Pianiste Yuja Wang En Santa Cecilia: Tsjaikovski
Wereldberoemde Symfonieorkesten 20.15 uur
Orchestra dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia, Roma
Antonio Pappano dirigent
Yuja Wang piano
Gioacchino Rossini 1792-1868
Ouverture
uit ‘Le siège de Corinthe’ (1826)
Pjotr Iljitsj Tsjaikovski 1840-1893
Eerste pianoconcert in bes kl.t., op. 23 (1874-75)
Allegro non troppo e molto maestoso – Allegro con spirito
Andantino semplice – Prestissimo – Tempo primo
Finale: Allegro con fuoco
pauze
Ottorino Respighi 1879-1936
Fontane di Roma (1914-16)
La fontana di Valle Giulia all’alba
La fontana del Tritone al mattino
La fontana di Trevi al meriggio
La fontana di Villa Medici al tramonto
Pini di Roma (1923-24)
I pini di Villa Borghese
I pini presso una catacomba
I pini del Gianicolo
I pini della Via Appia
begin van de pauze ca. 21.15 uur
einde van het concert ca. 22.15 uur
Toelichting
Gioacchino Rossini 1792-1868
Ouverture ‘Le Siège de Corinthe’
tekst: Michiel Cleij
Op zijn drieëndertigste verlegde Gioacchino Rossini zijn werkterrein naar Parijs, waar hij directeur van het Théâtre Italien werd. Hij had mfen geboekt in alle Italiaanse huizen en feilloos de vertaalslag gemaakt van komische naar (min of meer) serieuze opera, maar het Franse muziektheater, met meer dans en spektakel, was een nieuwe uitdaging.
Voor Le siège de Corinthe, zijn eerste succes aldaar, greep hij terug op zijn opera Maometto II die zes jaar eerder in Napels geflopt was. Het historische verhaal werd geactualiseerd maar ging nog steeds over de dreiging van het oprukkende Turkse rijk; exotische onderwerpen deden het in Parijs altijd uitstekend.
De Ouverture zou een interessante auteursrechtelijke puzzel hebben opgeleverd. Hierin hergebruikte Rossini fragmenten uit eerdere ’s, maar ook muziek van anderen: de ‘Griekse treurmars’ die op de energieke beginmaten volgt ‘leende’ hij van de Beierse operacomponist Simon Mayr, die het op zijn beurt plagieerde van operacomponist Benedetto Marcello. De opzwepende uitwerking ervan is echter vintage Rossini.
Het enthousiasme van het Parijse publiek over deze opera werd niet gedeeld door Rossini’s collega en opponent Hector Berlioz, die in zijn memoires schreef:
‘Het melodisch cynisme, de minachting voor dramatische expressie, de constante herhaling van één type , het eeuwige kinderachtige en de lompe Turkse trom van Rossini ergerden me zó [...] dat ik me herhaaldelijk afvroeg hoe ik een bom onder het Théâtre Italien kon leggen en de hele Rossini-populatie kon opblazen.’
Pjotr Iljitsj Tsjaikovski 1840-1893
Eerste pianoconcert
Door Michiel Cleij
Pjotr Iljitsj Tsjaikovski had er vermoedelijk weinig bezwaar tegen gehad om tussen twee Italianen te worden gesandwicht: als componist van het beroemde Italien toonde hij dat zijn muzikale horizon zich tot ver buiten Rusland uitstrekte.
Maar het beginthema van zijn Eerste pianoconcert in bes klein is door en door Slavisch – en in lijn met de nationalistische trend die zich op dat moment in de Russische muziek aftekende. Een groepje jonge componisten bepleitte een componeerstijl gebaseerd op inheemse muziektradities, zonder westerse invloeden.
Tsjaikovski sympathiseerde tot op zekere hoogte met hen, maar vond dat Russische muziek zonder identiteitsverlies veel van Europese scholen kon leren.
En inderdaad: de invloed van onder anderen Robert Schumann, Franz Liszt en Georges Bizet is aanwijsbaar, maar in zijn voering en temperament bleef Tsjaikovski door en door Russisch; daartoe hoefde hij zich niet in een opzichtig folkloristisch gewaad te hullen.
Zoals zijn latere bewonderaar Igor Stravinsky zei: ‘Hij cultiveerde niet de eeuwige “ziel van de Russische boer”, maar hij putte onbewust uit de authentieke culturele bronnen van ons volk.’
Het Eerste pianoconcert is op het eerste gehoor een typisch negentiende-eeuws virtuozenstuk waarin pianistieke bravoure meer doel dan middel is, maar ook hier vond Tsjaikovski een compromis tussen Europese en Russische elementen.
Dat klinkt vanzelfsprekender dan het is: tische ontwikkeling en , zo kenmerkend voor westerse muziek, zijn aan Russische volksmuziek wezensvreemd. Toch transformeert Tsjaikovski hier twee volksdeuntjes uit Oekraïne, één van zijn favoriete toevluchtsoorden.
Dat beroemde beginthema is een authentieke Tsjaikovski-vondst; vreemd genoeg keert het na twee herhalingen nergens in het hele werk meer terug. Het frisse - dat volgt is gebaseerd op het Oekraïense je Oy, kryatshe, kryatshe dat vervolgens vermengd wordt met een kalmer melodisch gegeven, weer van Tsjaikovski’s hand.
Evenzo is in de Finale, een traditioneel lied van het Oekraïense lentefeest, het uitgangspunt voor een rijk melodisch weefsel waarin Tsjaikovski’s originaliteit het geciteerde deuntje op alle fronten voorbijstreeft. In het middendeel toont de componist dat hij geen nationalistische hardliner was: hier komt het Franse liedje Il faut s’amuser, danser et rire voorbij.
Tsjaikovski’s toch al geringe zelfvertrouwen liep met dit concert een gevoelige deuk op toen zijn mentor Anton Rubinstein, voor wie hij het gecomponeerd had, er de vloer mee aanveegde.
Bijval kreeg hij evenwel van de Duitse pianist en Hans von Bülow, die het werk op zijn repertoire zette en een belangrijke promotor van Tsjaikovski’s muziek in het buitenland werd. Later keerde Rubinstein berouwvol op zijn harde afwijzing terug – maar toen had Tsjaikovski het concert al dankbaar aan Bülow opgedragen.
Ottorino Respighi 1879-1936
Fontane di Roma en Pini di Roma
Een componist heeft vaak heel wat buitenlandse impulsen nodig om een ‘nationale kunstenaar’ te worden. Zonder Johannes Brahms en Richard Strauss was Béla Bartók geen overtuigende muzikale apostel van de Balkan geworden, Isaac Albéniz en Manuel de Falla baadden in Franse stromen eer ze zich ‘typisch Spaans’ konden uiten.
Ottorino Respighi werd pas een markante exponent van de Italiaanse muziek nadat hij zijn horizon had verbreed in Rusland en Duitsland.
Met orkestratielessen van Nikolaj Rimski-Korsakov in zijn bagage en symfonische gedichten van Richard Strauss in zijn geheugen wist Respighi het verslaafde Italië ook voor instrumentale muziek te interesseren – waarbij hij, zelf violist zijnde, vaak teruggreep op de rijke viooltraditie van de Italiaanse .
Hoewel hij ook eren en opera’s componeerde, werd Respighi onsterfelijk door zijn symfonische ‘schilderingen’, in het bijzonder de drie impressies van Rome. Fontane di Roma, het eerste ‘paneel’ van dat drieluik, is een prachtig, conflictloos stuk waarin Respighi vier specifieke fonteinen weergeeft, elk op het meest flatterende tijdstip van de dag.
Nog steeds is het mogelijk om de vroege bedrijvigheid rond de Triton-fontein te ervaren, evenals de middaghectiek rond de Trevi-fontein en de melancholie van de Villa Medici wanneer de avond valt.
Maar in de Valle Giulia zul je nooit meer de serene zonsopkomst meemaken die Respighi voor het openingsdeel reserveerde; nieuwbouw en een ringweg eisten hun tol, en versterken het effect van Fontane di Roma als een nostalgisch documentje van een voorbije tijd.
Het is sowieso opvallend hoe Rome in Respighi’s Romeinse drieluik, ontstaan tijdens het interbellum, geleidelijk haar onschuld verliest. De Fontane hangen nog naar negentiende-eeuwse mooimakerij: ze klinken als verlengstukken van de natuur.
"de finale roept een visioen op van een Romeins leger, vanuit historische nevelen het heden in marcherend"
De taferelen in Pini di Roma, acht jaar later gecomponeerd, staan al in een harder licht. De civilisatie rukt op, moderne verstedelijking klinkt door in het openingsdeel dat de Villa Borghese weergeeft als een lawaaiig stadspark.
En in Respighi’s derde tableau over Rome (Feste Romane uit 1936, hier niet uitgevoerd) wordt zelfs bloedig gevochten – weliswaar door gladiatoren van weleer, maar toch zo dat je eerder aan fascistisch geweld denkt dan aan de klaterende fonteinen uit de goeie ouwe tijd.
Ook Pini di Roma heeft iets militants: bij vlagen lijken de kinderen in het eerste deel soldaatje te spelen, en de finale roept een visioen op van een Romeins leger, vanuit historische nevelen het heden in marcherend.
Een klassieke, nostalgische wereld suggereren: Respighi doet het met een schaamteloosheid die een kunstenaar nu eenmaal moet hebben. En even ongegeneerd verstoort hij de droom weer zodra die is opgeroepen.
Juist wanneer de herrezen doden (in het tweede deel van Pini di Roma) naar hun catacomben zijn teruggekeerd en de avond over de Gianicolo-heuvel valt (deel drie) slaat het realisme toe. Een bandopname (!) van een nachtegaal voegt zich bij het orkest dat met violen en een vredige avond wil weergeven en ineens hopeloos ouderwets lijkt: de hoogtijdagen van orkestmusici die koekoeken, onweer en regen imiteren zijn voorbij.
In de specificeerde Respighi zelfs de grammofoonplaat-met-nachtegaalgeluid die een ornitholoog hem ter beschikking had gesteld. In hedendaagse uitvoeringen zou je een opname van een startend oud Vespaatje kunnen gebruiken, met hetzelfde poëtische effect.
Biografie
Yuja Wang, piano
Yuja Wang studeerde aan het conservatorium in haar geboortestad Peking en in Canada en voltooide haar opleiding bij Gary Graffman aan het Curtis Institute of Music in Philadelphia. Haar definitieve doorbraak volgde toen ze in 2007 met Tsjaikovski’s Eerste pianoconcert inviel voor Martha Argerich bij het Boston Symphony Orchestra.
Sindsdien wordt de pianiste uitgenodigd door grote orkesten als die van Philadelphia, Washington en New York, de Sächsische Staatskapelle Dresden, het Orchestra dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia, het City of Birmingham Symphony Orchestra en de Wiener, de Münchner en de Berliner Philharmoniker.
In 2017 riep muziekblad Musical America Yuja Wang uit tot Artist of the Year, in 2021 kreeg ze een Echo Klassik voor haar première-opname van Must the Devil Have all the Good Tunes? van John Adams met de Los Angeles Philharmonic, en in 2024 won ze haar eerste Grammy Award. In San Francisco verzorgde ze in 2022 de wereldpremière van het Derde pianoconcert van Magnus Lindberg, met vervolguitvoeringen in Noord-Amerika en Europa.
Bij het Concertgebouworkest debuteerde Yuja Wang in 2010 met Prokofjevs Derde pianoconcert en ze keerde meermaals terug, de laatste keer afgelopen december met Prokofjevs Tweede pianoconcert onder leiding van Thomas Adès. Kamermuziek speelt de pianiste met onder anderen cellist Gautier Capuçon, klarinettist Andreas Ottensamer en violist Leonidas Kavakos, en solorecitals geeft ze wereldwijd – in de voor het laatst in mei 2022.
Antonio Pappano, piano
Antonio Pappano is artistiek leider van het Royal House Covent Garden sinds 2002 en chef- van het London Symphony Orchestra sinds 2024. Bij het orkest van het Orchestra dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia in Rome nam hij in 2023 na achttien jaar afscheid als muzikaal leider.
Antonio Pappano is een veelgevraagd gastdirigent bij ’s werelds beste orkesten, creëert als dirigent én als pianist een gestage stroom cd- en dvd-opnamen, en werkt mee aan programma’s voor de BBC, waarbij zijn introducties tot Italiaanse opera en Wagners Der Ring des Nibelungen een speciale vermelding verdienen.
Antonio Pappano werd in 1959 in Londen geboren als kind van Italiaanse ouders. Toen hij dertien was, verhuisde het gezin naar de Verenigde Staten, waar hij piano, compositie en directie studeerde. Door zijn werk als repetitor en assistent- bij diverse huizen ontwikkelde hij zich al gauw tot een begenadigd operadirigent. Antonio Pappano leidde producties van onder andere de New York City Opera, de Lyric Opera of Chicago en de Bayreuther Festspiele.
Zijn eerste vaste aanstelling als operadirigent was aan de Opera in Oslo, gevolgd door De Munt in Brussel. In 2004 debuteerde Antonio Pappano bij het Concertgebouworkest en hij keerde daarna regelmatig terug. Een van de memorabele samenwerkingen was het Prinsengrachtconcert in 2013. In mei 2019 leidde hij het orkest in Berlioz’ Grande messe des morts. Bij de meest recente samenwerking, in januari 2025, dirigeerde hij Berlioz’ Symphonie fantastique en Jake Heggies Camille Claudel: Into the Fire met mezzosopraan Joyce DiDonato.
'Het kookt daar!' Lees hier het interview met Antonio Pappano.
Orchestra dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia, orkest
Het Orchestra dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia bestaat sinds 1908 en speelde in de twintigste eeuw onder leiding van een reeks muzikale grootheden, onder wie Mahler, Debussy, Stravinsky, Furtwängler, Karajan en Bernstein.
Sinds 2005 is Antonio Pappano chef- van het orkest. Hij trad hiermee in de voetsporen van onder anderen Igor Markevitsj, Giuseppe Sinopoli, Daniele Gatti (chef-dirigent tot 1997) en zijn directe voorganger Myung-Whun Chung. Naast de concerten die het orkest geeft in diverse Italiaanse steden reisde het naar onder meer Groot-Brittannië, Duitsland, Frankrijk, Oostenrijk, Rusland en Japan.
Het orkest bracht in de loop der jaren talloze platen en cd’s uit, waaronder recentelijk opnames van Brahms’ Vioolconcert met Janine Jansen en van pianoconcerten van Tsjaikovski en Prokofjev met Beatrice Rana. Voor een opname van Verdi’s Aida, met onder anderen Jonas Kaufmann, kreeg het orkest onder meer een ECHO Klassik Preis en een Diapason d’Or.
Het Orchestra dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia maakte zijn debuut in Het Concertgebouw in maart 2009 en keerde er sindsdien terug in oktober 2011 en in maart 2015.


