Koninklijk Concertgebouworkest speelt Brittens War Requiem
Koninklijk Concertgebouworkest
Gianandrea Noseda dirigent
Elena Stikhina sopraan
Mark Padmore tenor
Michael Volle bariton
Groot Omroepkoor instudering Simon Halsey
Vlaams Radio Koor instudering Bart van Rijn
Nationaal Kinderkoor instudering Wilma ten Wolde
Meer over dit concert:
Terugblik: Brittens War Requiem bij het Concertgebouworkest
Benjamin Britten (1913-1976)
War Requiem, op. 66 (1961-62)
voor koor, jongenskoor, sopraan, tenor, bariton, orkest en kamerorkest
Requiem aeternam
Dies irae
Offertorium
Sanctus
Agnus Dei
Libera me
er is geen pauze
einde ± 21.50
dit concert wordt voorzien van boventiteling
Toelichting
Benjamin Britten (1913-1976)
Britten: War requiem
Door Thea Derks
Tegenwoordig geldt Benjamin Britten als de aartsvader van het moderne Britse componeren; elk nieuw talent wordt aan hem getoetst. Lange tijd werd hij echter niet voor vol aangezien. Anders dan veel tijdgenoten omarmde hij namelijk niet de atonaliteit maar bleef hij voortborduren op de traditie. Modernisten vonden zijn muziek te ouderwets, traditionalisten beschouwden haar als ‘too clever by half’, zoals de befaamde Grove Dictionary of Music and Musicians stelde.
Als homoseksueel had Britten het ook al niet makkelijk in eigen land, maar geleidelijk kreeg hij meer waardering, zeker na de Tweede Wereldoorlog. ’s als Billy Budd, Peter Grimes en The Turn of the Screw gingen tot het standaard operarepertoire behoren. Hij werd in 1913 in Lowestoft geboren; zijn vader was tandarts, zijn moeder amateurzangeres en pianist. Zij stimuleerde hem in zijn muzikale ambities, in de overtuiging een genie in huis te hebben. Ze drilde hem om de ‘Vierde B’ te worden – na Bach, Beethoven en Brahms. Benjamin kreeg van kind af aan pianoles en had al op zijn veertiende ruim honderd stukken gecomponeerd.
Toen zijn overheersende moeder in 1937 overleed, voelde Britten zich tegelijkertijd verdrietig en opgelucht. Eindelijk was er ruimte om zijn jarenlang onderdrukte homoseksuele gevoelens tot uiting te brengen. Tijdens een lunch ontmoette hij de tenor Peter Pears, met wie hij een jaar later ging samenwonen. Hoewel Britten aanvankelijk ook relaties met jongere mannen aanging, bleek hun band zo sterk dat ze de rest van hun leven bij elkaar zouden blijven. Britten zou talloze werken voor Pears schrijven en hun relatie behoort tot een van de vruchtbaarste uit de muziekgeschiedenis. Saillant detail: volgens intimi leek de hoge tenor van Pears sterk op de stem van Brittens moeder.
Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak vertrokken de pacifisten Britten en Pears naar Amerika. Ze zwoeren er te blijven tot de oorlog voorbij was, maar keerden al in 1942 terug naar Engeland. Britten begreep dat hij iets bijzonders moest doen om de hegemonie van componisten Ralph Vaughan Williams en Edward Elgar te doorbreken. Hij koos voor , het gebied waarop geen van beiden succesvol was geweest. Enkele weken na het einde van de Tweede Wereldoorlog ging de opera Peter Grimes in première. Deze sloeg in als een bom en is nog altijd populair. In 1953 componeerde Britten de opera Gloriana ter gelegenheid van de kroning van Elizabeth II.
Britten: War Requiem
Gaandeweg rees zijn ster en in 1960 werd hij uitgenodigd voor de Britse première van het Eerste concert van Dmitri Sjostakovitsj. Hij leerde er niet alleen de Russische componist kennen, maar ook de cellist Mstislav Rostropovitsj en diens vrouw, de sopraan Galina
Visjnevskaja. Een jaar later werd hij gevraagd muziek te componeren voor de inwijding van de herbouwde kathedraal van Coventry, die in de oorlog was platgebombardeerd. Hij koos voor een grootschalig in de Engelse traditie, met drie solisten, een gigantisch koor en dito orkest én een jongenskoor.
