verleden docent aan de Musikhochschule in Stuttgart en is momenteel verbonden aan het Mozarteum in Salzburg.

Marco Postinghel, fagot

Marco Postinghel groeide op in Bolzano, begon daar ook zijn muzikale opleiding, en vervolgde deze in Hannover bij Klaus Thunemann. In Venetië had hij les van Benedetto Marcello. Vervolgens werd hij toegelaten tot de Orchester-Akademie van de Berliner Philharmoniker.

Marco Postinghel was lid van het European Union Youth Orchestra en was vier jaar lang als eerste tist verbonden aan het Orchestre de Paris. In 1994 kreeg hij deze positie bij het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks in München.

De Italiaanse musicus soleerde in tal van concerten en speelde daarbij onder leiding van en als Lorin Maazel, Kent Nagano en Semyon Bychkov. Hij speelt ook graag repertoire uit de en werkte voor het uitvoeren van hedendaagse muziek samen met bijvoorbeeld het Ensemble Modern.

Marco Postinghel is docent aan het Mozarteum in Salzburg en geeft ook les aan enkele conservatoria in Italië.