Jaap van Zweden dirigeert Mahler 7 bij het Concertgebouworkest
Koninklijk Concertgebouworkest
Jaap van Zweden dirigent
Dit concert maakt deel uit van de serie B.
Lees ook het achtergrondverhaal: 'Ooren dat hij heeft, - ooren!', over Mahler als dirigent bij het Concertgebouworkest
Beluister Mahlers Zevende symfonie:
Gustav Mahler (1860-1911)
Zevende symfonie (1904-05)
Langsam (Adagio) - Allegro risoluto ma non troppo
Nachtmusik: Allegro moderato
Scherzo: Schattenhaft
Nachtmusik: Andante amoroso
Rondo-Finale: Allegro ordinario
er is geen pauze
einde ± 21.40 uur
Toelichting
Gustav Mahler 1860-1911
Zevende symfonie
Door Jos van der Zanden
Dat Alma Mahler na de dood van haar man de kolossale van diens Zevende symfonie cadeau deed aan het Concertgebouworkest, mag niet verbazen. Geen andere Europese stad was de componist zo dierbaar geweest als Amsterdam, dat hij welgemeend zijn tweede thuishaven noemde.
Keer op keer was hij er met open armen ontvangen, door Willem Mengelberg, door het orkest, door Alphons Diepenbrock, en door tal van Mahlerianen die in het laatromantische maar hoogst originele idioom van de meester iets van blijvende waarde herkenden, in weerwil van avant-gardistischer stromingen die zich aandienden. Persoonlijke verhoudingen speelden vanzelfsprekend ook een rol.
Na bijna een eeuw mag een historicus de ogen niet sluiten voor het feit dat Het Concertgebouw in belangrijke mate gerund werd door personen van joodse origine, die zich juist om die reden met de componist verbonden voelden. Met een ronduit antisemitische pers in Wenen was Amsterdam voor Gustav Mahler een verademing. Voorop stond voor muzikaal Amsterdam natuurlijk het onvergelijkelijke meesterschap van de componist, zijn vermogen om een klankenspectrum te ontvouwen dat te evenaren noch te imiteren was.
Ook de huidige muziekliefhebber heeft gewoonlijk aan enkele seconden genoeg om het karakterieke Mahlergeluid te herkennen. Dat geldt ook voor de Zevende symfonie – anderhalf uur bonte kleurenpracht vormgegeven in een langgerekte tocht van een duister b klein naar een stralend C groot, met onderweg tal van wonderlijke vergezichten en ontmoetingen. Je weet bij Mahler nooit welke kant het op zal gaan, waar de schielijke harmonische overgangen, schurende vlakken en hevige contrasten toe zullen leiden. Feitelijk is alleen het een constante: in elk van de vijf delen heerst op dat vlak herkenbaarheid. Soms breekt zelfs het dansante door. De Weense bijvoorbeeld, maar dan in parodie, of de zwierige Ländler van een rokerig cafézaaltje. Nu eens is er een Richard Strauss-achtige olijke knipoog, dan weer kan vanuit het niets een mandoline opduiken, een gitaar, of een klagend solo-instrument dat met de tutti-spelers wedijvert.
Na de ‘tragische’ Zesde symfonie, met zijn hamerslagen in de Finale, keert in de Zevende het leven – en de levenslust – terug. Dat gaat echter niet zonder slag of stoot. De Zevende laat zich nog het beste kenschetsen als een louteringsproces. Met het op een langzame treurmars lijkende begin knoopt de symfonie aanvankelijk bij haar voorganger aan. Volgens een anekdote zouden de ritmische motieven en de sfeer geïnspireerd zijn door de roeiers tijdens een overtocht van Krumpendorf in de Dolomieten naar Mahlers woonplaats Maiernigg.
Het openingsdeel werd het laatst voltooid en is het meest doorwrocht. Toch is het muzikale materiaal in het deel heel beperkt, Mahler gaat er economisch mee om. Een paar motieven slechts bepalen de muziek, nu eens zangerig, dan weer ironisch-koddig of doldwaas-uitbundig. Na ongeveer tien minuten klinkt een omslagpunt, bij een signaal. Na momenten van etherische verstilling neemt ‘openbaringsmuziek’ – waarbij muzikale conflicten en dramatiek plaats maken voor opperste transparantie en – het over: een lange eindspurt naar een . Twee delen ‘Nachtmusik’ in gematigd tempo omsluiten een kerndeel (). Het zijn niet bepaald -achtige idyllen. Het eerste opent met een fascinerend stukje blazerscontrapunt, bijna (Mengelberg beweerde dat Rembrandts Nachtwacht er model voor stond). De tweede ‘avondmuziek’ opent dansant, maar wordt steeds grilliger.