Britten was niet gelovig en voor zijn War Requiem doorsneed hij de tekst van de traditionele dodenmis met gedichten van Wilfred Owen (1893-1918), de dichter die tijdens de Eerste Wereldoorlog het soldatenleed zo pregnant had weten te verwoorden. Vanuit zijn pacifistische overtuiging schreef Britten de solistische partijen voor zijn Peter Pears, de Duitse bariton Dietrich Fischer-Dieskau en de Russische sopraan Galina Visjnevskaja. Tragisch genoeg kreeg Visjnevskaja echter geen visum voor de première in 1962.
Zangers en musici zijn verdeeld in drie groepen die elkaar voortdurend afwisselen en pas helemaal aan het slot met elkaar versmelten. De solosopraan en het koor zingen de Latijnse teksten, begeleid door het voltallige orkest. Zij staan voor de rouwende gelovigen die verlossing afsmeken voor de mensheid. De bariton- en tenorsolist representeren de individuele soldaten en worden bijgestaan door een kamerorkest; zij zingen de vaak bittere teksten van Wilfred Owen. Het jongenskoor gaat vergezeld van een en is op enige afstand geplaatst, als vertegenwoordiger van verloren onschuld en puurheid.
In ruim tachtig minuten voert Britten de luisteraar door een scala aan en, sferen en emoties, waarbij hij van begin tot eind de aandacht vasthoudt. Rode draad hierbij is het c-fis, twee tonen met de afstand van een overmatige kwart die veel spanning oproept. Het stuk opent met nauwelijks hoorbare strijkers en klokgelui, waartegen het koor de woorden ‘requiem aeternam’ bijna fluisterend zingt. Na een korte, angstaanjagende climax zakt het geluidsniveau terug naar pianissimo, waarop de jongensstemmen zich in het betoog mengen. Hun verzoenende gezang wordt ruw verstoord door de tenor, die zijn woorden ‘What passing-bells for these who die as cattle?’ bijna uitspuugt, begeleid door gejaagde, e kreten van het kamerorkest.
Ook hierna wisselen woede, bezorgdheid, wanhoop, vastberadenheid, berusting en vertroosting elkaar af. De muziek schakelt tussen opruiend klaroengeschal, afgrondelijk lage strijkers, tedere , achtig en sarcastische hout- en die niet zouden misstaan in een van Dmitri Sjostakovitsj. Dit alles wordt doordesemd met engelachtig gezang van het jongenskoor.
Adembenemend is het duet tussen de tenor en de bariton over de offerscène rond Abraham en zijn zoon Isaak. Owen wijkt hier bewust af van de oorspronkelijke bijbeltekst, waarin God op het laatste moment een ram aanbiedt om Isaak te vervangen: Offer the Ram of Pride instead of him. But the old man would not so, but slew his son, - And half the seed of Europe, one by one.
In Owens versie slacht ‘de oude man’ zijn zoon koppig af, zodat mét Isaak ‘half het zaad van Europa’ wordt afgeslacht, een bittere aanklacht tegen het eeuwige bloedvergieten. Deze passage opent met een niets-aan-de-hand-muziekje onder bijna jolige partijen van tenor en bariton. Maar gaandeweg laten zij steeds meer gaten vallen. Hun adem stokt, waarna het kinderkoor ‘Hostias et preces tibi Domine’ (Heer, om u te prijzen offeren wij) zingt, als waren zij de geest van de geslachte Isaak.
Die spookachtige sfeer keert terug aan het slot, wanneer tenor en bariton elkaar als dode soldaten ontmoeten in de hemel. Na een korte climax op ‘Libera me’, waarin de sopraan hoog boven alle anderen uittorenend smeekt om eeuwige rust, eindigt het War Requiem fluisterzacht met het in het niets wegstervende jongenskoor. Of de rust werkelijk komt is zeer de vraag, want ook nu klinkt het bovengenoemde onrustige interval.
Biografie
Gianandrea Noseda, dirigent
Gianandrea Noseda is chef- van het National Symphony Orchestra in Washington D.C. sinds 2017, en artistiek leider van het Opernhaus Zürich sinds 2021. Daarnaast is hij eerste gastdirigent van het London Symphony Orchestra en het Israëlisch Filharmonisch Orkest. Voorheen stond de Italiaan aan het hoofd van het BBC Philharmonic Orchestra (2002-2011) en het Teatro Regio Torino (2007-2018) en was hij eerste gastdirigent bij het Mariinski Theater, het Rotterdams Philharmonisch Orkest en het Orchestra Sinfonica Nazionale della RAI.
Gianandrea Noseda leidde ’s bij onder meer het Teatro alla Scala in Milaan en de Royal Opera in Londen. Zijn hechte band met de Metropolitan Opera in New York gaat terug tot 2002; een veelgeprezen interpretatie van Borodins Prins Igor verscheen op dvd bij Deutsche Grammophon. Orkesten als de Berliner Philharmoniker, The Cleveland Orchestra, de New York Philharmonic, het NHK Symphony Orchestra, het Orchestra dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia en de Wiener Symphoniker engageerden de Milanese .
