Scherpdenkers: Özcan Akyol en Nicolas Altstaedt

Özcan Akyol spreker
Nicolas Altstaedt cello
David Kadouch piano

Dit concert maakt deel uit van de serie Scherpdenkers, waarin schrijvers en mensen uit de media hun ideeën scherpen aan composities met een verhaal.

Nadia Boulanger (1887-1979)

Trois pièces (1914)
voor cello en piano
Modéré
Sans vitesse et à l’aise
Vite et nerveusement rythmé

Samuel Barber (1910-1981)

Cellosonate, op. 6 (1932)
voor cello en piano
Allegro ma non troppo
Adagio
Allegro appassionata

Astor Piazzolla (1921-1992)

Le grand tango (1982)
voor cello en piano

Fazil Say (1970)

Four Cities – Dört Şehir, op. 41 (2012)
voor cello en piano
Sivas
Hopa
Ankara
Bodrum

er is geen pauze
einde ± 21.45 uur

Toelichting

Nadia Boulanger 1887-1979

Boulanger: Trois pièces

Door Hugo Bouma

‘Volgens de legende heeft ieder dorp in Amerika twee dingen: een winkel waar alles een dubbeltje kost, en een leerling van Nadia Boulanger.’ Aldus karakteriseerde componist Ned Rorem de invloed die deze Française heeft gehad op het muzikale landschap van de twintigste eeuw.

Uiteenlopende namen als Aaron Copland en Elliott Carter, maar ook Quincy Jones en Burt Bacharach reisden af naar Parijs om compositie- en directielessen bij haar te volgen. Velen roemden haar strenge rechtvaardigheid, haar immense repertoirekennis, haar focus op technisch vakmanschap en haar vaardigheid in het cultiveren van de persoonlijke stijl van al haar studenten zonder haar eigen, betrekkelijk behoudende smaak aan hen op te dringen.

  • Nadia Boulanger met Igor Stravinsky

Zelf componeren deed ‘Mademoiselle’ echter nauwelijks meer na de Eerste Wereldoorlog en de voortijdige dood van haar jongere zus Lili, die ook briljant componeerde. Ook deed ze weinig moeite om haar eigen, beperkte oeuvre onder de aandacht te brengen, en noemde ze de muziek zelfs ‘nutteloos’ – ze had haar ware roeping immers in het onderwijzen gevonden.

Ondanks haar bijtende zelfkritiek zijn de Trois pièces zeker de moeite waard. In de eerste twee delen, oorspronkelijk geschreven voor , horen we duidelijk de dromerige invloed van haar eigen leraar Gabriel Fauré, met eindeloos lange lijnen boven een ingetogen begeleiding. Het vluggere slotdeel verraadt de opkomende invloed van de ragtime.

Samuel Barber 1910-1981

Barber: Cellosonate

In de zomer van 1932 reisden de 22-jarige compositiestudent Samuel Barber, zijn klasgenoot (en latere levenspartner) Gian Carlo Menotti en hun docent Rosario Scalero naar Italië. Als lichte lectuur had Barber de beide sonates van Johannes Brahms bij zich. Toen in september het schooljaar weer begon keerde hij terug naar Philadelphia met het eerste deel van zijn cellosonate. De andere twee delen volgden in het najaar. Het werk werd een van Barbers eerste grote successen als jonge componist.

Iets wat Barber onderscheidde van zijn meer avant-gardistische Amerikaanse generatiegenoten – van wie velen bij Nadia Boulanger op les zijn geweest – zijn de duidelijk hoorbare invloeden van Europese romantici, en in dit geval met name de Brahms-s die hij zo goed kende. Zijn behoudendheid en (relatieve) toegankelijkheid zouden Barber later ook nog vaak op kritiek komen te staan, maar maakten hem tegelijkertijd een van de meest gespeelde twintigste-eeuwse componisten, met zijn for Strings als regelrechte tophit.

  • Samuel Barber

De sonate opent met een omhoog reikend gebaar, waarmee de cello al snel in het zangerige, hoge register terechtkomt waar hij een groot deel van het stuk zal blijven. Brahms is te horen in zowel de lange, expressieve lijnen als de uitzonderlijke dichtheid van de piano­begeleiding – een uitdaging voor de balans van het duo. Tot het ingetogen eind blijft dit reikende gebaar het deel overheersen.

Het middendeel is een opgewekt, maar ritmisch grillig , geflankeerd door twee langzame, meditatieve passages. Dit verenigen van de twee ‘klassieke’ middendelen ( respectievelijk en ) geeft het werk toch een twintigste-eeuwse wending.

