Het London Symphony Orchestra speelt Sibelius
London Symphony Orchestra
Michael Tilson Thomas dirigent
Ray Chen viool
pauze ca. 20.50 uur
einde ca. 22.05 uur
Dit concert maakt deel uit van de serie Wereldberoemde Symfonieorkesten.
Jean Sibelius 1865-1957
Vioolconcert in d kl.t., op. 47 (1903-05)
Allegro moderato
Adagio di molto
Allegro ma non tanto
pauze
Zesde symfonie in d kl.t., op. 104 (1923)
Allegro molto moderato
Allegretto moderato
Poco vivace
Allegro molto
Zevende symfonie in C gr.t., op. 105 (1924)
Adagio – Un pochettino meno adagio – Poco rallentando al adagio – Presto – Poco a poco rallentando al adagio
Toelichting
Jean Sibelius 1865-1957
Vioolconcert
Door Michiel Cleij
Voordat hij naam maakte als componist wilde Sibelius violist worden. Jarenlang joeg hij dat doel na; het verbaast dan ook dat hij slechts één vioolconcert componeerde, al maakte hij op latere leeftijd wel schetsen voor een tweede. Achteraf beschouwde Sibelius zijn vioolambities als verspilde tijd.
‘Helaas wilde ik per se een beroemd violist worden’, zei hij in een interview. ‘Vanaf mijn vijftiende speelde ik de hele dag. Aan pen en inkt had ik een hekel, ik wilde alleen maar die elegante strijkstok vasthouden. Uiteindelijk moest ik toegeven dat ik te laat was begonnen om nog solist te worden. Dat was heel pijnlijk.’
Zijn hoop op een podiumcarrière had Sibelius al lang opgegeven toen hij het Vioolconcert componeerde. Mogelijk had hij zelfs nooit zo’n stuk overwogen als anderen daarop niet hadden aangedrongen. Het succes van de vioolconcerten van Johannes Brahms, Antonín Dvořák en Pjotr Illjitsj Tsjaikovski deed zowel het publiek als internationaal opererende vioolvirtuozen naar meer verlangen.
Hoewel Sibelius op dat moment met geldzorgen en een niet misse drankzucht kampte, zwichtte hij niet voor de verleiding om de werken van de genoemde favorieten als model te nemen. Evenals in zijn twee reeds voltooide symfonieën gaf hij een eigen invulling aan het genre. De viool neemt in de openingsmaten het orkest op sleeptouw in een rapsodie-achtig betoog, en zwerft twee delen lang mijmerend rond in een landschap van orkestrale jes en kleurvlakken. Pas in de volksdansachtige finale voegen de ’s zich meer naar vaste patronen.
Een eerste versie bleek bij uitvoering niet aan te slaan; Sibelius zelf was er ook niet gelukkig mee en maakte een ingrijpende revisie. De wijzigingen golden vooral de solopartij, waaruit heel wat virtuositeit en bombast werd geschrapt. Maar Sibelius handhaafde zijn experimentele, quasi-improvisatorische benadering, wetende dat hij daarmee het meeste recht deed aan de expressieve thema’s van de delen één en twee. De beginmelodie van de viool, schreef Sibelius-biograaf Robert Layton, was zelfs zó effectief ‘dat de rest van het werk er nauwelijks aan kan tippen’. Als hij gelijk had was dit echter nooit één van de meest gespeelde vioolconcerten ooit geworden.
De mftocht van dit wonderlijke, eigenzinnige concert begon in 1905 in Berlijn waar Richard Strauss de première van de herziene versie dirigeerde – en als uithangbord fungeerde, want de naam van de componist alleen was niet genoeg om veel publiek te mobiliseren. Het heeft resultaat gehad.
Jean Sibelius 1865-1957
Sibelius: Zesde en Zevende symfonie
Door Michiel Cleij
Sibelius’ symfonieën vormen een wonderlijke archipel in het orkestrepertoire: zeven afgelegen eilanden die veel met elkaar, maar weinig met de wereld eromheen te maken lijken te hebben – al neigen de eerste twee soms nog naar Tsjaikovski en hebben de latere in hun trage bewegingen iets Bruckner-achtigs.
Anders dan zijn symfonische gedichten hebben ze geen titels, geen onderliggend verhaal en geen duidelijk vlagvertoon. Maar ze zijn wel zó expressief dat je je voortdurend afvraagt wat iemand bezielt die zulke noten schrijft. Je kunt er emotionele pieken en dalen in horen, corresponderend met diverse stadia van zijn leven – de Vierde symfonie getuigt van een diepe depressie, de Vijfde symfonie van hernieuwde levenslust etcetera – en Sibelius zelf benadrukte dat het uitgestrekte Finse landschap een belangrijke inspiratiebron was.
‘Terwijl andere moderne componisten bonte cocktails serveren is mijn Zesde symfonie puur bronwater’
Concreter dan dat wordt het nooit. Sibelius’ symfonieën zijn wat je er als luisteraar van maakt, en daartoe krijg je veel intrigerend materiaal aangereikt. Abrupte stemmingswisselingen, vogelachtige klanken, verstilling, passages die als volkslied-citaten klinken maar het niet zijn, (quasi-)religiositeit, het komt allemaal voorbij zonder zich eenduidig te identificeren.
Dat de muziek zoveel associaties oproept volgt rechtstreeks uit de betoogtrant. De traditionele lapte Sibelius volledig aan zijn laars. In plaats daarvan jongleert hij met korte jes die geleidelijk aan betekenis winnen: ze dijen uit, duiken op in een nieuwe context, gaan onderlinge relaties aan en worden steeds anders geïnstrumenteerd – met het fascinerende effect dat de muziek onvoorspelbaar klinkt maar wél duidelijke samenhang vertoont.
Die is trouwens één van Sibelius’ sterkste troeven: je herkent zijn werk vaak aan het kale lijnenspel van de strijkers (met opvallende partijen voor contrabassen en ’s) en de voorrang die boven koperpartijen krijgen.
‘Zoals altijd ben ik een slaaf van mijn ’s en onderwerp ik me aan hun eisen’, schreef Sibelius aan zijn vriend Axel Carpelan toen hij aan de Zesde symfonie werkte (en gelijktijdig aan de Zevende én aan een nooit gerealiseerd nieuw vioolconcert; de thema’s zouden zelf wel aangeven waar ze zich het meest thuisvoelden).
Van de afwijkende plaats die hij in het Europese muziekleven innam was hij zich terdege bewust. ‘Terwijl andere moderne componisten bonte cocktails serveren is mijn Zesde symfonie puur bronwater’, verklaarde hij trots. Inderdaad is geen van de symfonieën zo helder als deze: de ën hebben een Renaissance-achtige soberheid (door sommigen in verband gebracht met zijn waardering voor Palestrina), de instrumentatie is transparant en de sfeer op het lichtvoetige af – maar ook hier ontbreken de typische bokkige wendingen en stemmingswisselingen niet.
Met de Zevende symfonie bereikte Sibelius een ideaal dat Robert Schumann al voor ogen stond: het schrijven van een ééndelige symfonie waarin alle thema’s organisch met elkaar vergroeid zijn. Dat het een eendelig werk zou worden – het is nauwelijks te horen waar een sectie eindigt en een nieuwe begint – was geen vooropgezet plan.
Het werd afgedwongen door het materiaal: al componerend raakten de thema’s en motieven steeds nauwer met elkaar verstrengeld. Opmerkelijk is de tijdloosheid die het stuk uit lijkt te stralen: vaak hoor je verschillende tempi gelijktijdig, wat het beeld oproept van lichamen die elk met een eigen snelheid om een centraal punt bewegen.
Al ten tijde van de Vijfde symfonie schreef Sibelius aan Carpelan: ‘Het is duidelijk hoezeer ik innerlijk ben veranderd. Mijn nieuwste werken drukken geloof uit – meer dan mijn eerdere.’ Het quasi-religieuze begin van de Zevende wijst inderdaad in die richting, evenals het nadrukkelijke C-groot- waarmee de symfonie eindigt – opmerkelijk gezien de aanhoudende politieke onrust in Finland (‘mijn arme land!’) op dat moment, en al even ongewoon in het licht van de revolutionaire muziek die elders in Europa gecomponeerd werd – om nog te zwijgen van de huwelijksellende die zijn aanhoudende gezuip veroorzaakte. Maar een ongecompliceerd, vrolijk stuk is het ook niet echt; het heeft een vreemd soort pathos dat voortdurend tussen optimisme en tragiek lijkt te schipperen.
Sibelius liet zich er zelf even geheimzinnig als melodramatisch over uit: tijdens de totstandkoming voelde hij zich ‘alsof ik op het punt stond uit het leven te stappen en tijdens de afdaling in het graf een vliegende adelaar neerschoot, met een welgemikt schot, zonder ook maar een moment te denken aan mijn eigen dreigende ondergang.’
Biografie
London Symphony Orchestra, orkest
Het London Symphony Orchestra bestaat sinds 1904 en musiceerde in de eerste jaren van zijn bestaan onder leiding van Hans Richter. Al in 1905 tourde het orkest door Groot-Brittannië met nieuwe muziek van Edward Elgar, die zelf dirigeerde, en in 1906 reisde het voor het eerst naar Parijs.
Onder de latere chef-dirigenten waren Thomas Beecham, Willem Mengelberg (1930-31), Pierre Monteux, André Previn, Claudio Abbado, Colin Davis en Valery Gergiev. Sinds september 2017 staat Simon Rattle aan het hoofd van het gezelschap; in oktober 1977, op 22-jarige leeftijd, stond hij voor het eerst bij het London Symphony Orchestra op de bok. Gianandrea Noseda en François-Xavier Roth zijn vaste gastdirigent en Michael Tilson Thomas (chef-dirigent 1988-1995) is eredirigent.
Het London Symphony Orchestra heeft sinds 1982 zijn thuisbasis in de Barbican Hall, waar het zo’n 70 concerten geeft per seizoen. Daarnaast heeft het residencies in Lincoln Center in New York, de Philharmonie de Paris en Suntory Hall in Tokio en tourt het geregeld naar het Verre Oosten, Noord-Amerika en de Europese hoofdsteden.
Het London Symphony Orchestra maakte in de loop der jaren vele succesvolle lp- en cd-opnamen, sinds 2000 ook vaak uitgebracht op het eigen label LSO Live. In Het Concertgebouw was het orkest voor het laatst te beluisteren toen het in mei 2018 een Sibelius-programma verzorgde onder leiding van Michael Tilson Thomas en met violist Ray Chen.
Een geplande uitvoering van Mahlers Zesde symfonie onder leiding van Simon Rattle afgelopen mei kon niet doorgaan vanwege de pandemie. Vanaf september 2024 is Antonio Pappano de nieuwe chef- van het London Symphony Orchestra.
Michael Tilson Thomas, dirigent
Michael Tilson Thomas sluit aan het einde van het huidige concertseizoen zijn vijfentwintig jaar durende leiderschap bij de San Francisco Symphony af. Hij wist in die lange periode de kwaliteit van en internationale erkenning voor het orkest tot grote hoogte op te stuwen.
Orkest en gingen herhaaldelijk op tournee door de Verenigde Staten, Europa en Azië. Naast zijn werk met de San Francisco Symphony is Michael Tilson Thomas ook eredirigent van het London Symphony Orchestra en artistiek leider en oprichter – in 1987 – van de New World Symphony, een orkestacademie in Miami, waar jonge musici ervaring kunnen opdoen.
De studeerde aan de University of Southern California in zijn geboortestad Los Angeles, werkte met Stravinsky, Boulez, Stockhausen en Copland en begeleidde als pianist Gregor Piatigorsky en Jascha Heifetz. Bij het Boston Symphony Orchestra werd hij assistent-dirigent en later eerste gastdirigent. Eenzelfde positie verkreeg hij bij het Los Angeles Philharmonic Orchestra.
Chef-dirigent was Michael Tilson Thomas van het Buffalo Philharmonic Orchestra en het London Symphony Orchestra. Tal van andere Amerikaanse en Europese orkesten engageerden hem als gastdirigent: zo stond hij bij het Concertgebouworkest voor het eerst op de bok in 1980. Naast zijn podiumcarrière is Michael Tilson Thomas ook componist; de San Francisco Symphony voerde meerdere van zijn werken uit.
Ray Chen, viool
Ray Chen werd in 1989 geboren in Taipei en groeide op in Australië. Op zijn vijftiende werd hij aangenomen aan het Curtis Institute of Music in Philadelphia, waar hij studeerde bij Aaron Rosand. In 2008 won hij de Menuhin Competition en in 2009 de Koningin Elisabethwedstrijd. Zijn debuutalbum,Virtuoso (2011), werd bekroond met een Echo Klassik.
De afgelopen jaren werd Ray Chen als solist geëngageerd door bijvoorbeeld het London Philharmonic Orchestra, het National Symphony Orchestra in Washington, het Gewandhausorchester Leipzig, het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks, het Orchestre National de France, de Filarmonica della Scala, het Orchestra Nazionale della Santa Cecilia en de orkesten van Los Angeles, San Francisco en Pittsburgh. Hij werkte met en als Riccardo Chailly, Vladimir Jurowski, Sakari Oramo, Manfred Honeck, Daniele Gatti en Kirill Petrenko.
In het huidige concertseizoen is hij focusartiest van het Rundfunk-Sinfonieorchester Berlin. Forbes nam de violist op in zijn lijst van dertig meest invloedrijke Aziaten onder de 30, en een meerjarige overeenkomst met Giorgio Armani leidde ertoe dat deze de cover ontwierp van zijn Mozart-cd met Christoph Eschenbach. Ray Chen bereikte een groot publiek met optredens bij evenementen als de BBC Proms, het Nobelprijs Concert in Stockholm en de nationale viering van Quatuorze Juillet in Parijs in 2015.
In april van dat jaar debuteerde de violist in de van Het Concertgebouw en tijdens de Robeco SummerNights 2017 keerde hij terug voor een uitvoering van het Vioolconcertvan Mendelssohn in de . Ray Chen heeft van de Nippon Music Foundation de ‘Joachim’-Stradivarius uit 1715 in bruikleen, die eigendom is geweest van de legendarische violist Joseph Joachim (1831-1907).
Jean Sibelius, componist
Jeugd en opleiding
Jean Sibelius wordt in 1865 in Hämeenlinna geboren als 'Johan Sibelius' in een Zweedstalige Finse familie. Hij verliest zijn vader op zijn derde en wordt opgevoed door zijn moeder, grootmoeder en tante.
Zijn oom Pehr, een amateurviolist, stimuleert zijn prille muziekliefde. Sibelius stort zich als tiener op vioolspel en droomt van een solocarrière. Als hij in 1882 van zijn tante Evelina een compositiehandboek krijgt (dat al lang op zijn verlanglijstje stond, maar 'ongelofelijk duur' was) neemt zijn interesse in compositie toe.
Rond zijn twintigste schrijft hij zijn eerste composities, waaronder Vattendroppar, en neemt hij de naam 'Jean' aan. Een studie rechten aan de universiteit van Helsinki houdt hij maar één jaar vol. In Helsinki wordt hij vervolgens compositieleerling van Martin Wegelius en (in zijn laatste jaren in Helsinki) Ferruccio Busoni.
Deceptie en zoektocht naar een eigen stijl
In 1889 ontmoet Sibelius de gebroeders Järnefelt, die een belangrijke rol hebben in de Finse en Zweedse cultuur. Finland is op dat moment moment een 'Grootvorstendom', geregeerd door Rusland, en het toneel van een taalstrijd: inwoners spreken gedeeltelijk Zweeds en Fins.
De broers Järnefelt openen Sibelius de ogen voor Finse geschiedenis en de Kalevala, het nationale epos. Sibelius wordt verliefd op hun zus Aino, zijn toekomstige echtgenote.
