Lahav Shani en Rotterdams Philharmonisch in Mahlers Symfonie nr. 2
Rotterdams Philharmonisch Orkest
Laurens Symfonisch instudering Wiecher Mandemaker
Lahav Shani dirigent
Chen Reiss sopraan
Anna Larsson mezzosopraan
Dit concert wordt voorzien van boventiteling.
Bekijk ook: De koffer van Pieter Nuytten, eerste fagottist van het Rotterdams Philharmonisch Orkest
Gustav Mahler (1860-1911)
Symfonie nr. 2 in c kl.t. (1887-94, revisie 1903) ‘Auferstehung’
Allegro maestoso
Andante moderato
In ruhig fliessender Bewegung – ‘Urlicht’: Sehr feierlich, aber schlicht – Im Tempo des Scherzo
er is geen pauze
einde ± 21.45 uur
Toelichting
Lahav Shani en Rotterdams Philharmonisch in Mahlers Symfonie nr. 2
Door Bart de Graaf
Een groot succes was zijn Eerste symfonie (1884-88) niet, daarom wilde Gustav Mahler haar met zijn Tweede symfonie in alle opzichten overtreffen. De lengte, het verhaal, de orkestratie, alles is erop gericht om met zijn nieuwe symfonie de wereld te veroveren én te verklaren.
Het is het werk van een man die geobsedeerd was door de wereld, de kosmos en vragen over het leven.
Afscheid van de titaan
Zijn Eerste symfonie baseerde Mahler in eerste instantie op de roman Titan van Jean Paul (1763-1825), die de transformatie van een gepassioneerde jongen tot een succesvolle volwassen man beschrijft. Het verhaal krijgt in de Tweede symfonie een vervolg, als Mahler op een intense manier afscheid neemt van de held. Het gaat in de Tweede symfonie echter niet zozeer om een hoofdpersoon, maar om levensvragen in het algemeen. Wat is het leven? Heeft het betekenis? Is er iets daarna? Dit soort existentiële vragen hebben Mahler ook in zijn latere oeuvre geleid. Iedere symfonie is een poging geweest tot het vinden van de waarheid. Daarom moesten het zulke grootschalige werken worden: niet voor het spektakel, maar om de wereld te kunnen begrijpen. Voor Mahler waren zijn symfonieën de wereld, de hemel en het leven ineen.
En de dood, die centraal staat in het eerste deel van de Tweede symfonie. Het is een licht aangepaste versie van Mahlers symfonische gedicht Todtenfeier (Begrafenisrituelen). Met een spannend in de en contrabas in de openingsmaten, elementen van het (Dag van toorn) en een uitgebreide treurmars staat het deel volledig in het teken van het heengaan. In dit lange openingsdeel benut Mahler het uitgebreide orkest, met onder meer tien s en acht tot tien ten, ten volle. Het verdriet, de reflectie, maar ook de viering van het leven, alle emoties komen voorbij. Mahler kwam op het idee toen hij na een succesvol optreden als terugkwam in zijn hotelkamer. Temidden van alle boeketten die hij had ontvangen, kreeg hij een visioen van zijn eigen uitvaart, overladen met bloemen. Hij zei erover: ‘Ik zie het leven van de held in een heldere spiegel. Zijn strijd, zijn lijden en verlangen trekken aan het geestesoog voorbij. Alsof je aan het graf van een geliefd persoon staat.’
Van geluksmomentje naar realiteit
De overgang naar het tweede deel kan niet groter zijn: van een intens afscheid naar een vrolijke herinnering aan een dierbare overledene, een echt geluksmomentje. Het is niet voor niets dat Mahler tussen de twee delen een pauze van minstens vijf minuten (!) heeft voorgeschreven. Na een vredig begin verwijzen een melancholische cellosolo en een onstuimige middensectie naar de jeugd en de verloren onschuld. Het deel is een en is daardoor ook in muzikaal opzicht een herinnering; het menuet, een elegante dans uit de , verdween als symfoniedeel na Haydn en Mozart geleidelijk uit beeld. Met een intiem duet tussen fluit en harp laat Mahler horen hoe hij het enorme orkest niet alleen inzet voor massaliteit, maar ook voor lichte en kleurrijke kamermuzikale passages.
In het derde deel citeert Mahler instrumentaal zijn eigen Des Antonius von Padua Fischpredigt uit Des Knaben Wunderhorn. In het lied predikt priester Antonius von Padua vanwege een lege kerk tegen de vissen. Het absurde van het preken tot de vissen heeft een diepere betekenis. In het lied heeft de preek namelijk geen zin: ‘De dieven blijven dieven en de vraatzuchtigen blijven vraatzuchtig.’ Daarmee verwijst Mahler ook in zijn symfonie naar de doofheid van mensen voor grote kunst. De schijnbaar vrolijke dans in het derde deel breekt dan ook nergens écht los, maar ontaardt in plotselinge gewelddadige onderbrekingen en uiteindelijk totale chaos. ‘Alsof je vanachter een raam naar een dansend koppel kijkt, zonder de muziek te horen. Je mist daardoor het , dat de ware sleutel tot de dans is’, zo beschreef Mahler het zelf. ‘Mit humor’, schreef hij boven dit deel, maar hij zal er zwarte humor mee hebben bedoeld. Sarcasme, dat ons na het gelukzalige tweede deel terugbrengt naar de sombere realiteit.
Die realiteit maakt dat de gekwetste ziel verlangt naar het hiernamaals en daarvoor grijpt Mahler in het vierde deel opnieuw naar een lied uit Des Knaben Wunderhorn, nu mét tekst: Urlicht. ‘O Röschen rot’, zo begint de alt het lied. De rode roos stond in de Middeleeuwen symbool voor Maria en haar voorspraak. Dat verklaart het plechtige koperkoraal aan het begin van het deel. Vervolgens gaat de tekst over de hemel en een visioen van engelen. Misschien horen we hier wel Mahlers visioen van zijn eigen uitvaart.
Het antwoord op de vragen
En een stilte voor de storm, zo blijkt als het vijfde deel begint met een angstaanjagende kreet vanuit het volle orkest. Als de rust is weergekeerd spelen fluit en hobo het begin van het Dies irae, dat ook in het eerste deel klonk. De gelukzalige herinnering en het engelenvisioen in de delen daarna hebben de vragen over leven en dood nog niet beantwoord. Een ‘’ (een ensemble buiten het podium) van hoorns en trompetten kondigt als bazuinen het laatste oordeel aan. ‘Alsof je ver weg een nachtegaal denkt te horen, als laatste echo van het aardse leven’, zo verwoordde Mahler het. Verrassend genoeg volgt niet het laatste oordeel, maar zingt het koor het antwoord van God op de vragen over de menselijke ziel: ‘Je zult herrijzen, Hij die je geroepen heeft, zal je het onsterfelijke leven schenken.’
De bijnaam Auferstehung (Wederopstanding) van de symfonie is dan ook uit het laatste deel voortgekomen. Het begin van de tekst komt uit een religieuze ode van dichter Friedrich Gottlieb Klopstock (1724-1803). Daaraan geeft Mahler vervolgens met zijn eigen tekst een meer algemene wending: ‘Je hebt niet voor niets geleefd, geleden. Wat tot stand is gekomen, moet vergaan. Wat voorbij is, stijgt. Met vleugels die ik heb verdiend door naar liefde te streven, zal ik wegzweven naar het licht.’ Het leidt tot een enorme climax aan het slot van de symfonie. Mahlers vragen zijn beantwoord: het leven is niet nutteloos, het brengt je via de liefde naar de onsterfelijkheid.
Biografie
Lahav Shani, dirigent
In juni 2016 maakte Lahav Shani zijn debuut bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest – als én pianosolist – en twee maanden later volgde de aankondiging van zijn benoeming tot chef-dirigent per september 2018. In seizoen 2020/2021 volgde hij Zubin Mehta op als music director van het Israël Filharmonisch Orkest; in september van dit jaar treedt hij aan als chef-dirigent van de Münchner Philharmoniker.
Zijn engagementen als gastdirigent omvatten optredens met het Koninklijk Concertgebouworkest (juni 2018), de Wiener Philharmoniker, de Berliner Philharmoniker, het Gewandhausorchester Leipzig, het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks, het London Symphony Orchestra, het Philharmonia Orchestra, het Budapest Festival Orchestra, de Filarmonica della Scala, het Orchestre de Paris en de orkesten van Boston, Chicago en Philadelphia.
Na pianolessen in zijn geboortestad Tel Aviv bij Hannah Shalgi en Arie Vardi voltooide Lahav Shani zijn pianostudie bij Fabio Bidini aan de Hochschule für Musik ‘Hanns Eisler’ in Berlijn, waar hij ook orkestdirectie studeerde bij Christian Ehwald. Tijdens zijn studiejaren was Daniel Barenboim zijn mentor, en het winnen van het Gustav Mahler enconcours 2013 in Bamberg was zijn doorbraak.
Lahav Shani heeft ook een flinke staat van dienst als pianist in kamermuziek: hij treedt regelmatig op tijdens het Verbier Festival en speelde ook op het Festival d’Aix-en-Provence, het Jerusalem Chamber Music Festival en in duo-s met Martha Argerich.
Chen Reiss, sopraan
Chen Reiss werd geboren in Israël en begon haar carrière als lid van het ensemble van de Bayerische Staatsoper in München onder leiding van Zubin Mehta. Vervolgens was ze verbonden aan de Wiener Staatsoper. Ze werd geëngageerd door orkesten als de Accademia Nazionale di Santa Cecilia in Rome en het Orchestre Philharmonique de Radio France, en soleerde afgelopen seizoen bij het SWR Symphonieorchester Stuttgart (Bergs Sieben frühe er), het Tonhalle-Orchester Zürich en – voor het eerst – het National Symphony Orchestra in Washington DC.
Recente successen waren de titelrol in Cavalli’s La Calisto in het Teatro alla Scala in Milaan, Ginevra in Händels Ariodante aan het Royal Opera House Covent Garden in Londen en Liu in Puccini’s Turandot met het Israëlisch Filharmonisch Orkest.
Op cd is Chen Reiss onder meer te beluisteren in orkestliederen van Fanny en Felix Mendelssohn, Beethoven-’s met de Academy of Ancient Music en – met de Berliner Philharmoniker – de soundtrack van de bioscoopfilm Perfume: the Story of a Murderer.
Mahlers Tweede en Vierde symfonie maken vast deel uit van haar repertoire; zo soleerde ze in de zomer van 2017 bij het Concertgebouworkest onder leiding van Daniele Gatti in de Vierde; ook zong ze Mahler bij de Münchner Philharmoniker onder Gustavo Dudamel, de Los Angeles Philharmonic met Zubin Mehta en het Rotterdams Philharmonisch Orkest onder leiding van Lahav Shani (de Tweede symfonie, afgelopen 16 mei in de ).
Anna Larsson, mezzosopraan
Anna Larsson is een befaamd vertolker van Mahler in de concertzalen en van Wagner in de . Onder haar glansrollen is Erda in Der Ring des Nibelungen, die ze zong bij de Bayerische Staatsoper, de Berliner Staatsoper, de Wiener Staatsoper, La Scala in Milaan, de Koninklijke Zweedse Opera en tijdens het Festival van Aix-en-Provence.
Andere rollen brachten haar naar de Salzburger Festspiele en de operahuizen van Parijs, Florence, Stockholm, Oslo, Kopenhagen, Londen en Frankfurt.
Anna Larsson werkte met en als Daniel Barenboim, Simon Rattle, Esa-Pekka Salonen, Vladimir Jurowski, Zubin Mehta, Gustavo Dudamel, Daniel Harding, Antonio Pappano en Herbert Blomstedt. Haar internationale concertdebuut maakte de Zweedse zangeres in 1996 in Mahlers Tweede symfonie met de Berliner Philharmoniker onder Claudio Abbado. Sindsdien soleerde ze bij de Wiener Philharmoniker, de New York Philharmonic, het Chicago Symphony Orchestra, het London Philharmonic Orchestra en het NHK Symphony Orchestra Tokyo.
Bij het Concertgebouworkest zong Anna Larsson in Mahlers Achtste symfonie (2000), Das Lied von der Erde (2006, 2011), Derde (2010) en Tweede symfonie (2013, de laatste keer dat ze in de optrad). Anna Larsson is lid van de Swedish Royal Academy of Music en kreeg tweemaal een koninklijke gouden medaille, onder andere vanwege het oprichten van het Dalecarlia Festival.
Rotterdams Philharmonisch Orkest, orkest
Het Rotterdams Philharmonisch Orkest werd opgericht in 1918. Onder Eduard Flipse ontwikkelde het zich vanaf 1930 tot een van de meest prominente Nederlandse orkesten, en met Jean Fournet, Edo de Waart en James Conlon bouwde het in de jaren 1970 en 1980 verder aan zijn internationale reputatie.
De benoeming van Valery Gergiev in 1995 luidde een nieuwe bloeiperiode in, die sinds 2008 werd voortgezet met Yannick Nézet-Séguin.
Hij bleef als eredirigent aan het orkest verbonden toen Lahav Shani per seizoen 2018/2019 chef- werd. Vaste gastdirigent is Tarmo Peltokoski. Naast de concerten in de thuiszaal, Concertgebouw De Doelen, speelt het Rotterdamse gezelschap op vele andere podia in binnen- en buitenland.
Zo heeft het sinds 2010 een residency in het Parijse Théâtre des Champs-Élysées. Met zijn concerten, educatieve voorstellingen en sociale projecten trekt het Rotterdams Philharmonisch Orkest ieder seizoen 150.000 à 200.000 bezoekers. Het orkest koestert een uitgebreide discografie en voor de heruitgave van historische opnamen initieerde het zijn eigen label Rotterdam Philharmonic Vintage Recordings.
De vorige optredens in de serie Klassieke Meesterweken waren op 6 mei 2024 met Yannick Nézet-Séguin en violist Randall Goosby respectievelijk op 5 april 2025 met Lahav Shani en violiste Clara-Jumi Kang.
Laurens Symfonisch, koor
Laurens Symfonisch, onderdeel van de Rotterdamse ‘koorfamilie’ Laurens Vocaal, is een jong symfonisch koor en staat onder artistieke leiding van Wiecher Mandemaker. Sinds 2010 hebben de zangers veel succes geboekt met hun symfonische projecten.
Vaste samenwerkingspartners zijn het Rotterdams Philharmonisch Orkest, het Concertgebouworkest en het Residentie Orkest.
Voor de liveopname uit 2018 van Honeggers Jeanne d’Arc au bûcher in samenwerking met het Concertgebouworkest ontving het koor de International Classical Music Award in de categorie koormuziek.
In Het Concertgebouw was Laurens Symfonisch in 2023 te horen in Mahlers Tweede symfonie met het Rotterdams Philharmonisch Orkest onder leiding van Lahav Shani. In datzelfde jaar werkte het koor bij het Concertgebouworkest ook mee aan de wereldpremière van Tan Duns Requiem for Nature en Mahlers Derde symfonie geleid door Klaus Mäkelä. Het keerde in 2024 terug voor Schönbergs Gurre-Lieder, uitgevoerd door het Concertgebouworkest en Riccardo Chailly.