Eigenzinnig is ook het slotdeel, een grillige aaneenschakeling van ideeën. Opvallend hier is de rol van de piano, die meerdere malen als een soort tweede solist eigenaardige intermezzo’s speelt. Ook haalt Barber ritmische trucs uit die een uitdaging vormen voor het samenspel. Soms lijkt het wel alsof de twee instrumenten elk in een andere spelen.

Astor Piazzolla 1921-1992

Piazzolla: Le grand tango

Parijs, 1954. Gevestigd en gevierd bandoneonist Astor Piazzolla was vanuit Buenos es overgestoken naar Europa om de klassieke componist te worden die hij dacht te moeten zijn. Hiervoor nam hij lessen bij – u raadt het al – Nadia Boulanger.

Bij hun eerste ontmoeting liet hij haar enkele van zijn klassiek-geïnspireerde werken horen, maar wist haar niet te overtuigen. Tot slot speelde hij, zich verontschuldigend, een stukje van de tango waaraan hij wilde ontsnappen. De oude dame sprong op, feliciteerde hem en riep uit: ‘Dit is Piazzolla!’

  • Astor Piazzolla in 1975

Het hieropvolgende jaar kreeg de Argentijn een grondige stoomcursus klassieke theorie, en repertoirestudie, zonder dat hij ooit een compromis hoefde te sluiten over zijn eigen achtergrond. Mede hierdoor is zijn muziek altijd zo onmiskenbaar Piazzolla: we horen Bach, ­Schubert, Stravinsky, maar vooral, altijd en overal, tango.

Zo ook in dit werk, geschreven voor de legendarische cellist ­Mstislav Rostropovitsj. Het bestaat uit drie aaneengesloten gedeeltes: twee agressieve tango’s flankeren een intermezzo. Zowat alles dat we van Piazzolla kennen zit erin: krachtig stuwende s, wilde en en jazzy ën, tango-effecten zoals ’s, kraakgeluiden en het nabootsen van , maar bovenal een sterk gevoel voor drama, regelrecht uit de achterbuurten van Buenos es.

Fazıl Say 1970

Say: Four Cities

Door Hugo Bouma

Men zegt wel dat de Turkse componist en pianist Fazıl Say de lijn van componisten als Béla Bartók en György Ligeti voortzet. Net als zijn Hongaarse voorgangers gebruikt Say in veel van zijn werken immers volks materiaal uit zijn geboorteland, en verenigt dit met allerlei invloeden uit de hedendaagse (klassieke) muziek.

Voor deze 21e-eeuwer vallen daar overigens ook gezonde doses jazz, pop en onder, waardoor we in zijn muziek een reflectie horen van een modern en kosmopolitisch Turkije, zonder oriëntalistische clichés. Ook Four Cities is hier een voorbeeld van: op speelse, toegankelijke wijze verklankt de componist vier karakteristieke Turkse steden, waarbij hij zich van een veelheid aan stijlen bedient.

Het eerste deel, Sivas, is melancholisch van aard en reflecteert de rijke, maar conservatieve cultuur van deze stad in Oost-Anatolië. Say citeert een lokaal genaamd ‘Mijn saz’, en laat de ook eindigen met een imitatie van dit traditionele instrument. De stad waar het tweede deel, Hopa, over gaat, ligt in het noordoosten, vlakbij de Georgische grens. We horen het soort opzwepende, ritmisch uitdagende dans waar men ron­dom de Zwarte Zee zo goed in is.

Ankara, de Turkse hoofdstad en tevens de geboorteplaats van de componist, vormde de inspiratie voor het derde en langste deel, waarin beide instrumenten een breed scala aan atmosferische kleureffecten laten horen. Temidden van deze meditatieve klanken horen we wederom flarden volksmuziek, ditmaal een lied uit de republikeinse tijd waarin Ankara tot hoofdstad werd uitgeroepen. Bodrum tenslotte, het ‘Saint-Tropez van Turkije’, krijgt zijn kosmopolitische weerslag in een stukje swingende cafémuziek, die geleidelijk ontspoort.

Biografie

Özcan Akyol, spreker

Schrijver en columnist Özcan Akyol kwam ter wereld in Deventer. Hij debuteerde in september 2011 met het korte verhaal Zero impact, dat was opgenomen in de bundel WTF?. Een jaar later verscheen Eus, een semi-autobiografische schelmenroman over een Turks-Nederlandse jongen uit een gastarbeidersgezin. Het boek werd een succes en de schrijver verkocht de filmrechten.

