Pierre-Laurent Aimard bij het Concertgebouworkest
Koninklijk Concertgebouworkest
Daniel Harding dirigent
Pierre-Laurent Aimard piano
Elena Zhidkova mezzosopraan
Gábor Bretz bas
Lees ook: Aimard: 'ontdekken is essentieel'
Antonín Dvorák (1841-1904)
Pianoconcert in g kl.t., op. 33 (oorspronkelijke versie 1876)
Allegro agitato
Andante sostenuto
Finale: Allegro con fuoco
cadens: Dvořák
pauze (± 20.55 uur)
Béla Bartók (1881-1945)
Hertog Blauwbaards burcht,
op. 11, Sz. 48 (1911, revisie 1917-18)
opera in één bedrijf op een libretto van Béla Balázs
einde (± 22.25 uur)
Toelichting
Antonín Dvořák 1841-1904
Dvorák: pianoconcert
Door Michiel Cleij
Anders dan zijn concerten voor viool en voor is Dvořáks Pianoconcert in g klein altijd in de marge blijven hangen. Dat is niet te wijten aan melodische armoede. De orkestrale introductie is meteen al zo’n typische Dvořák-inventie waarover Johannes Brahms later zou opmerken: ‘Die man heeft meer ideeën dan wij allemaal! Uit materiaal dat wij weggooien kan hij zijn hoofdthema’s halen.’
Zelf verklaarde Dvořák dat talent vanuit zijn Tsjechische volksaard. ‘Alle Slaven houden van muziek’, zei hij tegen een Engelse journalist. ‘Ook al werken ze de hele dag op het veld, ze zingen voortdurend.’
De bescheiden slagerszoon speelde als twintiger in een theaterorkestje en trad relatief laat met zijn composities naar buiten. Maar toen ging het snel. Voorspraak van de grote Brahms, een lucratief contract met een muziekuitgever en buitenlandse concerten plaveiden de weg voor bijna sprookjesachtig succes. Dvořák bewees zich in alle gangbare genres – iets wat je niet van alle componisten uit de kunt zeggen.
Opmerkelijk is ook dat persoonlijke tragedies, zoals de vroege dood van zijn eerste drie kinderen, geen hoorbare sporen nalieten. Dvořáks muziek ‘leeft’ doordat ze de spontaniteit van Tsjechische volksmuziek benadert, niet omdat er zoveel autobiografische elementen in zitten.
Het Pianoconcert in g klein componeerde hij in 1876, kort voor zijn internationale doorbraak. De première was een valse start: de zware solopartij leek geschreven te zijn ‘voor twee rechterhanden’, zoals een criticus het uitdrukte.
Dvořák besloot dat virtuoze soloconcerten hem niet lagen. Zo’n vijftien jaar na Dvořáks dood maakte de Tsjechische pianist Vilém Kurz een bewerking die wél aansloeg: hij liet de orkestpartij intact maar snoeide de pianopartij danig terug. Sindsdien plegen pianisten een persoonlijke mix van beide versies te maken; in de zijn ze onder elkaar afgedrukt.
Pierre-Laurent Aimard verkiest Dvořáks origineel, waarbij zijn vertrouwdheid met complexe twintigste-eeuwse muziek wonderwel van pas komt. De gespierde, gymnastische solopartij is lastig te realiseren, net als de klankbalans tussen piano en orkest.
Dvořák week af van het geijkte patroon waarin de solist met het orkest duelleert. Hij liet de partijen zoveel mogelijk met elkaar versmelten, waardoor zijn pianoconcert een symfonie-achtig stuk werd – dezelfde werkwijze die zijn mentor Brahms hanteerde in diens Eerste pianoconcert.
Je herkent Dvořáks handtekening in de melodische rijkdom en de Tsjechische dansritmiek van het slotdeel, en in de passage waarin in het langzame middendeel één instrument (in dit geval een ) zich profileert met een gedragen solomelodie.
