Het Concertgebouworkest in Weense sferen

Koninklijk Concertgebouworkest
Lorenzo Viotti dirigent
Markus Werba bariton

Franz Schubert 1797-1828

Symfonie nr. 2 in Bes gr.t., D 125 (1814-15)
Largo – Allegro vivace
Andante
Menuetto: Allegro vivace
Presto vivace

Gustav Mahler 1860-1911

Lieder eines fahrenden Gesellen (1883-85)
Wenn mein Schatz Hochzeit macht
Ging heut’ morgens übers Feld
Ich hab’ ein glühend Messer
Die zwei blauen Augen

pauze

Johann Strauss jr. 1825-1899

Leichtes Blut, op. 319 (1867)
Polka schnell

Kuss-Walzer, op. 400 (1881)

Josef Strauss 1827-1870

Die Libelle, op. 204 (1866) 
Polka Mazur
eerste uitvoering door het Koninklijk Concertgebouworkest

Friedenspalmen, op. 207 (1866)
Walzer
eerste uitvoering door het Koninklijk Concertgebouworkest

Johann Strauss jr.

Czárdás voor orkest, op. 441
uit de komische opera ‘Ritter Pásmán’ (1892)
eerste uitvoering door het Koninklijk Concert­gebouworkest

begin van de pauze ca. 21.00 uur
einde van het concert ca. 22.15 uur
Dit programma maakt deel uit van de series D en E

Toelichting

Franz Schubert 1797-1828

tweede symfonie

Het is en blijft wonderlijk hoezeer het werk van Franz Schubert zijn eigen wereld reflecteert terwijl alles wat buiten zijn beleving blijft ook werkelijk buiten blijft. In de tijd dat Schubert aan zijn Tweede symfonie begon stond Wenen op zijn kop. Sinds september 1814 was de stad met het Congres van Wenen voor even het centrum van Europa. Na de Napoleontische oorlogen probeerden de Europese machthebbers uit alle betrokken landen Europa naar ieders tevredenheid te verdelen om zo spanningen en oorlogen uit te sluiten. Terwijl de import-Wener Ludwig von Beethoven duidelijk blijk gaf van zijn politiek engagement en gedurende het congres dat tot de zomer van 1815 duurde, werken componeerde als Der glorreiche Augenblick en Wellingtons Sieg, schreef Schubert mooie ‘jes’ en zijn deels met de sfeer van de aloude Weense en Boheemse volksmuziek doordesemde Tweede en Derde symfonie.

Wie deze symfonieën beluistert zou aan de hand van de noten absoluut niet kunnen vermoeden in wat voor turbulente tijd het werk is ontstaan. Schubert liet zich, zeker als achttienjarige jongeman, niet in met grootse vraagstukken. Hij schreef zijn werken voor intiem samenzijn met vrienden en familie. Zelfs zijn symfonieën zijn zo bescheiden bezet dat een allengs opgetrommeld huisorkestje al een heel eind kwam. En zo geschiedde het waarschijnlijk ook. 
De kiemcellen voor de Tweede symfonie liggen in de tijd dat Schubert als Sängerknabe deel uitmaakte van de Weense hofkapel. Hij kreeg er les van onder anderen Antonio Salieri en hij speelde ook als violist in het schoolorkest van de hofkapel. Daar sierden de symfonieën van Haydn, Mozart (‘je kon de engelen horen zingen’, schreef Schubert in die tijd na een uitvoering van Mozarts Veertigste symfonie) en mindere goden regelmatig de lessenaars. Toen Schuberts stem in 1813 brak en hij de hofkapel moest verlaten schreef hij zijn Eerste symfonie. Een jaar later begon hij aan zijn tweede. Hoewel de symfonie pas voor het eerst in 1877 publiekelijk werd uitgevoerd, heeft Schubert het werk ongetwijfeld met zijn oude schoolvrienden gespeeld tijdens de vele muzikale ontmoetingen die later overgingen in de beroemde Schubertiades.
Schuberts Tweede symfonie reflecteert vooral in het eerste deel de wereld van Haydn en Mozart, al bewandelt de componist harmonisch avontuurlijkere wegen. Bovendien lijkt het eerste heel erg op dat uit Beethovens ballet Die Geschöpfe des Prometheus. In het tweede en derde deel is vooral de e Schubert aan het woord en in de finale, een onvervalste galop, baseert Schubert zich op bekende Weense volksmelodieën.

