Janine Jansen & Antonio Pappano: Szymanowski en Dvořák

Chamber Orchestra of Europe 
Antonio Pappano dirigent
Janine Jansen viool

Richard Wagner (1813-1883)

Siegfried-Idyll (1870)

Karol Szymanowski (1882-1937)

Eerste vioolconcert, op. 35 (1916)
[in één deel]
 
pauze ± 21.00 uur 

Antonín Dvořák (1841-1904)

Slavische dansen, op. 72 (1886-87)
Nr. 1 in B gr.t.: Odzemek
Nr. 2 in e kl.t.: Mazurka
Nr. 3 in F gr.t.: Skocná
Nr. 4 in Des gr.t.: Dumka
Nr. 5 in bes kl.t.: Spacirka
Nr. 6 in Bes gr.t.: Polonaise
Nr. 7 in C gr.t.: Kolo
Nr. 8 in As gr.t.: Sousedská
 
einde ± 21.55 uur

Toelichting

Richard Wagner 1813-1883

Wagner: Siegfried-Idyll

Door Aad van der Ven

We schrijven 25 december 1870. Het is niet alleen kerstmis, maar ook de verjaardag van Richard Wagners levenspartner Cosima. Het gezin Wagner heeft kort geleden de villa Tribschen in de buurt van het Zwitserse Luzern betrokken. De grote meester is enige tijd geleden op het idee gekomen Cosima voor haar verjaardag een muzikale aubade te bezorgen op de trap voor de hoofdingang.

Een groepje musici uit de directe omgeving is zo vriendelijk onder strikte geheimhouding de voor deze gelegenheid geschreven nieuwe compositie van Wagner, Siegfried-Idyll getiteld, in te studeren. De jarige weet van niets wanneer zij op de bewuste ochtend bij het wakker worden in de verte muziekinstrumenten hoort.

‘Mijn oren vingen klanken op’, schrijft zij in haar dagboek, ‘die geleidelijk sterker werden; niet langer kon ik mij verbeelden dat ik droomde. Er klonk muziek en wat voor muziek! Nadat deze was weggeëbd kwam Wagner mijn kamer binnen met de kinderen en bood me de aan van deze muzikale verjaardagsgroet. Ik was in tranen, zoals iedereen in huis.’

De titel Siegfried-Idyll heeft een tweevoudige betekenis. Wagner noemde het werk naar zijn enige zoon, terwijl het muzikaal verbonden is met het muziekdrama Siegfried, nummer drie van de cyclus Der Ring des Nibelungen. De meeste ’s zijn ontleend aan het laatste bedrijf van dit drama, namelijk de scène waarin de titelheld erin slaagt Brünnhilde uit haar lange slaap te wekken, waarna een onstuimige liefde opvlamt.

Het belangrijke eerste thema vergezelt de woorden ‘Ewig war ich, ewig bin ich’. Het karakter van de muziek verandert drastisch in een dromerige episode met gedempte strijkinstrumenten, waarna een introduceren uit het slotduet van de opera (‘O Siegfried, Herrlicher! Hort der Welt!’).

Op een monter thema dat de energieke Siegfried zelf uitbeeldt volgt poëtische woudmuziek, met ritselende strijkinstrumenten en het geluid van de Waldvogel dat Wagner-liefhebbers al van de opera kennen. Het was een handjevol musici dat de verjaardagspremière voor zijn rekening nam. Maar de componist liet de mogelijkheid open in plaats van een enkelvoudige strijkersbezetting een strijkorkest in te schakelen. 

Karol Szymanowski 1882-1937)

Szymanowski: Eerste vioolconcert

Weinig muziekliefhebbers zullen bestrijden dat Karol Szymanowski de belangrijkste Poolse componist was in de periode tussen Frédéric Chopin en de naoorlogse generaties van Witold Lutosławski, Krzysztof Penderecki en hun jongere geestverwanten. Maar wélke Szymanowski? Niet de Chopin-epigoon die hij aanvankelijk was.

Ook niet de onversneden laat-romanticus die achter Richard Strauss aan liep. Individueler en interessanter werd zijn stijl nadat hij in de ban was geraakt van Alexander Skrjabin. Met zijn schrijfwijze en weelderige orkestrale palet ontstak deze Russische componist een vuur dat zich enige tijd later naar Polen verplaatste en weer oplaaide in Szymanowski’s werken van globaal de jaren 1910-1920, met zijn beide vioolconcerten en de Koning Roger als hoogtepunten.

Szymanowski stond in die periode dicht bij het Franse impressionisme en speciaal de zijtak daarvan die als exotisme kan worden getypeerd (Florent Schmitt, Albert Roussel). Van hun rijke muzikale coloriet horen we iets terug in het Eerste vioolconcert uit 1916. De Britse musicoloog Arnold Whittall spreekt in verband met dit werk van een ‘symfonisch gedicht in concertvorm’.

