Interview

Het geluid van zijde

Uit het Preludium maandblad maart 2019

De Finse Lotta Wennäkoski heeft beelden nodig om te componeren. Haar fluitconcert Soie is geïnspireerd op de tactiele eigenschappen van katoen, linnen en zijde. Het Koninklijk Concertgebouworkest en solofluitist Kersten McCall presenteren de Nederlandse première. Solist en componist in dialoog.

Er heerst een aanstekelijke camaraderie tussen de componist en de solist, zo blijkt tijdens een dubbel­interview via Skype. Bijna als een symbiotische tweeling vullen Lotta Wennäkoski (1970) en Kersten McCall (1973) elkaars antwoorden aan.

Bekijk het concert van 20, 21 en 24 maart: Het Concertgebouworkest speelt Schubert en Wennäkoski

Ze drukken luidkeels hun instemming uit als de ander aan het woord is, vallen elkaar onbekommerd in de rede en geven uitbundig blijk van hun wederzijdse bewondering. Wennäkoski: ‘Toen ik hoorde dat Kersten bereid was mijn fluitconcert te spelen voor de cd-­opname, was ik overgelukkig. Wow, hij doet het!’ McCall: ‘Het is zo’n indrukwekkend stuk, meteen toen ik de opname van de première hoorde, stond ik in vuur en vlam.’

Eigen interpretatie

Wennäkoski componeerde Soie in 2009 voor het Fins Radio Symfonieorkest en diens eerste fluitist Petri Alanko. Zij verzorgden de succesvolle wereldpremière in de iconische Rotskerk ­(Temppeliaukion kirkko) in Helsinki. Drie jaar later werd het stuk gekozen als aanbevolen werk van het Unesco International Rostrum of Composers. Maar toen er plannen ontstonden voor een cd-opname, bleek Alanko te kampen met gezondheidsproblemen. McCall: ‘Hij vroeg mij om het over te nemen en ik zei onmiddellijk ja, ook al kende ik het concert niet. Ik vertrouw hem blind.’

Start / pauzeer slideshow

Ondanks de overdosis aan galm vanwege de ruimhartige akoestiek van de Rotskerk herkende McCall in de première-opname onmiddellijk een meesterwerk. ‘Het is modern maar toch zeer toegankelijk, zonder gemakzuchtig te zijn.’ Hij waardeert bovendien dat Wennäkoski waarde hecht aan een eigen interpretatie van de uitvoerder.

‘Je krijgt als fluitist ruimte voor expressiviteit. Alles is weliswaar precies genoteerd maar je wordt niet in een keurslijf gedwongen, je hebt veel vrijheid om je eigen klank te ontvouwen en je emotionele reactie op de muziek uit te drukken. Dat is kenmerkend voor alle grote muziek: je kunt er je diepste persoonlijkheid in leggen, spreken met je eigen stem.’

Eigen weg

Omgekeerd is Wennäkoski ingenomen met de uitvoering van McCall. ‘Voor mij is het belangrijk dat musici hun eigen weg vinden in mijn muziek, dat ze doen waarin zij het beste zijn. Kersten heeft een unieke klank, ook al vind ik het moeilijk precies te omschrijven wat me er zo in aantrekt. Er ligt een soort glans of gloed overheen, maar het klinkt toch helder en briljant. Zijn manier van spelen is zo karakteristiek dat hij mijn concert als het ware kneedt naar zijn persoonlijke muzikaliteit.’

Lotta Wennäkoski: ‘Je hoort de zijderupsen krioelen’

McCall vult aan: ‘Neem het laatste deel, Soie. Dat kun je op een agressieve manier benaderen of juist heel poëtisch, die verschillende opties biedt Lotta’s partituur. Ik ga proberen het zo lyrisch mogelijk te spelen, maar wie weet ontdek ik wel een heel andere kant van mijn persoonlijkheid. Zijde is tenslotte niet alleen maar zacht en glad.’ Wennäkoski had tijdens het componeren overigens juist wel die zachtheid in gedachten. ‘Mij stond niet zozeer de glanzende kwaliteit, maar veeleer het gevoel van zijde voor ogen. Vooral de zacht ruisende beweging van zijden beddengoed, dat staat voor subtiele dingen en intimiteit.’

Titels en beelden

Ze begrijpt overigens wel de opmerking van McCall over een mogelijk agressieve interpretatie: ‘Ik heb ook de zijderupsen erin opgenomen. De gedachte aan hun gekrioel inspireerde mij de fluit ultrakorte, snel op elkaar volgende noten te geven. Door je tong razendsnel op en neer te bewegen ontstaat een wat harde, dichte textuur. Dat klinkt als lbdlbdlbdlbd… en dat dan in stijgende en dalende figuren. Zo hoor je als het ware die wormen bewegen.’ McCall: ‘Als ik ernaar luister kan ik me dat goed voorstellen, maar als ik speel ben ik te zeer bezig met de noten om aan dergelijke ideeën te denken.’