In 2015 benoemde Musical America hem tot Conductor of the Year. Dezelfde titel werd hem het jaar daarop toegekend bij de International Opera Awards. Gianandrea Noseda debuteerde op overtuigende wijze bij het Concertgebouworkest in oktober 2018 met Brittens War Requiem. Hij kwam terug in januari 2021 met werken van Kodály, Liszt en Dvořák en in oktober 2022 met Dallapiccola, Respighi, Stravinsky en Deutsch.
Elena Stikhina, sopraan
De Russische sopraan Elena Stikhina voltooide haar studie bij Larisa Rudakova aan het Moskous Conservatorium in 2012 en volgde daarna masterclasses onder leiding van Vasily Barkhatov en Peter Konwitschny. In 2014 won zij de Competizione dell’Opera in Linz en in 2016 sleepte zij de publieksprijs en de CulturArte Prijs in de wacht tijdens Plácido Domingo’s Operalia-concours.
Sinds 2014 is Elena Stikhina een van de vaste solisten aan het Primorski Podium van het Mariinski Theater in Wladiwostok, waar ze rollen vertolkte als Tosca in Puccini’s gelijknamige , Micaela in Carmen van Bizet en Violetta Valeri in Verdi’s La traviata. De rijzende ster maakte daarnaast deel uit van diverse Europese operaproducties, zoals haar succesvolle eerste optreden bij de Opéra National de Paris als Tatjana in Tsjaikovski’s Jevgeni Onjegin.
Na haar Amerikaanse debuut in de titelrol van Puccini’s Tosca bij de Boston Lyric Opera in oktober 2017 oordeelde The Boston Globe: ‘Stikhina’s voice has unusual allure, catching the ear with its combination of glow and penetration, lightness and strength’.
Elena Stikhina debuteerde in oktober 2018 bij het Concertgebouworkest in Brittens War Requiem onder leiding van Gianandrea Noseda.
Mark Padmore, tenor
Mark Padmore, opgeleid aan King’s College in Cambridge en in 2016 Vocalist of the Year van Musical America, is veelvuldig te gast bij de bekende orkesten van Londen, Berlijn, München, Wenen en New York. Bij het Concertgebouworkest zong hij in Bachs Matthäus-Passion, Mozarts Requiem en Brittens War Requiem. Zijn uitvoeringen van Bachs Passionen als zanger én met het Orchestra of the Age of Enlightenment zijn wereldwijd geprezen.
Na residencies bij het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks (2016/2017) en de Berliner Philharmoniker (2017/2018) was de tenor in 2021/2022 in residence bij Wigmore Hall in zijn geboortestad Londen, waar hij zijn verbintenis vierde met de pianisten Till Fellner, Imogen Cooper, Mitsuko Uchida en Paul Lewis.
Van 2012 tot 2022 was Mark Padmore artistiek leider van het St. Endellion Summer Music Festival in Cornwall. Dit seizoen is Mark Padmore in residence bij het Oxford er Festival, tourt hij met Mitsuko Uchida door Japan en verzorgt hij met het Nash Ensemble de wereldpremière van A Constant Obsession van Mark-Anthony Turnage.
Op het toneel vertolkte hij de hoofdrollen in Birtwistle’s The Corridor and the Cure en Stravinsky’s The Rake’s Progress en – recentelijk nog aan de Royal Opera Covent Garden – Aschenbach in Brittens Death in Venice. In de was Mark Padmore vaak te gast, bijvoorbeeld met Kristian Bezuidenhout in Schuberts Die schöne Müllerin (september 2015), Schwanengesang (juni 2017) en Winterreise (januari 2018). In oktober 2019 zong hij er met pianist Aaron Pilsan A Padmore Cycle van Thomas Larcher.
Michael Volle, bariton
Michael Volle geldt als een van de voornaamste Duitse baritons. Hij kreeg les van de vermaarde zangers Josef Metternich en Rudolf Piernay. Van 1999 tot 2007 werkte hij voor Opernhaus Zürich en van 2007 tot 2011 was hij vast lid van de Bayerische Staatsoper in München, waar hij gestalte gaf aan onder andere de titelrol van Tsjaikovski’s Jevgeni Onjegin, Don Alfonso in Così fan tutte van Mozart en Wolfram in Wagners Tannhäuser.