Na afronding van zijn studie bij Wegelius ontvangt Sibelius een stipendium om zijn compositiestudie voort te zetten in Berlijn, bij Albert Becker. Becker − volgens Sibelius 'saai en conservatief van top tot teen' − demotiveert de jonge, ambitieuze componist door hem een 'dieet' van Bach-'s en voor te schrijven. Gefrustreerd grijpt Sibelius naar de drank: het begin van een levenslange alcoholverslaving
Sibelius' verblijf in Wenen in 1891, opnieuw mogelijk gemaakt door een Fins stipendium, markeert een kantelpunt in zijn carrière. Hier hoort hij Anton Bruckners Derde symfonie en krijgt hij interesse in orkestcompositie. Ook een uitvoering van Richard Wagners Siegfried maakt grote indruk.
Ondertussen verlooft hij zich heimelijk met de pro-Finse Aino, en hoewel Sibelius nog altijd met haar correspondeert in het Zweeds ('dan duurt het tenminste niet vijf minuten om ieder woord op te schrijven') krijgt de Finse cultuur steeds meer van zijn aandacht. De eerste zin uit het Zweedstalige Drömmen lijkt geinspireerd op traditionele Finse ën.
Een politieke rol als nationale held
Nog in Wenen neemt Sibelius zich voor aan een vijfdelig symfonisch gedicht met de naam Kullervo te beginnen. Terug in Finland dompelt hij zich onder in zijn nieuw uitgevonden Fins-nationalistische imago. Hij bezoekt volksdichter en zangeres Larin Paraske en maakt een pelgrimstocht naar Karelia, een regio die wordt gepromoot als thuishaven van authentieke Finse muziek en poëzie.
In deze periode rondt Sibelius Kullervo af, en het stuk beleeft een succesvolle première. Nieuwe composities als De zwaan van Tuonela, de 'Lemminkäinen'- en het symfonisch gedicht Finlandia maken hem in korte tijd populair in zijn vaderland. Als ‘nationale componist’ krijgt Sibelius vanaf 1897 wederom een jaarlijks staatsstipendium.
‘Maar heel weinig mensen begrijpen wat ik heb gedaan en wil doen op het gebied van de symfonie.’
Sibelius in zijn dagboek, 1943
De bloei van carrière van Sibelius loopt parallel aan een toenemende politieke druk vanuit Rusland. Tsaar Nicolaas II geeft in 1898 de opdracht tot 'Russificatie' van de Finse bevolking. Het stuk Finlandia wordt vervolgens symbool van de Finse vrijheidsstrijd. Ook Sibelius' eerste twee symfonieën worden beschouwd als onderdeel van zijn militante, pro-Finse houding.
In deze periode maakt Sibelius ook naam in de rest Europa, waar hij in verschillende hoofdsteden (Kopenhagen, Berlijn, Parijs) zijn eigen muziek dirigeert. Ondertussen drinkt en rookt hij, en verkwist hij zijn geld.
Na 1900 gaat Sibelius steeds meer gebukt onder zijn tegenstrijdige ambities: het streven naar zowel originaliteit als acceptatie, het streven naar zijn regionale roem in Finland en tegelijk het veiligstellen van zijn Europese reputatie als modernist. Hij probeert die twee ambities op één lijn te brengen in zijn latere symfonieën.
De 'stilte van Järvenpää'
Samen met Aino vestigt hij zich in een nieuwgebouwd landhuis bij Järvenpää, nabij Helsinki. De natuur daar wordt een belangrijke inspiratiebron. Als bij hem keelkanker geconstateerd wordt is hij doodsbang, maar na een geslaagde operatie rookt en drinkt hij als vanouds verder.
Sibelius gaat vanaf 1919 met een kaalgeschoren hoofd door het leven, om zijn koele, sfinx-achtige imago te benadrukken. Hij treedt nog een paar keer op als en werkt gelijktijdig aan zijn Zesde en Zevende symfonie.
Na het symfonisch gedicht Tapiola uit 1926 begint ‘De stilte van Järvenpää’: tot zijn dood dertig jaar later voltooit Sibelius geen nieuwe werken meer. Nazi-Duitsland vereert hem als typisch Arische componist, tot zijn onmin. Schetsen voor de lang verwachte Achtste symfonie verbrandt hij rond 1945. Sibelius overlijdt in 1957 in Järvenpää.





