Made in Paris - Braunstein, Gerstein, Grosz en Plesser

Guy Braunstein viool
Amihai Grosz altviool
Zvi Plesser cello
Kirill Gerstein piano 

pauze ca. 21.20 uur
einde ca. 22.15 uur 

Dit concert maakt deel uit van de serie Kleine Zaal Melange.

 

'Made in Paris'

Ernest Chausson 1855-1899

Pianokwartet in A gr.t., op. 30 (1897)
Animé
Très calme
Simple et sans hâte
Animé

Claude Debussy 1862-1918

Petite suite (1886-89)
oorspronkelijk voor piano vierhandig; ­bewerking voor pianotrio
En bateau
Cortège
Menuet
Ballet 

George Enescu 1881-1955

Pièce de concert (1904-06)
voor altviool en piano 

pauze 

Gabriel Fauré 1845-1924

Eerste pianokwartet in c kl.t., op. 15 ­(1876-79/1883)
Allegro molto moderato
Scherzo: Allegro vivo
Adagio
Finale: Allegro molto

Toelichting

Made in Paris

Chausson: Pianokwartet

tekst: Anneloes Brand

Ernest Chausson was een multitalent: afgestudeerd als jurist, een begenadigd schilder en een zeer bekwaam componist – gerespecteerd door collega’s als César Franck (van wie hij compositieles kreeg aan het Parijse conservatorium) en Claude Debussy. Desondanks was hij een melancholiek en introvert man, en altijd onzeker over de kwaliteit van zijn muziek. Niet zo verwonderlijk: Chausson werd door de critici over het algemeen niet serieus genomen en vierde relatief laat zijn eerste publiekssucces met de ­première van zijn Concert voor viool, piano en strijkkwartet in D groot in 1892.

De mf van zijn Symfonie in Bes groot (tijdens een concert door de Berliner Philharmoniker onder leiding van Arthur Nikisch) in Parijs in 1897 was een andere opsteker en leek hem vleugels te geven: in nog geen twee maanden tijd componeerde Chausson – normaal een secure, langzame werker – datzelfde jaar zijn Pianokwartet in A groot. Op 2 april 1898 ging het werk in première, met Auguste Pierret, aan wie Chausson zijn compositie opdroeg, aan de piano. Het was de meest succesvolle première van Chaussons muziek tijdens zijn leven, waarbij vooral het tweede en derde deel bijval kregen.

Dat het Pianokwartet niet bij meer luisteraars bekend is geraakt is verbazingwekkend, want het is het sluitstuk van Chaussons kamermuziekoeuvre, vol levendige inspiratie en vakkundig in de cyclische vorm (waarin eenheid wordt gecreëerd door tisch materiaal in verschillende delen te hergebruiken) gegoten, die hij van Franck had geleerd. Als Chausson veertien maanden later geen dodelijk fietsongeluk had gehad, waren er zeker nog meer krachtige, kleurrijke werken gevolgd en had de componist langer van zijn net ontloken roem kunnen genieten.

Debussy: Petite suite

Claude Debussy schreef zijn Petite voor piano vierhandig en bracht de nieuwe compositie zelf, samen met pianist/uitgever Jacques Durand, op 2 februari 1889 in première. Gezien de traditionele toon en betrekkelijke eenvoud van de muziek kon het charmante werk weleens oorspronkelijk voor amateurmuzikanten bedoeld zijn, misschien zelfs op aanraden van Durand (die het werk datzelfde jaar ook publiceerde).

Zoals op meer van zijn werken uit die jaren had Debussy’s fascinatie voor de dichter Paul Verlaine (1844-1896) ook haar uitwerking op de Petite . De eerste twee delen zijn gebaseerd op gedichten uit Verlaines bundel over landelijke verpozingen van de achttiende-eeuwse aristocratie, Fêtes galantes. In En bateau (Op een boot) maken de verschijning van de maan en het gedobber op een meer de zeilers aan het dromen. De gebroken en die de e begeleiden suggereren natuurlijk de golfjes en kolkjes in het water. Cortège (Optocht) beschrijft een speels tafereel van een vrouw die met haar verklede aap en de trap op gaat. Het derde en vierde deel,  en Ballet, verklanken meer in het algemeen de nostalgie en de lichtzinnigheid waartussen Verlaines Fêtes galantes balanceren.

Petite suite werd diverse malen bewerkt voor andere bezettingen; de orkestversie, gemaakt door Debussy’s iets jongere collega Henri Büsser in 1907, is tamelijk bekend. Vandaag klinkt het werk in de versie voor .

Enescu: Pièce de concert

George Enescu’s Pièce de concert lijkt een vreemde eend in de bijt op dit programma met muziek uit de Parijse salons van rond 1900 – waar kunstenaars, musici, schrijvers en filosofen samenkwamen en elkaar beïnvloedden – maar niets is minder waar. Na zijn studie aan het conservatorium in Wenen (waar hij zijn idool Johannes Brahms ontmoette) vertrok de jonge Roemeen naar Parijs en studeerde daar tussen 1895 en 1899 bij Jules Massenet en Gabriel Fauré.

Enescu werd een van de belangrijkste figuren in de Roemeense muziekgeschiedenis, maar Parijs bleef zijn tweede thuis. Zijn mix van invloeden – ‘Een Roemeen van geboorte, met een Duitse opleiding als basis, en woonachtig in Parijs waarvan ik met heel mijn hart houd, ben ik in feite internationaal’, zei hijzelf – verklaart hoe hij in 1906 zo’n laat-romantisch werk als Pièce de concert voor en piano kon schrijven. Enescu componeerde het werk op uitnodiging van Fauré voor een concours van het Conservatoire de Paris, waarvan hij ook jurylid was, en droeg het op aan Théophile Laforge, altviooldocent aan het conservatorium en eerste altviolist van de Parijse Opéra.

Zelf een uitstekend violist én pianist, wist Enescu wel raad met de opdracht. Het werk is technisch veeleisend en maakt gebruik van het hele spectrum van de , maar tegelijkertijd test het ook de muzikaliteit van de uitvoerenden. Deze samenballing van virtuositeit en zeggingskracht zorgde ervoor dat Enescu’s Pièce de concert zijn concoursbestaan ontsteeg en in het reguliere altvioolrepertoire werd opgenomen.

Fauré: Pianokwartet

Terugblikkend op zijn leven merkte Gabriel Fauré in 1922 op: ‘Vóór 1870 zou ik er niet over hebben gedacht een of een kwartet te componeren. In die tijd kon een jonge musicus wel naar een uitvoering ervan fluiten. Pas nadat Camille Saint-Saëns in 1871 de Société Nationale de Musique had opgericht, waarvan het hoofddoel was werken van jonge componisten ten uitvoer te brengen, ging ik aan het werk.’ De stichting van deze concertorganisatie was inderdaad een enorme stimulans voor Franse componisten en hielp enerzijds het belang van instrumentale muziek te vergroten ten opzichte van dat van en anderzijds een tegenwicht te bieden aan de overheersing van Duitse muziek.

Ondertussen was Fauré door zijn mentor Saint-Saëns geïntroduceerd bij een vooraanstaande Europese familie van musici, de Viardots. De organist-componist raakte bevriend met de familie en werd verliefd op een van de dochters, Marianne. In juli 1877 werd hun verloving aangekondigd, maar nog geen vier maanden later weer ongedaan gemaakt. Fauré was zeer aangedaan door de hele affaire, maar zei enkele jaren later: ‘Misschien was het uiteindelijk zo slecht niet. De familie Viardot had me mogelijk van mijn juiste pad afgeleid.’

Fauré’s pad leidde niet naar de , maar naar de intieme genres van het en de kamermuziek. De totstandkoming van het Eerste pianokwartet in c klein viel in deze emotioneel roerige tijd. Bij de première op 14 februari 1880 in Parijs was de componist niet tevreden over de Finale. Hij bewerkte het laatste deel in 1883 en droeg zijn werk op aan de Belgische violist Hubert Léonard, een vriend van hem en voorvechter van zijn Eerste vioolsonate. Het bezielde, klankrijke Eerste pianokwartet werd een van Fauré’s populairste kamermuziekwerken.