Wennäkoski: ‘Je moet het ook niet al te concreet opvatten. Ik zou niemand willen opleggen dat ze er op zo’n manier naar moeten luisteren. Maar zulke beelden heb ik nou eenmaal nodig als ik componeer, ze brengen me op muzikale ideeën. En trouwens, ik moet een stuk toch iets noemen. Ik had het ook Game of Galaxies of wat dan ook kunnen dopen, een titel moet er zijn.’ Zou haar muziek in dat laatste geval niet anders klinken? ‘Natuurlijk! Ik heb vaak het gevoel dat mensen het fijn vinden dat ik met concrete beelden werk, maar het is niet meer dan dat. Het geeft slechts een denkrichting aan, het hoeft geen metafysica te zijn.’

De Franse titel van haar fluitconcert wortelt in zo’n concrete aanleiding: ‘Dat is een soort woordspelletje. Ik had het idee verschillende soorten stoffen te gebruiken en zocht naar materiaal dat me sterke beelden zou geven. Toen realiseerde ik me dat soie, het Franse woord voor zijde, in het Fins wordt uitgesproken als soi-è. Dat ligt dichtbij ons woord voor ‘geluid’, specifiek het geluid dat door een instrument wordt geproduceerd.’ Ze vernoemde daarom niet alleen het laatste deel naar dit woord, maar gebruikte het ook als overkoepelende titel van het hele stuk.

Nonsenswoorden

‘Voor het eerste deel dacht ik aan iets lichts dat opbolt in de lucht, met wapperende bewegingen. Dat deed me denken aan een sjaal van gaaskatoen. Het mooie is dat voile in het Frans zowel die stof aanduidt als het zeil van een schip.’ Zwierige, aanzwellende en weer afzwakkende stijgende en dalende bewegingen creëren inderdaad een illusie van opbollende zeilen, met in het oor springende kleine glissando’s van de solofluit.

Kersten McCall:‘Lotta verrijkt het orkestpalet met prachtige nieuwe klankeffecten’

Het tweede deel is vernoemd naar de ruwe structuur van grof linnen, lin gros in het Frans. Met een duur van amper twee minuten is het aanzienlijk korter dan de hoekdelen. Wennäkoski: ‘Dat komt omdat het bedoeld was als scharnierpunt, waarin ik uitsluitend moderne extended techniques wilde gebruiken. Dat bleek eigenlijk veel saaier om te schrijven dan ik had verwacht dus ik was er gauw klaar mee. Bovendien vergt het enorm veel van de embouchure van de fluitist, het is zeer vermoeiend. Als ik het langer had gemaakt zouden de subtiele kanten van het laatste deel misschien verloren gaan.’

McCall: ‘Zo vermoeiend vind ik het eerlijk gezegd niet. Wel is het zo dat door de snel wisselende manieren van aanblazen het mondstuk erg nat wordt, waardoor mijn lippen dreigen weg te glijden. Ik spreek bijvoorbeeld nonsenswoorden terwijl ik speel, waardoor mijn partij mysterieus en virtuoos klinkt.

Ook de blazers van het orkest doen mee, zo lijkt het alsof je een mensenmenigte heel snel hoort praten.’ Wennäkoski: ‘Ze mogen neuriën, fluisteren, sissen, praten of schreeuwen, maar het moet lijken alsof de klank uit hun instrument komt.’ McCall: ‘Er zijn ook veel breathy sounds, Lotta verrijkt het orkestpalet met prachtige nieuwe klank­effecten. Omdat het tweede deel zo afwijkend, kort en krachtig is, werkt het als een soort scherzo.’

Lucht

Hoewel Soie geldt als een fluitconcert, is er geen sprake van de gangbare ‘strijd’ tussen solist en orkest. Wennäkoski: ‘­Fluitconcerten kunnen heel lastig zijn, omdat het solo-instrument dreigt te verdrinken in de algehele orkestklank. Daarom heb ik bewust veel lucht in de orkestratie gestoken.

De fluit speelt vanwege die balansproblemen ook weinig in het middenregister.’ McCall: ‘Vaak kun je in dit werk nauwelijks onderscheiden wie wat doet. In het laatste deel zit een passage waarin ik hetzelfde materiaal heb als de tutti fluiten, daar vloeien we dus helemaal samen. Aan het slot speel ik zelfs een unisono duet met de hoboïst. Maar het bijzondere is: ook wanneer ik ben ingebed in het geheel, blijf ik de solist die het verhaal vertelt.’

wo 20, do 21 en zo 24 maart | Grote Zaal
Koninklijk Concertgebouworkest, Thomas Hengelbrock en Kersten McCall
Bekijk dit concertprogramma