Dit slaat niet alleen op de onconventionele, losse structuur. Szymanowski werd geïnspireerd door een gedicht van zijn landgenoot Tadeusz Micinski, iemand met een voorkeur voor mystiek en occultisme. Hoewel in dit concert de viool meestal domineert, is de solopartij volkomen vrij van demonstratieve virtuositeit. Het instrument is een boven het orkest zwevende, verlokkende stem die de muziek richting geeft.

De klank is voortdurend transparant, ondanks de grote instrumentale bezetting, die later door de componist bij wijze van alternatief enigszins werd verkleind. De korte kort voor het slot is hoogstwaarschijnlijk geschreven door de bekende Poolse violist Pawel Kochanski, die de componist ook adviezen gaf omtrent technische details op andere plaatsen in deze .

Szymanowski’s sensuele, kleurrijke stijl maakte in de jaren twintig geleidelijk plaats voor een meer pregnante schrijfwijze. De ‘aristocraat in de kunst en in het dagelijks leven’ (aldus biograaf Christopher Palmer) trok zich terug in het Poolse bergdorp Zakopane. De volksmuziek die hij daar hoorde vond een weg naar zijn late composities. Zo raakte Szymanowski steeds verder verwijderd van de verfijnde, gecultiveerde stijl die werken als het Eerste vioolconcert een zinderende en zinnelijke schoonheid verleent.

Antonín Dvořák 1841-1904

Dvořák: Slavische dansen

Antonín Dvořáks uitgever Simrock dacht ongetwijfeld aan het recente succes van Johannes BrahmsHongaarse dansen toen hij diens Boheemse collega vroeg ook iets in die trant te componeren. Daar stemde Dvořák graag mee in. In april 1878 kon hij acht Slavische dansen voor piano vierhandig overhandigen.

Hij moet toen al van plan zijn geweest een orkestversie te laten publiceren, want die ontving Simrock al enkele maanden later. Dit alles herhaalde zich acht jaar later. Weer een verzoek van de uitgever, wederom een snelle actie van de componist en klaar was het volgende bundeltje met acht Slavische dansen voor piano vierhandig, ook in dit geval spoedig orkestraal aangekleed. Net als de serie 46 werd opus 72 gretig ontvangen.

Het publiek had wel oren naar muziek met een volkse inslag en een symfonische klank. In tegenstelling tot Brahms besloot Dvořák niet-bestaande ën te gebruiken, maar in hoofdzaak zijn ‘eigen’ volksmuziek te bedenken. Wel hield hij zich aan de ritmische structuur van de authentieke dansvormen. Niet alleen die van zijn vaderland overigens, ook van enkele andere Oost-Europese volkeren (de dumka uit Oekraïne, de uit Polen).

De serie 72 onderscheidt zich van het voorgaande achttal dansen door een toegenomen raffinement in de en een rijker harmonisch idioom. De componist heeft duidelijk naar grote contrasten gestreefd door bijvoorbeeld een Boheemse springdans te laten volgen door een dromerige dumka (nrs. 3 en 4). Of door na de uitgelaten n van nr. 7 de cyclus af te sluiten met de poëzie van een rustige dans uit zijn vaderland.

Bovendien vertonen de meeste dansen op zichzelf ook afwisselend snelle en langzame episodes. Zoals veel van Dvořáks muziek klinkt deze niet alsof ze in een bedompt zolderkamertje is ontstaan. De componist verbleef het liefst in zijn zomerhuis in Vysoká waar hij graag de bosrijke omgeving verkende en naar de vogels luisterde. Dichtbij bevond zich een dorpskroeg waar hij placht te kletsen met dorpelingen. Aan dit alles moest hij vele jaren later voortdurend denken tijdens zijn verblijf in de Verenigde Staten. Dáár heeft hij zich geen moment thuis gevoeld.  

Biografie

Janine Jansen, viool

In oktober 1999 stond Janine Jansen in de als Rising Star en in mei 2000 in de serie Jonge Nederlanders. In 2003 verscheen haar debuut-cd, richtte ze haar Internationaal Kamermuziek Festival Utrecht op én won ze de Nederlandse Muziekprijs. Het jaar erop maakte ze een dubbel debuut bij het Concertgebouworkest, waar ze meermaals terugkeerde en in 2020/2021 artist in residence was.