Sindsdien schoof hij aan bij diverse ­televisieprogramma’s om zijn visie op de actualiteit te geven. In 2014, vlak voor het WK Voetbal, verscheen Hé scheids, jij hebt zeker thuis niks te vertellen?, een citatenboek over de absurde omgangsvormen op en rond het voetbalveld.

In hetzelfde jaar publiceerde Özcan Akyol zijn eerste kinderboek, Wij vieren geen feest. In 2016 volgde zijn tweede roman, getiteld Turis.

In 2017 maakte Özcan Akyol voor de NTR de vijfdelige documentaireserie De neven van Eus, in 2019 gevolgd door de reeks Eus in Medialand. Sinds september 2017 is hij gastheer en interviewer in het radioprogramma Onze man in Deventer, dat hij in zijn eigen huis opneemt.

Recentelijk presenteerde Özcan Akyol de tv-serie Sterren op het doek en bezorgde hij een bloemlezing uit de gedichten van Lévi Weemoedt.

Nicolas Altstaedt, cello

De afgelopen seizoenen maakte de Duits-Franse cellist Nicolas Altstaedt solodebuten bij het Na­tional Symphony Orchestra in Washington, de orkesten van Seattle en Sydney, het London Philharmonic Orchestra, Philharmonia, het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks, de Staatskapelle Berlin en de Seoul Philharmonic en was hij in residence bij het NDR Elbphilharmonie Orchester, het SWR Symphonieorchester en het Barcelona Symphony Orchestra.

Afgelopen november debuteerde hij bij het Concertgebouworkest met een nieuw werk van Liza Lim, en eerder werd hij uitgenodigd door de Wiener en de Münchner Philharmoniker, het Orchestre National de France, alle BBC-orkesten en het NHK Symphony Orchestra, Tokyo.

Met de componist zelf op de bok gaf hij de Finse première van Esa-Pekka Salonens concert. Nicolas Altstaedt werkte recent ook met oudemuziekgezelschappen als Arcangelo en het Orchestre des Champs-Elysées.

Als heeft hij een nauwe band met het Scottish Chamber Orchestra, het Münchner Kammerorchester en het Orchestre Philharmonique de Radio France, en stond hij ook voor het Budapest Festival Orchestra, het Kyoto Symphony Orchestra en het Orkest van de Achttiende Eeuw. In 2012 volgde hij Gidon Kremer op als artistiek leider van het Kammermusikfestival Lockenhaus.

In seizoen 2017/2018 had Nicolas Altstaedt een Spotlightserie in de , en zijn laatste optreden daar was op 20 december j.l. met pianist Maxim Emelyanychev en violist Aylen Pritchin.

David Kadouch, piano

David Kadouch is afkomstig uit Nice en begon in die stad ook zijn muzikale opleiding, bij Odile Poisson. Op veertienjarige leeftijd werd hij toegelaten tot het conservatorium in Parijs bij Jacques Rouvier en hij vervolgde zijn studie in Madrid bij Dmitri Bashkirov. Onder zijn mentoren waren ook ­Maurizio Pollini, Murray Perahia, Daniel Barenboim en Maria João Pires.

De pianist was prijswinnaar tijdens het Internationale Beethoven Concours in Bonn (2005) en de Leeds International Piano Competition (2009). Bij de Classical Music Awards 2011 werd hij uitgeroepen tot ‘young artist of the year’.

Als solist werkte hij met het Tonhalle-Orchester Zürich onder David Zinman, het Orchestre Natio­nal de France onder Daniele Gatti, het BBC Symphony Orchestra onder Marc Minkowski, het Hallé Orchestra onder Robin Ticciati, het Israël Philharmonisch Orkest en Hong Kong Sinfonietta. Kamermuziek speelt David Kadouch met collega’s als het Quatuor Ebène, het Quatuor Modi­gliani, Antoine Tamestit, Renaud en Gautier Capuçon, Frans Helmerson, Sol Gabetta en Patricia Kopatchinskaja.

Met cellist Edgar Moreau legde de pianist werken van onder anderen Franck en Poulenc vast op cd en debuteerde hij in de tijdens de zomerprogrammering van 2018. De discografie van David Kadouch bevat ook Beethovens Vijfde pianoconcert, Sjostakovitsj24 Preludes en ’s en solowerken van Bach, Janáček, Schumann en Bartók.