Gustav Mahler 1860-1911

Lieder eines fahrenden gesellen

De hernieuwde Europese spanningen in het laatste kwart van de negentiende eeuw waren tot in de kleinste steegjes van Wenen voelbaar en ook de vooruitgang eiste zijn tol. Mede daardoor werd het werk van een symfonicus als Gustav Mahler aan het einde van de eeuw grimmiger. In zijn jongere jaren kon Mahler, ondanks zijn eigen depressies, nog vrij onbekommerd schrijven en zich als een moderne Schubert met het en de Oostenrijkse folklore bezig houden. Dat deed hij onder andere in de Lieder eines fahrenden Gesellen, Mahlers eerste ‘volwassen’ cyclus van orkestliederen, die ontstonden als liederen voor stem en piano. Hij schreef de cyclus tussen 1883 en 1885 op eigen teksten die geïnspireerd waren op gedichten uit de bundel Duitse volkspoëzie Des Knaben Wunderhorn. De vier liederen vormen gezamenlijk het verhaal van een jonge man die zijn geliefde is kwijtgeraakt aan een rivaal en dat vervolgens verwerkt met een wandeling (Ging heut’ morgens übers Feld), een beschrijving van de pijn (Ich hab’ ein glühend Messer) en een herinnering aan de schoonheid van zijn geliefde, gevolgd door het besef dat het leven verder gaat (Die zwei blauen Augen). In de notendop van deze vier liederen is alles wat de jonge Mahler tot Mahler maakt al volop aanwezig. De op de volksmuziek gebaseerde ën, de natuur­evocaties, de grimmige en ook Mahlers levenslange spagaat tussen de liefde voor het leven en de natuur enerzijds en de wanhoop, eenzaamheid en doodsangst anderzijds. Het maakt de Lieder eines fahrenden Gesellen niet alleen tot een mooi beeld van het Wenen in de tweede helft van de negentiende eeuw maar ook en vooral tot een meesterwerk in de evolutie van de liedcyclus en een perfect startpunt annex samenvatting van het werk van Gustav Mahler.

U vindt de liedteksten in het downloadbare PDF-bestand in de rechterbovenhoek van het programma-overzicht. 

1825-1899 en 1827-1870

Johann en Josef Strauss

De Weense Straussdynastie kon mede ontstaan op de vleugels van het nieuwe elan dat Wenen binnen kwam dankzij het congres. De Europese delegaties van dat moment spraken niet alleen met elkaar maar zochten ook hun vertier. De publieke ‘amusementsindustrie’ kreeg zo een impuls en het openbare culturele leven bloeide als nooit tevoren. Wat voorheen een zaak van de hogere adel was, werd steeds meer een zaak van het volk.
In die omslag vond Johann Strauss sr. zijn ‘gat in de markt’ met zijn dansorkest en lichtvoetige en opzwepende composities. Zijn zoons Johann, Josef en Eduard profiteerden later van de bekendheid van hun vader, al ging dat niet zonder slag of stoot. Zo wilde Johann sr. niet dat zijn oudste zoon Johann jr. de muziek in ging. De jonge Johann nam in het geniep les bij zijn vaders rivaal Joseph Lanner en streefde zijn vader en ook zijn beide broers als en componist uiteindelijk ver voorbij. Al had Josef in eerste instantie geen muzikale ambitie. Pas toen Johann jr. in 1853 ernstig ziek werd, verving zijn broer hem en stond Josef voor het eerst voor een orkest. Nadat Johann weer hersteld was, wisselden de broers elkaar af en droeg ook Josef vele composities bij. Die werken van Josef, zoals de speelse polka- Die Libelle en de Friedenspalmen zijn wat volkser en intiemer dan de grootse werken van zijn broer.