Biografie

Kirill Gerstein, piano

Kirill Gerstein is afkomstig uit ­Voronezh (Zuidwest-Rusland), en na een ontmoeting met jazz­legende Gary Burton in Sint-Petersburg werd hij op zijn veertiende toegelaten op Berklee College in Boston. Hij focuste alsnog op klassiek en studeerde af aan de Manhattan School in New York. Vervolgens nam hij les bij Dmitri Bashkirov in Madrid en Ferenc Rados in Boedapest.

In 2001 won hij de Arthur Rubinstein Piano Competition in Tel Aviv; in 2010 kreeg hij de Gilmore Artist Award en de Avery Fisher Career Grant, in 2019 een Echo Klassik voor zijn opname van Tsjaikov­ski’s Eerste pianoconcert in de oorspronkelijke versie en in 2020 een Gramophone Award voor de wereldpremière van Adès’ Concerto for Piano and Orchestra met de Boston Symphony onder leiding van de componist.

Kirill Gerstein had de afgelopen jaren residencies bij het Symphonie­orchester des Bayerischen Rundfunks, het Festival d’Aix-en-Provence en het Klavier-Festival Ruhr (inclusief een samenwerking met Brad Mehldau). Ook was hij spotlight-artiest van het London Symphony Orchestra en curator van de serie Busoni and his World in Wigmore Hall in Londen. Met een album met de Berliner Philharmoniker en Kirill Petrenko vierde de pianist Rachmaninoffs 150ste verjaardag.

Kirill Gerstein maakte zijn debuut in de in april 2023, en in de in de Rising Stars-serie van 2005/2006. In januari 2016 debuteerde hij bij het Concertgebouworkest met Rachmaninoffs Tweede pianoconcert onder leiding van Semyon Bychkov en hij keerde meermaals bij het orkest terug; voor het laatst afgelopen maart met het Derde pianoconcert van Rachmaninoff onder leiding van Santtu-Matias Rouvali.

Sinds 2003 is de pianist Amerikaans staatsburger, en hij woont in Berlijn, waar hij is verbonden aan de Musikhochschule ‘Hanns Eisler’. Hij geeft ook les aan de Kronberg Academy, en is als coach verbonden aan de Verbier Festival Academy en IMS Prussia Cove.

Guy Braunstein, viool

Guy Braunstein koestert een wereldwijde reputatie als uitvoerende van het klassieke repertoire, maar ook met zijn eigen composities en bewerkingen. Hij groeide op in Tel Aviv, en studeerde bij Chaim Taub en later in New York bij Glenn Dicterow, Pinchas Zuckerman en Isaac Stern. Zijn samenwerking met ­Claudio Abbado was van grote invloed op zijn ontwikkeling.

Guy Braunstein soleerde bij het Tonhalle-Orchester Zürich, het Boston Symphony Orchestra, Philharmonia in Londen en de Berliner Philharmoniker – waar hij vanaf 2000 voor meer dan een decennium concertmeester was. Onder zijn muzikale partners rekent hij András Schiff, Zubin Mehta, Yefim Bronfman, Daniel Barenboim, Simon Rattle, Martha Argerich, Mitsuko Uchida, Lang Lang, Emanuel Ax, Andris Nelsons en Semyon Bychkov.

Als was Guy Braunstein in residence bij de en van Hamburg en Trondheim, en ook stond hij op de bok bij de orkesten van Helsinki en Rotterdam, het Israël Filharmonisch Orkest, het Queensland Symphony Orchestra en het Budapest Festival Orchestra.

In recente jaren voerde hij regelmatig vioolconcerten uit van Elgar en Haydn, en in een opname met het Orchestre Philharmonique Royal de Liège combineerde hij zijn eigen Abbey Road Concerto met het Vioolconcert van Delius en Vaughan Williams’ The Lark Ascending.

Guy Braunstein bespeelt een viool uit 1679 van Francesco Ruggieri. Vorige optredens in Het Concertgebouw waren met het Residentie Orkest (Mozart in 2015) en het Noord Nederlands Orkest (Vaughan Williams in 2013, Sibelius in 2022 en Tsjaikovski in 2024). Bij het Concertgebouworkest maakt Guy Braunstein zijn debuut.