Het Concertgebouworkest speelt Schuberts 'Grote' symfonie
Koninklijk Concertgebouworkest
Thomas Hengelbrock dirigent
Kersten McCall fluit
Dit concert maakt deel uit van de Serie Z
Het concert van zondag 24 maart wordt live uitgezonden door AVROTROS via NPO Radio 4.
Lees ook het interview met componiste Lotta Wennäkoski en Kersten McCall
Franz Schubert (1797-1828)
Ouverture ‘Alfonso und Estrella’, D 732 (1822)
Langsam (Adagio) - Allegro risoluto ma non troppo
Nachtmusik: Allegro moderato
Lotta Wennäkoski (1970)
Soie (2008-09)
voor fluit en orkest
Voile
Lin gros
Soie
Nederlandse première
pauze ± 14.45 uur
Franz Schubert
Negende symfonie in C gr.t., D 944 (1825-28) ‘Grote’
Andante - Allegro ma non troppo
Andante con moto
Scherzo: Allegro vivace
Finale: Allegro vivace
einde ± 16.20 uur
Toelichting
Franz Schubert 1797-1828
Ouverture ‘Alfonso und Estrella’
Door Martijn Voorvelt
Thomas Hengelbrock is bekend om zijn originele programma’s met een frisse kijk op de muziek van de tot heden. Samen met solofluitist Kersten McCall breekt hij een lans voor de muziek van de Finse Lotta Wennäkoski. In haar fluitconcert Soie contrasteren subtiele en breekbare klankexploraties met explosieve, zelfs agressieve gestes. Het wordt omlijst met twee werken van Schubert: de Ouverture ‘Alfonso und Estrella’, een duurzaam gebleken residu van Schuberts pogingen, en de kroon op zijn symfonische werk, de ‘Grote’ symfonie.
Dat we Franz Schubert niet kennen als operacomponist lag niet aan zijn gave om tekst aan te verbinden. Het was vooral een gebrek aan praktijkervaring met muziekdramatische producties dat hem parten speelde. In 1822 voltooide hij Alfonso und Estrella (D 732) op een libretto van zijn vriend Franz von Schober.
Het verhaal, over een Spaanse generaal die een opstand leidt tegen een couppleger en verliefd is op diens dochter, heeft niet geleid tot een dramatisch meeslepende . Het kwam dan ook niet tot een uitvoering tijdens Schuberts leven (pas in 1854 vond de première van de drastisch ingekorte opera plaats). In de ouverture vindt Schuberts melodische gave echter heel natuurlijk zijn weg naar de luisteraar, en de componist zag zelf ook wel in dat dit een blijvertje was.
Omdat hij het werk ‘te lawaaiig’ vond voor de opera, hevelde hij het over naar zijn toneelstuk Rosamunde, Fürstin von Zypern (D 797). Daardoor is het werk lang bekend geweest onder de naam Ouverture ‘Rosamunde’, hoewel het toneelstuk al gauw weer een andere ouverture kreeg aangemeten, namelijk die van het melodrama Die Zauberharfe uit 1820.
De Ouverture ‘Alfonso und Estrella’ werd ondertussen populair in versies voor piano (D 759A) en pianoduo (D 773). In 1867 werd de orkestversie gepubliceerd, die uitgroeide tot een geliefd repertoirestuk. Zo overleefde de ouverture glansrijk zijn omzwervingen langs catalogusnummers, muziekdramatische flops en titelverwarringen.
Lotta Wennäkoski 1970
Wennäkoski: Soie
Door Thea Derks
Lotta Wennäkoski studeerde muziektheorie en compositie aan de Sibelius Academie in Helsinki, bij onder anderen haar landgenote Kaija Saariaho. Van 1998 tot 1999 volgde ze een postdoctorale studie bij Louis Andriessen aan het Koninklijk Conservatorium van Den Haag. In haar muziek zoek je echter vergeefs naar de beukende stijl die zo kenmerkend is voor de zogenoemde ‘Haagse School’. Met haar gevoel voor lyriek en staat Wennäkoski dichter bij Saariaho.