Dankzij Johann werd de tot Weense uitgegroeide Ländler niet louter een vrolijk werk voor dansorkesten, maar een serieus genre voor de concertzaal. Hij cultiveerde de typisch Weens-Oostenrijkse voering met zijn vele vrijheden binnen de maat en perfectioneerde volksdansen als de polka, de galop en de wals in werken als Leichtes Blut en de Kuss-Walzer
Johann Strauss jr. was volgens zijn critici alleen minder sterk op het gebied van de en de omdat hij dramatische gaven zou missen. Zelfs zijn meest succesvolle operette, Die Fledermaus uit 1874, was volgens velen eerder een voertuig voor ‘meer polka’s en walsen’ dan een coherent verhaal. Er zat wat in. Zijn enige opera Ritter Pásmán uit 1892 werd vanwege het matige libretto een grote flop. Alleen een enkele dans uit het werk, zoals de opzwepende Czárdás, hield repertoire. Desalniettemin prees zijn grootste criticus en wat de walsen betreft tevens grootste supporter Eduard Hanslick het tijdperk Strauss na het overlijden van Johann in 1899 als de laatste ‘vrolijke periode’ van Wenen.

Paul Janssen

Biografie

Lorenzo Viotti, dirigent

Lorenzo Viotti was van 2021/2022 tot en met het afgelopen seizoen chef- van het Nederlands Philharmonisch en De Nationale , en hij zal blijven terugkeren als gast­dirigent. Bij het orkest debuteerde hij in 2018 (met Stravinsky’s Petroesjka in Het Concertgebouw) en bij het operahuis in 2019 (met Mascagni’s tweeluik Pagliacci / Cavalleria rusticana). V

Vanaf het seizoen 2026/2027 wordt hij chef-dirigent van het Tokyo Symphony Orchestra.

Lorenzo Viotti werd geboren in een Frans-­Italiaanse muzikale familie in Lausanne en studeerde piano, zang en in Lyon. Orkestdirectie studeerde hij bij Georg Mark in Wenen en bij Nicolás Pasquet in Weimar, en hij won onder meer de Nestlé Young Conductors Award van de Salzburger Festspiele (2015) en het enconcours van het MDR Sinfonieorchester.

In 2017 was de dirigent ‘nieuwkomer van het jaar’ bij de International O­pera Awards, en hij werd geëngageerd door de Staatsoper Stuttgart, de Semperoper Dresden, de Oper Frankfurt, de Oper Zürich, het Teatro alla Scala, de Opéra national de Paris en The Metropolitan Op­era. Van 2018 tot zijn komst naar Amsterdam was Lorenzo Viotti chef-­dirigent van het Gulbenkian Orchestra in Lissabon.

Als gastdirigent stond hij voor de orkesten van Los Angeles, Pittsburgh en Cleveland, het ­Concertgebouworkest, de Wiener, Berliner en Münchner Philharmoniker, de Wiener Symphoniker, het Gewandhausorchester Leipzig, de Staatskapelle Berlin, het Orchestra ­dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia, het Royal Philharmonic Orchestra en het Orchestre de la Suisse Romande. Zijn vorige optreden in de Eigen Programmering was de openingsavond van het Ma­hler Festival op 8 mei 2025 met het Nederlands Philharmonisch, acteurs Charlie Chan Dagelet en Bram Suijker en bas-bariton Florian Boesch.

Markus Werba, bariton

De Oostenrijkse bariton Markus Werba stond op jonge leeftijd reeds op de meest vooraanstaande - en concertpodia wereldwijd, waaronder de Scala in Milaan, het Royal Opera House Covent Garden in Londen, de Bayersiche Staatsoper, de Metropolitan Opera in New York, Suntory Hall in Tokio en Teatro Colón in Buenos es.

Onder de recente hoogtepunten vinden we zijn vertolkingen van Beckmesser in Wagners Die Meistersinger von Nürnberg op de Salzburger Festspiele, Papageno in Mozarts Die Zauberflöte bij de Metropolitan Opera, de Royal Opera Londen en de Wiener Staatsoper, Rodrigo in Don Carlos bij de Semperoper in Dresden en Don Alfonso in Così fan tutte in het Theater an der Wien onder leiding van Nikolaus Harnoncourt.

Dit seizoen vertolkt hij Beckmesser in een nieuwe productie van Die Meistersinger bij de Deutsche Staatsoper Berlin onder Daniel Barenboim en debuteert hij in de titelrol van Evgeni Onjegin in Keulen. Ook concerteert hij met onder meer het Orchestra dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia en het Philadelphia Orchestra.

Koninklijk Concertgebouworkest, orkest

Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouw­orkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande en en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.

Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concert­gebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.

Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende en zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Ha­itink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.

Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, ­fondsen en donateurs wereldwijd.

Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest