Het Koor van De Nationale Opera zingt Verdi’s Requiem

Koor van De Nationale Opera
Ching-Lien Wu koordirigent (instudering)
Nederlands Philharmonisch Orkest
Marc Albrecht dirigent
Krassimira Stoyanova sopraan
Sonia Ganassi mezzosopraan
Saimir Pirgu tenor
Vitalij Kowaljow bas

Giuseppe Verdi 1813-1901

Messa da Requiem (1874)
voor sopraan, alt, tenor, bas, koor en orkest

Requiem en Kyrie
Sequens: Dies irae
Offertorio: Domine Jesu Christe
Sanctus
Agnus Dei
Lux aeterna
Libera me

er is geen pauze

zangteksten gratis verkrijgbaar aan de zaal

Toelichting

Giuseppe Verdi: 1813-1901

Messa da Requiem (1874)

Giuseppe Verdi geloofde niet in God. In 1872 schreef zijn vrouw Giuseppina Strepponi aan een bevriende arts dat haar man zo niet atheïst, dan toch weinig gelovig was. Als zij sprak over Gods wonderen, lachte hij haar in haar gezicht uit: ‘Je bent gek!’ Verdi was antiklerikaal in weerwil van zijn diepgelovige echtgenote. Hoe is hij er dan toe gekomen een Messa da Requiem te componeren, de rooms-katholieke mis voor de overledenen? Hij vatte het plan op toen in 1868 Gioacchino Rossini stierf, het boegbeeld van de Italiaanse . Dertien Italiaanse componisten zouden ieder een deel van de dodenmis op muziek zetten om diens nagedachtenis te eren. Verdi tekende zelf voor het laatste deel, het ‘Libera me’. De componisten deden hun werk, maar door praktische problemen kwam het niet tot een uitvoering.

Een paar jaar later speelde Verdi al met de gedachte zelf een volledig requiem te vervaardigen, toen zich een geschikte aanleiding voordeed: de dood van Alessandro Manzoni in 1873. Zoals Rossini het boegbeeld van de Italiaanse muziekcultuur was, zo was de auteur van I promessi sposi de grote voorganger in het Risorgimento, het streven naar de eenwording van Italië, die pas in 1870 was bereikt. Met zijn historische roman had hij zijn landgenoten ertoe aangezet zich te bevrijden van de Oostenrijkse overheersing, precies zoals Verdi’s opera’s nationalistische gevoelens hadden aangewakkerd.
Verdi voltooide het werk in korte tijd zodat het precies een jaar na Manzoni’s dood onder zijn leiding kon worden uitgevoerd, op 22 mei 1874 in de San Marco te Milaan. Eerst was er met de aartsbisschop onderhandeld, want destijds mochten vrouwen niet in de kerk zingen. De vrouwelijke solisten gingen daarom gesluierd en droegen zwarte kleding. De dames van het koor eveneens, maar voor de zekerheid waren zij met een scherm aan het zicht onttrokken.
Daarna volgden drie uitvoeringen in de Milanese Scala en een internationale zegetocht onder leiding van de componist. Parijs, New York, opnieuw Parijs, Londen, zelfs Wenen werd aangedaan, in zekere zin het hol van de leeuw, het bolwerk van de eens gehate Oostenrijkse vijand. De uitnodiging van de keizer om in de Hofburg te logeren sloeg Verdi af. Bij de uitvoeringen was Franz Joseph I wel aanwezig, evenals Johannes Brahms, die zelf Ein deutsches Requiem had gecomponeerd en een diepe bewondering koesterde voor zijn Italiaanse collega. De naam van Manzoni ontbrak op de affiches, maar in cafés werden vrolijk gâteaux alla Verdi geserveerd.

Aan die kant van de Alpen was niet iedereen verrukt van het Requiem. De Hans von Bülow noemde het smalend een ‘Oper im Kirchengewande’ (een in kerkgewaad). Er zijn ook verbanden met opera’s. Zo is het ‘Lacrymosa’ gebaseerd op een duet dat voor de eerste versie van Don Carlos was gemaakt en bij de repetities in Parijs was gesneuveld. De sopraan en de mezzosopraan van de eerste bezetting waren Aida en Amneris in Aida (1871), op dat moment Verdi’s laatste opera. Toch is de muziek van het Requiem wezenlijk anders gestructureerd. Het drama komt voort uit contrasten, zoals in het clair-obscur van de schilderkunst.

De mis begint bijna stamelend, pianissimo en sotto voce. wijkt voor bij de woorden ‘lux perpetua’, zodat de hoop op het ‘eeuwige licht’ na de dood even opvlamt in de duistere stemming. Nadat het laatste ‘eleison’ van het ‘Kyrie’ is weggestorven, komen de klappen van het ‘’ des te harder aan in een huiveringwekkend visioen van het Laatste Oordeel, waarin de doden uit hun graven worden geroepen om voor de hoogste rechter te verschijnen.
Dit is veruit het langste deel met de meeste tekst: negentien strofen van drie versregels. De eerste zes strofen staan in de derde persoon alsof een verteller aan het woord is, de volgende in de ik-vorm. Deze individuele smeekbeden legt Verdi in de mond van de solisten, die als het ware een boog vormen: van de bas naar de hogere stemmen en terug. Ze worden twee keer onderbroken door een terugkeer van het explosieve ‘Dies irae’-. Dat houdt het beeld van de verschrikkelijke doemdag scherp en zorgt voor eenheid in het grote geheel.
Het ‘Sanctus’ is een complexe voor dubbelkoor in een swingend hoog tempo. Het is alsof Jesaja’s engelen niet alleen hun driewerf ‘Sanctus’ boven Jeruzalem zingen, maar daarbij ook dansen. Hiermee contrasteert de pure eenvoud van het volgende ‘Agnus Dei’, als een stille aanbidding van het Lam Gods dat de zonden van de wereld op zich heeft genomen.
Verdi vat alles samen in het afsluitende ‘Libera me’. Hij had dit in een eerste versie al gecomponeerd voor de Messa per Rossini, zodat hij eruit kon putten voor andere delen. De sopraan treedt in dialoog met koor en orkest. Samen met het wegstervende (‘morendo’) koor eindigt ze na alle hoog oplopende hartstochten met een stil gebed, als om de angst voor de dood te bezweren.

Eddie Vetter

Biografie

Koor van de Nationale Opera, koor

Het Koor van De Nationale is een beroepskoor waarvan de leden zich ook regelmatig solistisch laten horen. Naast het meer gangbare repertoire heeft het koor een aantal wereldpremières helpen realiseren. Spraakmakend was het optreden van het koor in grote producties als Saint François d’Assise van Messiaen, Les Troyens van Berlioz en Guillaume Tell van Rossini.

 Voor zijn aandeel in Schönbergs Moses und Aaron ontving het in 1996 de Prix d’Amis van de Vrienden van De Nationale Op­era. In 2016 riep het vakblad Opernwelt het Koor van De Nationale Op­era uit tot het beste koor.

In diverse producties werkte het koor samen met het Concertgebouworkest, meest recent in Moesorgski’s Boris Godoenov onder leiding van Vasily Petrenko in juni 2025. Van september 2014 tot april 2021 stond het koor onder artistieke leiding van Ching-Lien Wu; sinds 2022 is Edward Ananian-Cooper artistiek leider.

Nederlands Philharmonisch, orkest

Het Nederlands Philharmonisch speelt het grote symfonische repertoire in Het Concertgebouw, maar ook in vele andere concertzalen. Als het vaste orkest van De ­Nationale , samen met het Nederlands Kamerorkest, wordt het internationaal gerekend tot de beste operaorkesten. Het Nederlands Philharmonisch is in 1985 ontstaan uit het Utrechts Symfonie Orkest, het Nederlands Kamerorkest en het Amsterdams Philharmonisch Orkest.