Wennäkoski laat zich graag inspireren door buitenmuzikale ’s, zoals boeken, gedichten of natuurlijke fenomenen. ‘Zelden werd ik zo getroffen door een puur muzikaal idee dat dit mijn gedachten bepaalde als ik plaatsnam voor een leeg stuk muziekpapier,’ zei ze hierover.
Het vandaag uitgevoerde fluitconcert is geïnspireerd op de weefstructuren van de stoffen waarnaar de drie delen vernoemd zijn, in hun Franse benaming. Het laatste deel – Soie (zijde) – fungeert tevens als titel van het geheel.
Soie opent met Voile, dat zowel verwijst naar het transparante gaasdoek van sluiers als naar de zeilen van een schip. Beweeglijke jes en kleine ’s van de fluit roepen beelden op van een wapperend doek. Aanrollende orkestgolven doen dit extra stevig opbollen in de wind, waarna de fluit besluit met een introverte . In het ultrakorte Lin gros (ruw linnen) plaatst het orkest agressieve uitroepen tegenover angstige, fel aangeblazen tierelantijnen van de fluit.
Het slotdeel begint met sensuele motieven van de solist en glinsterende klanktapijten van het orkest, die echter omslaan in een wilde achtervolging. Even dreigt de fluit het onderspit te delven, maar dan grijpt zij de macht en geeft haar belagers met soevereine melodische lijnen het nakijken. Wennäkoski maakt hier korte metten met het clichébeeld ‘zijdezacht’: zijde kan immers ook grof en schurend zijn.
Franz Schubert (1797-1828)
Negende symfonie
Door Dirk Luijmes
In 1838, tien jaar na Franz Schuberts dood, deed Robert Schumann Wenen aan. Hij bezocht het graf van zijn gewaardeerde collega en vervoegde zich bij Franz’ broer Ferdinand. Ferdinand liet wat relikwieën zien en bleek tot Schumanns grote vreugde ook te beschikken over een ‘schat’ aan manuscripten. De meeste indruk maakte een omvangrijk werk dat we nu kennen als de Symfonie in C groot. Het was vóór Schumanns ontdekking nog niet uitgevoerd. Hoewel lang is aangenomen dat de symfonie uit Schuberts laatste levensjaar stamt, is men er nu van overtuigd dat de compositie al in 1825 ontstond.
Schubert droeg het werk destijds op aan de Weense Gesellschaft der Musikfreunde, die het wel wilde uitvoeren maar de bij de eerste repetitie als te lang en te moeilijk terzijde schoof. De officiële première (zij het ingekort) vond dan ook pas plaats op 21 maart 1839 in het Gewandhaus te Leipzig, onder leiding van Felix Mendelssohn.
Schumann stak in hetzelfde jaar de loftrompet over de unieke kwaliteiten van de herontdekte ‘Grote’: ‘Hier is behalve meesterlijke compositietechniek, leven in alle vezels, koloriet tot in de fijnste schakeringen, overal betekenis, een scherpe uitdrukkingskracht in de details en over het geheel uiteindelijk romantiek uitgegoten… En de hemelse lengte van de symfonie, als een dikke roman in vier delen, als die van bijvoorbeeld Jean Paul.’
Met de ‘hemelse lengte’ – het stuk is bijna twee keer zo lang als Schuberts andere symfonieën – neemt de componist als het ware een voorschot op het symfonische werk van de laatromantici, onder wie zijn latere stadgenoot Anton Bruckner. De is kleurrijk. Schuberts zangerigheid is volop aanwezig en de meester van de ‘kleinschalige’ liedkunst weet beheerst en knap te experimenteren met de grote vorm.
Dat laatste is bijvoorbeeld duidelijk in het uitgebreide eerste deel, dat start met een -inleiding met een wijds thema. Dit wordt uitgebouwd tot een van de belangrijkste gedachten van het ma non troppo. Het weemoedige tweede deel, dat een wat Slavische tongval heeft, spreekt (aldus Schumann) ‘met roerende stemmen tot ons’.