Die positie heeft ze in het huidige seizoen bij de Berliner Philharmoniker. Het Swedish Radio Symphony Orchestra presenteert haar dit seizoen bovendien als ‘artist in focus’. Seizoen 2025/2026 behelst ook tournees met het Concertgebouworkest en Klaus Mäkelä, met het London Symphony Orchestra en Antonio Pappano en met het Tonhalle-­Orchester Zürich en Paavo Järvi, en met de Camerata Salzburg reisde Janine Jansen naar Azië.

recitals met Martha Argerich en Mischa Maisky zijn er dit seizoen in Wenen, Luzern en Tokio, en duorecitals met Denis Kozhukhin of Sunwook Kim in Azië en Europa. Janine Jansen kreeg onder meer de Concertgebouw Prijs (2013) en de Johannes Vermeer Prijs (2018). Ze groeide op in een muzikaal gezin, studeerde bij Coosje Wijzenbeek, ­Philipp Hirshhorn en Boris Belkin en geeft sinds november 2023 les aan de Kronberg Academy.

De violiste bespeelt de ‘Shumsky-­Rode’-Stradivarius uit 1715. Haar vorige optreden in de Eigen Programmering was op 11 september 2024 De vier jaargetijden van Vivaldi met Amsterdam Sinfonietta, en op 14 augustus 2025 stond ze samen met het Concertgebouworkest en Klaus Mäkelä voor het laatst in de .

Antonio Pappano, piano

Antonio Pappano is artistiek leider van het Royal House Covent Garden sinds 2002 en chef- van het London Symphony Orchestra sinds 2024. Bij het orkest van het Orchestra ­dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia in Rome nam hij in 2023 na achttien jaar afscheid als muzikaal leider.

Antonio ­Pappano is een veelgevraagd gastdirigent bij ’s werelds beste orkesten, creëert als dirigent én als pianist een ­gestage stroom cd- en dvd-opnamen, en werkt mee aan programma’s voor de BBC, waarbij zijn introducties tot Italiaanse opera en Wagners Der Ring des Nibelungen een speciale vermelding verdienen.

Antonio Pappano werd in 1959 in Londen geboren als kind van Italiaanse ouders. Toen hij dertien was, verhuisde het gezin naar de Verenigde Staten, waar hij piano, compositie en directie ­studeerde. Door zijn werk als repetitor en assistent-­­ bij ­diverse ­huizen ontwikkelde hij zich al gauw tot een begenadigd opera­dirigent. Antonio Pappano leidde producties van onder andere de New York City Opera, de Lyric Opera of Chicago en de Bayreuther Festspiele.

Zijn eerste vaste aanstelling als operadirigent was aan de Opera in Oslo, gevolgd door De Munt in Brussel. In 2004 debuteerde Antonio Pappano bij het Concertgebouworkest en hij keerde daarna regelmatig terug. Een van de memorabele samenwerkingen was het Prinsengrachtconcert in 2013. In mei 2019 leidde hij het orkest in BerliozGrande messe des morts. Bij de meest recente samenwerking, in januari 2025, dirigeerde hij Berlioz’ Symphonie fantastique en Jake Heggies Camille Claudel: Into the Fire met mezzosopraan Joyce DiDonato.

Chamber Orchestra of Europe, orkest

Het Chamber Orchestra of Europe werd in 1981 opgericht door musici die elkaar kenden van het European Union Youth Orchestra; dertien van hen maken tot op heden deel uit van het ongeveer zestig musici tellende ledenbestand. Wijlen de en Claudio Abbado en Nikolaus Harnoncourt drukten een stevig stempel op de ontwikkeling van het orkest.

Het gezelschap speelt tegenwoordig in zalen als de Philharmonie in Parijs, de Kölner Philharmonie, het Festspielhaus in Baden-Baden en de Philharmonie Luxemburg, op het festival van Luzern en incidenteel ook in de Verenigde Staten en het Verre Oosten.

Het Chamber Orchestra of Europe onderhoudt nauwe banden met de ereleden Bernard Haitink, Yannick Nézet-Séguin en András Schiff. In het lopende concertseizoen werkt het samen met musici als Pierre-Laurent Aimard, Janine Jansen, Leonidas Kavakos, Antonio Pappano, Nikolaj Szeps-Znaider en Robin Ticciati.

Het Chamber Orchestra of Europe nam meer dan 250 werken op en werd voor zijn discografie bekroond met onder meer twee Grammy Awards en drie Gramophone Record of the Year Awards. Een deel van de opnames komt uit op het eigen label COE Records. Als onderdeel van een uitgebreid educatief programma werd in 2009 de COE Academy opgericht. Het Chamber Orchestra of Europe wordt ondersteund door de Gatsby Charitable Foundation en door een aantal andere donateurs.

Het vorige optreden van het orkest in de Eigen Programmering van Het Concertgebouw was in juni 2018 met Leonidas Kavakos, die daarbij optrad als vioolsolist en als .