Dat laatste was in 1953 opgericht door Anton Kersjes, die een nieuw publiek naar de concertzalen wist te trekken doordat hij wekelijks op tv te zien was en de ‘gouden ­meesterwerken’ uitvoerde. Vanaf 1985 was Hartmut Haenchen chef-dirigent. Hij werd in 2003 opgevolgd door Yakov Kreizberg, en na diens vroegtijdige overlijden in 2011 werd het chef-dirigentschap overgenomen door Marc Albrecht.

Zijn komst kwam een jaar voor de verhuizing van het orkest van de Beurs van Berlage naar de NedPhO-­Koepel in Amsterdam-Oost, waar de musici repeteren voor hun optredens. In 2020 nam Marc Albrecht na tien jaar afscheid van het orkest en per seizoen 2021/2022 werd Lorenzo Viotti chef-dirigent van zowel het Nederlands Philharmonisch als De Nationale .

Het vorige concert van het Nederlands Philharmonisch in de Eigen Programmering van Het Concertgebouw was op 20 juni jongstleden: onder leiding van André de Ridder bracht het orkest de Nederlandse première van Dream Requiem van Rufus Wainwright.

Marc Albrecht, dirigent

Marc Albrecht is sinds september 2011 chef- van het Nederlands Philharmonisch Orkest, het Nederlands Kamerorkest en De Nationale . Naast zijn vele optredens in Amsterdam leidde hij recentelijk producties aan de Oper Zürich, het Theater an der Wien en La Scala in Milaan.

Hij onderhoudt nauwe banden met bijvoorbeeld de Semperoper Dresden, de Deutsche Oper Berlin en de Bayerische Staatsoper München en was te gast bij het Royal Opera House Covent Garden in Londen, de operahuizen van Madrid, Brussel en Parijs en de festivals van ­Salzburg en Bayreuth. 

Marc Albrecht is ook een veelgevraagd concertdirigent en werd uitgenodigd door gezelschappen als de Staatskapelle Dresden, het Hallé Orchestra, de Berliner Philharmoniker, het City of Birmingham Symphony Orchestra, het Dallas Symphony Orchestra, het Tokyo Metropolitan Symphony Orchestra en het Orchestre National de France.

Al in zijn tiener­jaren begon Marc Albrecht zijn vader, George Alexander Albrecht, te assisteren bij ­repetities van ’s van Strauss en Wagner – leerjaren die hij voortzette als repetitor bij het operahuis van Hamburg.

In de vroege jaren van zijn carrière was Marc Albrecht assistent van Claudio Abbado bij het Gustav Mahler Jugend­orchester in Wenen en chef-dirigent van het Staatstheater Darmstadt (vanaf 1995) en het Orchestre Philharmonique de Strasbourg (vanaf 2006). Aan de piano vertolkt hij ook graag kamermuziek.

Krassimira Stoyanova, sopraan

De Bulgaarse sopraan Krassimira Stoyanova studeerde zang en viool in Plovdiv. Ze debuteerde in 1995 bij de Nationale van Sofia en was sindsdien te gast in de grote operahuizen van bijvoorbeeld Londen, Berlijn, Zürich, München, Barcelona, New York, Tokyo en Amsterdam.

Op de Salzburger Festspiele was ze voor het eerst te gast in 2003 en de Wiener Staatsoper eerde haar in 2009 met de titel ‘Kammersängerin’. Krassimira Stoyanova zingt frequent in het Requiem van Verdi, onder leiding van bekende en als Riccardo Muti, Zubin Mehta, Christian Thielemann, Daniel Barenboim, Daniele Gatti en Mariss Jansons.

Onder leiding van laatstgenoemde maakte Krassimira Stoyanova in 2006 haar debuut bij het Koninklijk Concertgebouworkest, in de Negende symfonie van Beethoven.

Krassimira Stoyanova maakte een aantal solo-cd’s; het album Slavic ’s uit 2011 kreeg onder meer een Preis der deutschen Schallplattenkritik en in 2014 verscheen haar derde cd, volledig gevuld met Verdi-aria’s.

Sonia Ganassi, mezzosopraan

Mezzosopraan Sonia Ganassi is afkomstig uit Reggio Emilia en studeerde zang bij Alain Billard. In 1992 maakte ze een belangrijk debuut, toen ze in het Teatro dell’ di Roma de rol van Rosina vertolkte in Rossini’s Il barbiere di Siviglia.

In 1999 won de zangeres de Premio Abbiati, een belangrijke Italiaanse muziekprijs. Sonia Ganassi is een terugkerende gast in tal van grote operahuizen, waaronder de Metropolitan Opera in New York, de Royal Opera Covent Garden in Londen, de Scala in Milaan en de Bayerische Staatsoper in München.

Ze musiceert met en als Riccardo Chailly, Myung-Whun Chung en Daniele Gatti. Van haar optreden in Verdi’s Messa da Requiem onder leiding van Antonio Pappano verscheen in 2009 een live-opname.

Naast haar werk als zangeres verzorgt Sonia Ganassi regelmatig s en zingt ze graag in vocaalsymfonisch repertoire. Hiervoor was ze te gast in bijvoorbeeld de Avery Fisher Hall in New York; in Het Concertgebouw was ze eerder te beluisteren in Stravinsky’s Pulcinella met het Koninklijk Concertgebouworkest onder leiding van Riccardo Chailly in de Kerstmatinee van 2002.

Saimir Pirgu, tenor

De carrière van de Italiaan Saimir Pirgu maakte na zijn conservatoriumopleiding een snelle start. In het afgelopen decennium groeide hij uit tot een gevierd zanger en werkte hij samen met en als Riccardo Muti, Antonio Pappano, Lorin Maazel en Daniele Gatti.

In recente seizoenen was de tenor te beluisteren in onder meer het Royal House Covent Garden, de Scala in Milaan en de Opéra National de Paris. Bij de Metropolitan Opera en de Los Angeles Opera zong hij in Puccini’s eenakter Gianni Schicchi onder regie van Woody Allen.

Saimir Pirgu werd ook geëngageerd door de huizen van bijvoorbeeld San Francisco, Wenen, Barcelona en Venetië. Daarnaast is hij een gewild solist in oratoria en vocaalsymfonisch repertoire; zo musiceerde hij met onder andere het Chicago Symphony Orchestra, het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks en de Wiener Philharmoniker.

In Het Concertgebouw was Saimir Pirgu in 2008 te beluisteren in een concertante Così fan tutte van Mozart door de Wiener Staatsoper.

Vitalij Kowaljow, bas

Puttend uit een breed repertoire van rollen trad de Zwitsers­-Oekraïense bas Vitalij Kowaljow in de afgelopen jaren op in tal van grote Europese theaters. Zo was hij onder meer te horen in het Royal Opera House Covent Garden, de Wiener Staatsoper, de Bayerische Staatsoper, de Scala in Milaan en de Opéra National de Paris.

In de Verenigde Staten maakte Vitalij Kowaljow zijn debuut met het Opera Orchestra of New York, als Baldassare in Donizetti’s La favorita. Sindsdien ontving hij uitnodigingen van de Metropolitan Opera in New York en van de operahuizen van Washington, San Francisco en Chicago.

In 2009 debuteerde de bas als Wotan en Der Wanderer in een nieuwe productie van WagnerDer Ring des Nibelungen van de Los Angeles . Tijdens een tournee van het Mariinski Theater in seizoen 2014/15 was Vitalij Kowaljow te beluisteren als Wotan in Wagners Die Walküre.

Zijn vorige optreden in Het Concertgebouw was in een concertante uitvoering van Tsjaikovski’s Iolanthe in november 2012, met in de titelrol Anna Netrebko.