‘In dit deel bevindt zich ook een plek, waar een hoorn als vanuit de verte roept, die lijkt voor mij uit een andere sfeer afgedaald te zijn’, alsof er een ‘hemelse gast’ aanwezig is. In het soms boertige, soms idyllische komt ook even een Weense of ländler (Oostenrijkse volksmuziek) voorbij. Met een breed uitgesponnen Finale (van zo’n 1200 maten) besluit Schubert zijn muzikale roman op stralende en vreugdevolle wijze.
Biografie
Thomas Hengelbrock, dirigent
Thomas Hengelbrock is chef associé van het Orchestre de Paris. Van 2011 tot 2018 was hij chef- van het NDR Elbphilharmonie Orchester, waarmee hij in januari 2017 de Elbphilharmonie van Hamburg opende. Thomas Hengelbrocks repertoire reikt van de zeventiende eeuw tot heden. Als assistent van Antal Doráti, Witold Lutosławski en Mauricio Kagel zou hij al vroeg een grote affiniteit met hedendaagse muziek ontwikkelen. Een belangrijke stimulans voor zijn rol binnen de historisch geïnformeerde uitvoeringspraktijk was Nikolaus Harnoncourts Concentus Musicus Wien, waarin hij violist was.
Later speelde Thomas Hengelbrock zelf een grote rol in de verspreiding van het gebruik van historische instrumenten in het Duitse concertleven, met name sinds de oprichting van het Balthasar-Neumann-Chor in 1991 en het Balthasar-Neumann-Ensemble in 1995. De stond tevens aan het roer van de Deutsche Kammerphilharmonie Bremen (1995-1998), het Feldkirch Festival (2000-2006) en de Volksoper Wien (2000-2003). Hij is een graag geziene gastdirigent bij orkesten en huizen over de hele wereld.
In 2011 maakte hij zijn debuut op de Bayreuther Festspiele met Wagners Tannhäuser. In 2016 ontving Thomas Hengelbrock de Herbert von Karajan Musikpreis. Zijn debuut bij het Concertgebouworkest was in 2014 met werken van Haydn en Schumann. Zowel in 2017 als in 2018 dirigeerde Thomas Hengelbrock de Opening Night van het orkest. In maart 2019 kwam hij terug met werken van Schubert en Wennäkoski, in oktober 2019 leidde hij het orkest in werken van Purcell, Händel en Haydn.
Kersten McCall, fluit
De Duitse fluitist Kersten McCall groeide als zoon van de componist Brent McCall op in Donaueschingen, waar de jaarlijkse MusikTage voor moderne orkestmuziek nog altijd in oktober plaatsvinden. In dit muzikaal vruchtbare milieu begon hij op zijn negende fluit te spelen. Later studeerde hij bij Felix Renggli aan het Schaffhausen Conservatorium in Bazel en bij Renate Greiss en Aurèle Nicolet aan de Karlsruhe Hochschule für Musik.
In 1997 won hij de eerste prijs op het Internationaal Fluitconcours van Kobe en in 2000 de derde prijs tijdens het Internationale ARD Musikwettbewerb.
Als solist speelde hij veelvuldig in Duitsland en was hij te gast bij het Scharoun Ensemble, Camerata Salzburg en de orkesten van Kobe, Seoul en Mexico City. Van 1997 tot en met 2006 was Kersten McCall solofluitist van het Rundfunk-Sinfonieorchester in Saarbrücken. Hij remplaceerde bij de Berliner Philharmoniker, het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks, het Chicago Symphony Orchestra en de New York Philharmonic.
Sinds november 2005 is hij solofluitist bij het Concertgebouworkest, waarmee hij soleerde in werken van Mozart, Ligeti, Nono en Wennäkoski.
Ook als kamermusicus geniet hij wereldwijd bekendheid. In 1995 was hij medeoprichter van het ensemble est!est!!est!!! en sinds 2000 maakt hij deel uit van het Linos Ensemble.
Kersten McCall is docent aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag.
Koninklijk Concertgebouworkest, orkest
Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouworkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande en en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.
Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concertgebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.
Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende en zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Haitink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.
Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, fondsen en donateurs wereldwijd.
Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest


