Terugblik

Pleidooi voor verzoening

Uit het Preludium maandblad oktober 2018

In 1964 vond de eerste uitvoering van Benjamin Brittens War Requiem plaats door het Concertgebouworkest. Op het podium stonden de Russische sopraan Galina Visjnjevskaja, de Britse tenor Peter Pears als de duitse bariton Dietrich ­Fischer-Dieskau: de volkenverbroedering die Britten voor ogen had. 

Wanneer wij Rostropovich voor het Festival 1964 zouden uitnodigen, dan zou het waarschijnlijk niet moeilijk zijn, zijn vrouw eveneens uit te nodigen. Zij heeft, zoals U weet, onder Britten’s leiding en zeer tot zijn tevredenheid aan de laatste uitvoering in Londen deel genomen en de sopraanpartij op de door Britten gedirigeerde gramofoonplaten gezongen.’

Aldus de secretaris en artistiek leider van het Holland Festival, Peter Diamand, in zijn brief van 12 april 1963 aan de toenmalige directeur van het Concertgebouworkest. Het was de tijd van de Koude Oorlog. De sopraan Galina Visjnjevskaja, echtgenote van cellist Mstislav Rostropovich, had in 1962 van de Russische autoriteiten niet aan de wereld­première van het War Requiem in Coventry mogen meewerken.

Het beoogde solistische trio voor deze muzikale volkenverbroedering – de Sovjet-Russische Visjnjevskaja, de Britse tenor en levensgezel van de componist Peter Pears en de Duitse bariton Dietrich ­Fischer-Dieskau – was daarom incompleet geweest. Het jaar daarop in Londen lukte het wél. Ook voor het Holland Festival 1964 lukte het om deze grote solisten bijeen te krijgen, wat de uitvoeringen in Het Concertgebouw van Brittens pleidooi voor verzoening en vrede nog belangrijker maakte.

Start / pauzeer slideshow

Verder werkten verschillende koren mee: het Groot Omroepkoor, het NCRV Vocaal Ensemble en het Jongenskoor van de Sint-Willibrorduskerk buiten de Veste. Het Concertgebouworkest was in tweeën gedeeld: Bernard Haitink leidde het grootste orkest, de koren en de so­praansoliste, Benjamin Britten dirigeerde het kleine orkest en de twee mannelijke solisten. Toon Vranken hield een wakend oog over het jongenskoor en sprong soms als derde dirigent bij. Naast Rostropovich en zijn vrouw trad overigens ook de Russische pianist Svjatoslav Richter op tijdens het festival.

Toegankelijk

Aanvankelijk leidde alleen Haitink de repetities. Op 1 juli arriveerden Britten en Pears in Amsterdam en werkten zij mee aan de avondrepetitie van het kleine orkest. De generale repetitie vond plaats in de avond van 2 juli. Op de dag van de tweede uitvoering, 4 juli, werd ’s morgens alweer onder leiding van Otto Klemperer voor de volgende concerten gerepeteerd.

Een gewone gang van zaken, maar het War Requiem was met de uiterste zorg voorbereid, zo meldde de Volkskrant na de eerste uitvoering. Het is opmerkelijk dat Britten in Amsterdam repertoire bleef houden in een tijd waarin op de programma’s van het Concertgebouworkest plaats werd ingeruimd voor werken van Schönberg, Webern en Berg en hun navolgers en aandacht werd gegeven aan jongere componisten.

De reden lag in de toegankelijkheid van zijn muziek. In het programmaboek van het Holland Festival 1964 werd dit belicht: men moest Benjamin Britten niet zien als modern componist in de betekenis die men aan dit begrip hechtte in avant-gardistische kringen. Hij had nog steeds een duidelijk herkenbaar tonaal idioom, ofschoon hij in zijn War ­Requiem soms ook gebruikmaakte van de toen modernste compositorische stijlen en technieken.

Indrukwekkend

De uitvoeringen genoten veel waardering, zoals alleen al blijkt uit diverse koppen in de dagbladen: ‘Aangrijpend anti-oorlogsmonument op ideale wijze gerealiseerd’ (Algemeen Handelsblad), ‘Onvergetelijk concert’ (De Telegraaf), ‘Brittens getuigenis grandioos vertolkt in Grote Zaal’ (Het Parool), ‘BRITTEN’S War Requiem: ontroerende uitvoering’ (Trouw), ‘Brittens War Requiem hoogtepunt in Festival’ en ‘Indrukwekkende vertolking van ensemble’ (de Volkskrant).

In de recensies werd de loftrompet gestoken over het werk, de solisten en de andere uitvoerenden, onder wie Britten en Bernard Haitink. Trouw noemde de eerste uitvoering een hoogtepunt van het festival, ‘niet alleen omdat de reactie van het publiek die op het optreden van Von Karajan vele malen in duur en intensiteit overtrof, maar mede en vooral omdat de tien minuten toejuichingen en applaus na afloop duidelijk in de eerste plaats het werk van de componist golden’.

Het applaus, dat pas ‘na vele seconden van stilte losbarstte als een uitlaat voor de intense spanningen die door de naar de keel grijpende bewogenheid van dit 85 minuten durende werk waren gewekt’. Galina Visjnjevs­kaja viel behalve door haar vocale prestaties ook als persoon op. De Tijd De Maasbode beschreef haar als ‘een kleine, donkere, elegante verschijning met fijnbesneden gelaat en levendige ogen’.

Nadat er nog een uitvoering op 14 juli 1967 onder leiding van Bernard Haitink met medewerking van onder meer het Amsterdamse Toonkunstkoor had plaatsgevonden, liet een nieuwe reeks op zich wachten. Pas in oktober 1985 volgden zes uitvoeringen onder leiding van Haitink. En dan nu drie uitvoeringen waarbij het Concert­gebouworkest opnieuw samenwerkt met een Russische sopraan, een Engelse tenor en een Duitse bariton.