De symfonie kent geen extramuzikaal programma, maar de sfeer is opvallend pastoraal. In het centrale Scherzo (met de aanduiding ‘Schattenhaft’: schemerig, schimmig) komt de Weense wals in macabere gedaanten voorbij, met een folkloristisch in het gedeelte. In de reprise van dit deel implodeert de muziek bijna en dreigt te vervallen tot flarden. De grootse finale maakt de symfonie perfect symmetrisch, maar het uitgebreide, onstuimige deel heeft niet het raffinement van het openingsdeel. Er zijn citaten van Richard Wagner en Franz Léhar ingevlochten en hier en daar wordt het banale dicht benaderd (bijvoorbeeld met aandoende figuren) zonder dat sprake is van persiflage.
In 1909 klonk deze muziek voor het eerst in Nederland, zowel in Amsterdam als Den Haag, met de componist zelf in een hoofdrol. Een week lang had Mengelberg op het werk gebuffeld met zijn orkest. Hoe de repetities verliepen, kunnen we opmaken uit uitspraken van meerdere oud-orkestleden (zie pagina 58). Mede dankzij de voorbereiding en aanwezigheid van Mengelberg resulteerde het in een succes; Mahler triomfeerde als .
In Den Haag verliep het zorgelijker. Ook een wandeling bij Scheveningen kon Mahlers chagrijn daarover niet wegnemen. Hij besloot derhalve dat dit zijn laatste bezoek was geweest aan Nederland. Reikhalzend keek hij uit naar het moment dat hij weer in de trein kon stappen, ook al omdat hij een flinke kou had gevat. Bij het afscheid vergat hij niet Mengelberg en zijn vrouw Tilly hartelijk te bedanken voor de gastvrijheid die hem was geboden in hun woning aan de Van Eeghenstraat. Hij deed dat met een gedichtje, dat hij ter plekke verzon:
Ich lob’ mir Hotel Mengelberg,
das sicher ist der Engel Werk,
damit ein armer Musikant
findt’ manches Mal der Heimath Land.
Biografie
Koninklijk Concertgebouworkest, orkest
Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouworkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande en en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.
Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concertgebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.
Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende en zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Haitink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.
Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, fondsen en donateurs wereldwijd.
Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest
Jaap van Zweden, dirigent
Jaap van Zweden is music director van het Seoul Philharmonic Orchestra sinds 2024; daarvoor stond hij aan het roer van het Hong Kong Philharmonic Orchestra en de New York Philharmonic. In september 2026 wordt hij chef- van het Orchestre Philharmonique de Radio France, waarmee hij afgelopen oktober al in de stond. Jaap van Zweden studeerde bij onder anderen Davina van Wely.
Na het winnen van het Nationaal Vioolconcours ‘Oskar Back’ in 1977 vertrok hij, zestien jaar oud, naar New York om verder te studeren aan de Juilliard School of Music. In 1979 werd hij concertmeester van het Concertgebouworkest, met negentien jaar de jongste uit de geschiedenis. In 1997 verruilde Jaap van Zweden zijn strijkstok definitief voor de baton.
Hij vervulde chef-schappen bij het Orkest van het Oosten, het Residentie Orkest en de Filharmonie in Antwerpen, en was chef-dirigent en artistiek leider van het Radio Filharmonisch Orkest. Na zijn benoeming tot chef-dirigent van het Dallas Symphony Orchestra in 2008 – een functie die hij tot 2018 vervulde – nam zijn carrière een internationale vlucht. Hij leidde vooraanstaande orkesten als het Chicago Symphony Orchestra, het London Philharmonic Orchestra en de Berliner Philharmoniker.
Met het Hong Kong Philharmonic Orchestra nam hij Wagners Der Ring des Nibelungen integraal op cd op. Onder zijn talloze bejubelde opnamen bevinden zich ook de complete symfonieën van Beethoven en Brahms en Wagners Parsifal, waarvoor hij in 2012 een Edison in ontvangst mocht nemen. Door Musical America werd hij in dat jaar gehuldigd als Conductor of the Year.
Jaap van Zweden stond voor het eerst in 1998 als dirigent voor het Concertgebouworkest en is met grote regelmaat te gast, zoals in januari 2023 met werken van Wagner en Clyne. In oktober 2023 verscheen zijn biografie Dat is Jaap, opgetekend door Peter van Ingen; dat jaar kreeg hij ook de Concertgebouw Prijs.
Lees ook het interview met Jaap van Zweden uit mei 2018: 'Elke dag als ik opsta en de ligt voor me, denk ik: wat is dit een feest'

