Mariss Jansons en Symphonieorchester Des Bayerischen Rundfunks

Wereldberoemde Symfonieorkesten 20.15 uur

Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks
Mariss Jansons dirigent
Waltraud Meier mezzosopraan

Vladimír Sommer 1921-1997

Antigone (1957)
ouverture bij de tragedie van Sophocles

Gustav Mahler 1860-1911

Kindertotenlieder (1901-04)
Nun will die Sonn’ so hell aufgeh’n
Nun seh’ ich wohl, warum so dunkle Flammen
Wenn dein Mütterlein
Oft denk’ ich, sie sind nur ausgegangen
In diesem Wetter, in diesem Braus

pauze

Serge Rachmaninoff 1873-1943

Symfonische dansen, op. 45 (1940)
Non allegro
Andante con moto (Tempo di valse)
Lento assai – Allegro vivace

begin van de pauze ca. 20.55 uur
einde van het concert ca. 21.50 uur

teksten gratis verkrijgbaar aan de zaal

Toelichting

Vladimír Sommer 1921-1997

Antigone

Tekst: Lonneke Tausch

Het afstudeerstuk van Vladimír Sommer aan de Muziekacademie in Praag in 1950 was een vioolconcert. Het was de start van een oeuvre dat – naar het schijnt vanwege zijn drang naar perfectie, ook wel beschreven als zelfcensuur – niet groot zou worden en in 1965 zou worden beloond met een Staatsprijs.

Na zijn studententijd werkte Sommer als redacteur bij de Tsjechische omroep, als secretaris bij de Tsjechische Componistenunie en als compositieleraar aan het Praagse conservatorium. Vanaf 1960 was hij verbonden aan de Karelsuniversiteit, waar hij in 1968 professor werd.

Na zijn vioolconcert zijn er nog drie symfonieën, een concert, een orkestsuite, wat kamer- en filmmuziek en een aantal koorwerken verschenen. Al is Sommers werk hier en nu vrij onbekend en zijn er nauwelijks opnamen van te vinden, toch wordt het wel gecategoriseerd als de belangrijkste Tsjechische muziek van na de bevrijding.

In een enkel geval is zijn muziek politiek (communistisch) gekleurd, zoals bijvoorbeeld de  over Gottwald. Bij het ontwikkelen van zijn eigen stijl zag Sommer Sergej Prokofjev, Dmitri Sjostakovitsj, Igor Stravinsky en ­Arthur Honegger als zijn voorbeelden.

Sommers muziek is doorgaans us en , maar rekt de grenzen van de functio­nele wel op. Zijn structuren zijn vaak compact en hebben een stevige expressieve lading. Antigone, een ouverture bij de gelijknamige tragedie van Sophocles, dateert uit 1957 en is georkestreerd voor een grote bezetting.

Het lijden dat de mensheid overkomt liet hij doorklinken in Antigone, en meer nog in zijn Vokálni symfonie (‘Vocale symfonie’; 1958) voor mezzosopraan, spreker, koor en orkest op teksten van Franz Kafka, Fjodor Dostojevski en Cesare Pavese, zijn bekendste en meest emotionele compositie.

Gustav Mahler (1860-1911)

Kindertotenlieder

Door Sabien van Dale

Friedrich Rückert (1788-1866) verwerkte de dood van zijn twee kinderen in meer dan vierhonderd gedichten. Daaruit selecteerde Gustav Mahler er vijf. Hij schreef de eerste drie eren in de zomer van 1901, te Maiernigg. De twee volgende ontstonden tijdens de zomervakantie van 1904. In de periode daartussen trouwde Mahler met Alma Maria Schindler. Op 30 november 1902 schonk zij hem een dochtertje, Maria (‘Putzi’). Mahlers Kindertotenlieder zijn vaak beschouwd als een vooraankondiging van de dood van ‘Putzi’, op 5 juli 1907. Dit komt voornamelijk door Alma’s aanwijzing in haar Erinnerungen und Briefe (1946), waarin zij haar echtgenoot verwijt dat hij door de keuze van de Rückert-gedichten het noodlot tartte. Realistischer is dat Mahler zich uit pure expressieve drang en met een enorm inlevingsvermogen heeft verplaatst in de situatie van een man die het verlies van zijn kinderen moet dragen. Daarvoor is hij onder meer sterk in zijn jeugdherinneringen teruggegaan, met name naar de dood van zijn broer.

  • Gustav Mahler

In Nun will die Sonn’ so hell aufgeh’n onderstreept de stem in het middenregister ingetogen het verpletterende verdriet van de vader. Onrust, onzekerheid en pijnlijke waan kenmerken het tweede , Nun seh’ ich wohl. Het ontroerende Wenn dein Mütterlein stelt de zo menselijke fase van ontkenning centraal. De kinderlijke eenvoud van de vertoont raakpunten met een Moravisch volksliedje. In Oft denk’ ich, sie sind nur ausgegangen verbeeldt de vader zich dat zijn kinderen er slechts op uit getrokken zijn om een lange bergwandeling te maken en nog geen zin hebben om huiswaarts te keren. De slotmaten baden in een allesomvattend, liefdevol licht. Wanhoop en woede voeren de boventoon in het laatste lied. Het beeld van een vernietigend onweer symboliseert het innerlijke proces van de treurende ouder. Met de tederheid van een wiegenlied neemt de hemelse troost ten slotte de overhand.

Serge Rachmaninoff 1873-1943

Symfonische dansen

Tekst: Aad van der Ven

Oneindig meanderende ën, die bij elke wending de indruk wekken dat ze zichzelf opnieuw uitvinden. Terwijl de muziek om hem heen radicaal veranderde bleef Serge Rachmaninoff de romanticus die hij van meet af aan was. Wat echter niet wil zeggen dat binnen zijn stijl alles hetzelfde bleef. Want zijn laatste orkestwerk, de Symfonische dansen, klinkt duidelijk anders dan zijn Eerste symfonie uit 1895.

Zijn drieluik uit 1940 bezit bij alle ‘ouderwetse’ pracht een zeker voor deze componist ongebruikelijke mate van lef en assertiviteit. Er wordt dan wel gedanst, maar zelden op een diverterende, luchtige manier. Het stampende van het eerste deel, waarboven een vaak terugkerend van drie noten hardnekkig de kop opsteekt, draagt bij aan het ferme karakter van de muziek als geheel.

Dit ondanks een rustige, centrale episode, ingezet door – een uitzondering bij Rachmaninoff – een saxofoon. Op het eerste deel volgt een door een ritme gedomineerd con moto, dat al snel zijn behaaglijkheid verliest en zich op donkere paden begeeft. Het slotdeel begint met de bedrieglijke rust van een lento, gevolgd door een dat af en toe het karakter van een danse macabre heeft.

We horen hier het bij deze componist vaker voorkomende - dat tegenover een citaat uit de Russisch-orthodoxe kerkmuziek komt te staan. ‘Halleluja’ noteerde Rachmaninoff in de op het moment dat het Dies Irae-motief definitief verdwijnt. Of hij heeft beseft dat de Symfonische dansen zijn laatste grote compositie zouden zijn is onduidelijk.

Het werk is in elk geval een afscheid van een Rusland dat al lang niet meer bestond en waarvan hij zich als emigrant in de Verenigde Staten letterlijk en figuurlijk ver verwijderd voelde.

Biografie

Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks, orkest

Het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks werd in 1949 in München opgericht door Eugen Jochem, die het orkest leidde tot 1960 en gastdirigent bleef tot zijn dood in 1987. Volgende chef-en waren Rafael Kubelík, Colin Davis, Lorin Maazel en Mariss Jansons (2003-2019), en met ingang van 2023/2024 wordt Simon Rattle de nieuwe chef-dirigent.

Het orkest ziet het spelen van nieuwe muziek als kerntaak, en onder anderen Stravinsky, Milhaud, Hindemith, Maderna, Boulez, Stockhausen, Kagel, Berio en Eötvös dirigeerden er hun nieuwe partituren. In oude muziek werken de musici met specialisten als Ton Koopman, Thomas Hengelbrock en Giovanni Antonini.

Geregeld terugkerende gastdirigenten zijn Riccardo Muti, Esa-Pekka SalonenFranz Welser-Möst, Herbert Blomstedt en Daniel Harding. Altvioliste Tabea Zimmermann en pianist Kirill Gerstein zijn dit seizoen artists in residence. 

Het orkest heeft sinds 2001 een eigen orkestacademie, was van 2004 tot 2019 een vaste waarde in het Lucerne Oster-Festival en brengt sinds 2009 cd’s uit op het eigen label BR Klassik. In 2016 kreeg de live-opname van Mahlers Zesde symfonie onder Daniel Harding een Diapason d’Or en in 2018 kreeg de Derde onder Bernard Haitink twee BBC Music Awards. De vorige uitvoeringen van het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks in Het Concertgebouw, beide keren onder leiding van Mariss Jansons, waren in februari 2017 (Sommer, Mahler en Rachmaninoff) en maart 2019 (Dvořák en Saint-Saëns).

Waltraud Meier, mezzosopraan

Waltraud Meier groeide op in een muzikale familie en volgde vanaf jonge leeftijd zanglessen. In 1976 maakte ze haar professionele debuut bij de in haar geboorteplaats Würzburg, als Lola in Mascagni’s Cavalleria rusticana.

Tijdens de Bayreuther Festspiele in 1983 brak ze internationaal door, met de rol van Kundry in Parsifal van Wagner. Waltraud Meier ontwikkelde zich tot een toonaangevend vertolker van het werk van deze componist. Voor het zingen van rollen als Isolde, Sieglinde en Ortrud was ze te gast in vele grote theaters, waaronder de Royal Opera Covent Garden in Londen, de Metropolitan Opera in New York, de Staatsoper Unter den Linden in Berlijn, de Scala in Milaan en de Bayerische Staatsoper in München.

Naast het Duitse repertoire is Waltraud Meier ook goed thuis in het Italiaanse en Franse werk. De zangeres koestert nauwe banden met en als ­Riccardo Muti, Valery Gergiev, James Levine en Daniel Barenboim. Ze heeft een uitgebreide discografie en er staan belangrijke onderscheidingen op haar naam.

In Het Concertgebouw was Waltraud Meier voor het laatst te gast op 21 februari 2004, toen ze met pianist Nicholas Carthy een recital gaf in de ­.