Béla Bartók 1881-1945
Bartók: Hertog Blauwbaards burcht
Door Michiel Cleij
Hertog Blauwbaard waart al eeuwen rond. De Franse auteur Charles Perrault introduceerde hem in 1697, in een opvoedkundig bedoeld sprookje dat kinderen een diepe angst moest inboezemen voor vreemde mannen, baarden en onbekend terrein. Sindsdien maakte deze vrouwenslachter carrière in prentenboeken, toneelstukken en ’s, waarbij elke hervertelling nieuwe en legde.
Maar de vraag waaróm hij al die vrouwen meelokt naar dat lugubere kasteel werd pas actueel in de negentiende eeuw, toen psychologie haar intrede deed en kunstenaars een uitdrukking voor het ongrijpbare zochten.
Béla Bartók gebruikte voor zijn enige opera een toneeltekst van zijn land- en tijdgenoot Béla Balázs – een fraai staaltje symbolisme, waarin mensen onderworpen zijn aan duistere oerdriften. Zowel Blauwbaard als zijn nieuwe bruid Judith zijn daar evenzeer slachtoffer van.
In de toneelversie leidt een minstreelachtige figuur het verhaal in (zie de proloog in vertaling hiernaast): is dit theater of een blik in onze eigen ziel? Dan leidt Blauwbaard Judith zijn donkere burcht binnen. Ze weet dat dit een no go area is, maar haar nieuwsgierigheid wint.
Een merkwaardig machtsspel volgt. Judith wil licht binnenlaten: de ramen moeten open, net als de zeven deuren in de kasteelhal. Na enig protest overhandigt Blauwbaard haar toch de sleutels van de deuren. Achtereenvolgens onthult ze een martelkelder, een wapenkamer en een schatkamer. Achter de vierde deur prijkt een bloementuin, achter de vijfde strekken zich enorme landerijen uit. Alles druipt van het bloed.
Nu is Blauwbaard dankbaar dat Judith het licht binnenlaat, maar hij verbiedt haar de laatste twee deuren te openen. Ze doet het toch en onthult een oceaan van tranen, en, achter de zevende deur, haar drie voorgangers, niet dood maar doelloos rondwarend. Ze vertegenwoordigen de ochtend, de middag en de avond. Judith voegt zich bij hen en de cyclus is rond: nu heerst de nacht, ‘enkel duisternis, duisternis, duisternis’.
Goed en kwaad zijn in dit verhaal relatieve begrippen. Blauwbaard is dankbaar dat Judith zijn ziel verlicht, maar haar twijfel is sterker dan haar vertrouwen. Door de laatste, ‘verboden’ deur te openen verspeelt ze de kans op gedeeld geluk. Beiden blijven achter in duistere eenzaamheid.
Bartók is in dit vroege werk sterker beïnvloed door Claude Debussy en Richard Strauss dan door de traditionele Balkanmuziek die spoedig zijn grootste inspiratiebron zou worden. Toch klinken de harmoniseringen en ën vaak exotisch en ‘vreemd’. De zangpartijen zijn onopgesmukt, parlando-achtig, en staan volledig in dienst van de intieme, bedrukte ambiance – een sfeer die zou terugkeren in Bartóks orkestwerken, concerten en strijkkwartetten.
Later in zijn carrière zou Bartók merken dat vocale muziek niet zijn forte was, en ook nooit zou worden. Hij dacht in instrumentale en en s. Om die effectief vorm te geven had hij geen gezongen tekst nodig. Met Hertog Blauwbaards burcht zei Bartók in één keer alles wat hij in het -genre te melden had.
Proloog: Hertog Blauwbaards burcht
Ach, die ik verberg,
waar, waar zal ik haar verstoppen?
Was ze, of was ze juist niet: buiten of binnen?
Oude melodie, ach, wat betekent zij,
mannen en vrouwen?
Hoor nu het .
Jullie kijken, ik kijk naar jullie.
De gordijnen van onze ogen – de wimpers – gaan open:
waar is het podium: buiten of binnen,
mannen en vrouwen.
We kijken elkaar aan, kijk,
en zingen het lied.
Wie weet waar we het vandaan hebben?
Hoor het aan en verwonder je,
mannen en vrouwen.
De muziek klinkt, de vlam brandt,
de voorstelling kan beginnen.
De gordijnen van mijn ogen – de wimpers – gaan open.
Klap instemmend als ze dichtgaan,
mannen en vrouwen.
Oud is het kasteel, oud is de legende
die erover vertelt,
luister maar.
Naar de oorspronkelijke Duitse vertaling van Wilhelm Ziegler, vertaald door Mieke Bleeker
Biografie
Daniel Harding, dirigent
Nog maar achttien was Daniel Harding toen hij in 1994 zijn loopbaan begon als assistent van Simon Rattle bij het City of Birmingham Symphony Orchestra. Het seizoen erop assisteerde hij Claudio Abbado bij de Berliner Philharmoniker.
Momenteel is hij chef- van het Swedish Radio Symphony Orchestra (sinds 2007) en eredirigent van het Mahler Chamber Orchestra, waarmee hij al meer dan twintig jaar werkt. Komende herfst volgt hij Antonio Pappano op als chef-dirigent van het orkest en koor van de Accademia Nazionale di Santa Cecilia in Rome en gaat hij Youth Music Culture The Greater Bay Area leiden in China.
Van 2007 tot 2017 was Daniel Harding eerste gastdirigent van het London Symphony Orchestra en van 2016 tot 2019 artistiek leider van het Orchestre de Paris. Als gastdirigent wordt hij uitgenodigd door de Wiener en de Berliner Philharmoniker, de Staatskapelle Dresden, de Filarmonica della Scala en de grote Amerikaanse orkesten. Bij het Concertgebouworkest debuteerde hij in 2004.
producties leidde de in Milaan, Aix-en-Provence, Londen, Wenen, Salzburg en München. Daniel Harding werd geboren in Oxford, studeerde aan Chetham’s School of Music in Manchester en speelde op zijn dertiende in het National Youth Orchestra of Great Britain. De musicus is tevens gekwalificeerd lijnvluchtpiloot. Zijn vorige optreden in Het Concertgebouw was op 26 mei 2023 in Mahlers Zevende symfonie met het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks.
Pierre-Laurent Aimard, piano
Pierre-Laurent Aimard geldt als een autoriteit op het gebied van de hedendaagse muziek, en werpt ook graag nieuw licht op het oudere repertoire. Hij werd geboren in Lyon en studeerde in Parijs bij Yvonne Loriod en in Londen bij Maria Curcio. De Fransman bouwde nauwe banden op met componisten als György Kurtág, Karlheinz Stockhausen en Elliott Carter en werkte vijftien jaar lang met György Ligeti aan de opnames van diens complete oeuvre.
Voor zijn première-opname van Murails pianoconcert Le Désenchantement du monde met het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks kreeg hij een Gramophone Award. Naast zijn vele soloprojecten wordt Pierre-Laurent Aimard geëngageerd door de belangrijkste orkesten wereldwijd; zo debuteerde hij in 1987 bij het Concertgebouworkest en was hij er in het seizoen 2018/19 artist in residence. In 2024/2025 vierde de pianist de 150ste verjaardag van Maurice Ravel met onder meer The Philadelphia Orchestra en de Czech Philharmonic.
Ook markeerde hij het eeuwfeest van zijn leermeester en vriend Pierre Boulez – onder meer samen met het Ensemble intercontemporain en in een reeks solorecitals. Andere hoogtepunten waren wereldpremières van ‘…selig ist…’ van Mark Andre op de Donaueschinger Musiktage en van een nieuw werk voor piano vierhandig in Berlijn zij aan zij met componist George Benjamin. Pierre-Laurent Aimard geeft les aan conservatoria in Keulen en Parijs en werd in 2017 geëerd met de Ernst von Siemens Musikpreis.
In zijn vorige in Het Concertgebouw, op 30 januari 2022, klonk de cyclus Vingt regards sur l’Enfant-Jésus van Olivier Messiaen, met wie Pierre-Laurent Aimard al op zijn twaalfde kennismaakte en sindsdien veelvuldig aan diens muziek werkte.
Koninklijk Concertgebouworkest, orkest
Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouworkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande en en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.
Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concertgebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.
Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende en zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Haitink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.
Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, fondsen en donateurs wereldwijd.
Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest
Elena Zhidkova, mezzosopraan
Elena Zhidkova studeerde zang aan het conservatorium van haar geboortestad Sint-Petersburg. De Russische mezzosopraan maakte haar professionele debuut als Olga in Tsjaikovski’s Jevgeni Onjeginaan de Deutsche Oper Berlin, waarna ze door Claudio Abbado werd uitgenodigd voor drie optredens (waaronder zijn afscheidsconcert in de Berliner Philharmonie) en te gast was bij de Bayreuther Festspiele.
In 2004 debuteerde Zhidkova als Waltraute in Wagners Götterdämmerung in het Teatro Real in Madrid. Een ander hoogtepunt in haar carrière was haar debuut als Judith in Bartóks Hertog Blauwbaards burcht in het Milanese Teatro alla Scala in 2008, een rol die ze sindsdien ook vertolkte bij De Nationale Opera, tijdens het Saito Kinen Festival met Seiji Ozawa, met het Londen Symphony Orchestra onder leiding van Valery Gergiev en in het Mariinski Theater (waarvoor ze de ‘Gouden Masker’-prijs ontving).
Recentelijk vierde ze onder meer successen bij de Wiener Staatsoper: als de buitenlandse prinses in Dvořáks Rusalka, prinses Eboli in Don Carlo van Verdi en La Principessa di Bouillon in Cilea’s Adriana Lecouvreur. Elena Zhidkova debuteert bij het Koninklijk Concertgebouworkest.
Gábor Bretz, bariton
Gábor Bretz, geboren in Boedapest in 1974, startte zijn muziekopleiding in Los Angeles, maar voltooide zijn zangstudie in Hongarije aan het Béla Bartók Conservatorium en de Franz Liszt Muziekacademie. In 2005 won hij de Maria Callas Grand Prix.
Gábor Bretz staat regelmatig op het toneel van de Hongaarse Staatsopera in Boedapest; hij zong onder meer de rollen van Figaro in Mozarts Le nozze di Figaro, Don Basilio in Rossini’s Il barbiere di Siviglia, Orestes in Elektra van Richard Strauss en Gurnemanz in Wagners Parsifal.
Internationale successen waren de vertolkingen van Escamillo in Bizets Carmen bij de Bayerische Staatsoper, het Royal House Covent Garden en de Metropolitan Opera in New York, van Colline in Puccini’s La bohème bij de Royal Opera, en van Sjaklovity in Moesorgski’s Chovansjtsjina bij De Nationale Opera.
De Hongaarse zanger is tevens geregeld in de concertzaal te beluisteren in Bartóks Hertog Blauwbaards burcht, Bachs Johannes-Passion en Matthäus-Passion, Verdi’s Messa da requiem en Tippetts A Child of Our Time. Gábor Bretz maakt zijn debuut bij het Koninklijk Concertgebouworkest.
Örs Kisfaludy, spreker
Örs Kisfaludy werd in 1948 geboren in Boedapest, verbleef als vluchteling in België en Ethiopië en woont sinds 1961 in Zwitserland. Na zijn opleiding aan het conservatorium en aan de Ecole Romande d’art dramatique in Lausanne ving hij al snel een acteercarrière aan voor theater, radio en televisie.
Tussen 1968 en 1970 gaf hij les aan de theateracademie van Kinshasa (Congo). Nadien acteerde hij in theaters in Zwitserland, Frankrijk en België. Van 1985 tot 1990 presenteerde hij een radioprogramma over muziek voor Radio Suisse Romande.
In recente jaren is Örs Kisfaludy zich steeds meer gaan profileren als verteller in muziekproducties, wat hem naar muziekpodia in heel Europa en de Verenigde Staten bracht.
Hij werkte met en als Hartmut Haenchen, Daniel Harding en Pierre Boulez in bijvoorbeeld Honeggers Jeanne d’Arc au bûcher, Le Martyre de saint Sébastien van Debussy, Stravinsky’s Oedipus Rex, Prokofjevs Peter en de wolf en Bartóks Blauwbaards burcht, dat hij meerdere malen op cd opnam. Örs Kisfaludy debuteert bij het Koninklijk Concertgebouworkest.