Bovendien verzorgde Michael Volle gastoptredens in onder meer New York, Londen, Brussel, Parijs en Wenen en tijdens de festivals van Salzburg, Bayreuth en Baden-Baden. Hij werd door Opernwelt verkozen tot ‘Sänger des Jahres 2014’. Hij is ook een toegewijd vertolker, soleert in divers concertrepertoire en werkt regelmatig mee aan tv-, cd- en dvd-opnamen.
Michael Volle is ook een toegewijd liedvertolker, soleert in divers concertrepertoire en werkt regelmatig mee aan tv-, cd- en dvd-opnamen. Onlangs haalde hij het nieuws door, voor een wetenschappelijk onderzoek, een uit Wagners Tännhauser te zingen in een MRI-scanner.
Michael Volle soleerde van 2002 tot en met 2005 jaarlijks bij het Koninklijk Concertgebouw-orkest in Bachs Johannes- en Matthäus-Passion onder leiding van Philippe Herreweghe. In 2016 kwam hij terug om Wotan te vertolken in het derde bedrijf van Wagners Die Walküre onder leiding van Valery Gergiev.
Groot Omroepkoor, koor
Het Groot Omroepkoor, opgericht kort na de Tweede Wereldoorlog, is het enige professionele koor in Nederland dat het grote symfonische koorrepertoire uitvoert. Het koor is nauw verbonden met de Publieke Omroep en zingt veelvuldig in de omroepseries: de NTR ZaterdagMatinee, Het Zondagochtend Concert en het AVROTROS Vrijdagconcert.
Het repertoire beweegt zich tussen hedendaagse muziek (opdrachtwerken van zowel Nederlandse als buitenlandse componisten), oudere werken uit de negentiende en twintigste eeuw en . Het Groot Omroepkoor treedt op met orkesten van naam en faam, en werkt in de omroepseries doorgaans met het Radio Filharmonisch Orkest.
Ook met het Concertgebouworkest bestaat een lange, vruchtbare samenwerking. Bij de laatste gezamenlijke concerten in mei 2025 stond Mahlers Achtste symfonie op het programma onder leiding van Klaus Mäskelä. Samen met het Radio Filharmonisch Orkest ontving het Groot Omroepkoor in 2017 de Concertgebouw Prijs. Chef- sinds 2020 is Benjamin Goodson.
Vlaams Radio Koor, koor
Het Vlaams Radio Koor werd in 1937 als professioneel kamerkoor opgericht door de toenmalige openbare omroep NIR. Vandaag de dag repeteren de vierentwintig zangers onder leiding van chef- Hervé Niquet in Studio 1 van het Flagey-gebouw in Brussel, en concerteren in heel Vlaanderen en Europa.
Hervé Niquet kreeg de leiding over het koor in 2011. Een eerste belangrijke pijler in de programmering van het Vlaams Radio Koor vormen de -producties, waarmee het koor zo’n vier tot zes keer per jaar op tournee gaat door heel Vlaanderen.
Daarnaast werkt het koor samen met ensembles en orkesten als het Brussels Philharmonic, het Rotterdams Philharmonisch Orkest, het Radio Filharmonisch Orkest, Les Siècles en het Boedapest Festival Orkest. In september 2015 trad het koor samen met het Groot Omroepkoor op met het Koninklijk Concert-gebouworkest in Verdi’s -Messa da requiem onder leiding van Jonathan Nott.
Nationaal Kinderkoor, koor
Het Nationaal Kinderkoor, het Nationaal Jongenskoor, het Nationaal Vrouwen Jeugdkoor en het Nationaal Gemengd Jeugdkoor worden georganiseerd door Vocaal Talent Nederland. In het Nationaal Kinderkoor zingen talentvolle kinderen van 10 tot en met 15 jaar uit heel Nederland.
Van 2001 tot 2023 was Wilma ten Wolde artistiek leider, sinds 2023 is de artistieke leiding van het Nationaal Kinderkoor en het Nationaal Jongenskoor in handen van Irene Verburg en László Norbert Nemes. Het Nationaal Kinderkoor wordt vaak uitgenodigd voor concerten met orkesten, in Nederland en daarbuiten.
Het zong onder leiding van onder anderen Bernard Haitink, Nikolaus Harnoncourt, Mariss Jansons, Simon Rattle, Jordi Savall, Markus Stenz en Jaap van Zweden. Bij het Concertgebouworkest zijn de koren van Vocaal Talent Nederland met grote regelmaat te gast; de laatste keer was in mei 2025, toen het Nationaal Kinderkoor en het Nationaal Jongenskoor samenwerkten met het orkest in Mahlers Achtste symfonie, onder leiding van Klaus Mäkelä.






