Hélène Grimaud in Brahms’ Pianoconcert nr. 1
Hélène Grimaud piano
Camerata Salzburg
Giovanni Guzzo concertmeester
Dit concert maakt deel uit van de serie Grote Solisten.
Ook interessant:
- Hélène Grimaud over Brahms, en haar andere liefdes
Johannes Brahms (1833-1897)
Pianoconcert nr. 1 in d kl.t., op. 15 (1859)
Maestoso
Adagio
Rondo: Allegro non troppo
pauze ± 21.10 uur
Serenade nr. 1 in D gr.t., op. 11 (1859)
Allegro molto
Scherzo: Allegro non troppo
Adagio non troppo
Menuetto I en II
Scherzo: Allegro
Rondo: Allegro
einde ± 22.20 uur
Toelichting
Johannes Brahms (1833-1897)
Toelichting
Door Jeppe Moulijn
De eerste associatie die velen bij Johannes Brahms zullen hebben is het beeld van de latere Brahms. Het bezonken, enigszins knorrige, bebaarde genie, dat het ene na het andere gepolijste meesterwerk aflevert. Vaak elegisch van toon, altijd zijn de romantische inhoud en de klassieke vormgeving volmaakt in balans, nooit worden extremiteiten opgezocht of grenzen overschreden.
Soms lijkt men bijna te vergeten dat er daarvóór een heel andere Brahms was. Een onstuimige, ambitieuze hemelbestormer met het uiterlijk van een jonge god, de aanbidder van Clara Schumann, de Brahms van vóór de baard. Beide werken op dit programma komen uit die periode. Beide zijn belangrijke stappen op weg naar een symfonie.
Want wat er meteen vanaf het begin was: Brahms’ genadeloze zelfkritiek. Als voorvechter van de klassieke muzikale vorm zag hij de symfonie als het belangrijkste strijdperk voor een componist en hij voelde sterk dat hij zich op dat terrein dan ook moest kunnen meten met Ludwig van Beethoven (1770-1827). Zowel de Eerste serenade als het Eerste pianoconcert zijn een soort strategische voorbereidende stappen om die uitdaging aan te kunnen gaan. Beide hadden aanvankelijk een andere vorm en bezetting dan hun uiteindelijke versies, aan beide stukken werkte Brahms tegelijk, beide staan in de d – respectievelijk . Maar ze zijn totaal verschillend.
Eerste serenade
De Eerste serenade is lichtvoetig en charmant, maar dan wel op z’n Brahms: met zes delen en een tijdsduur van zeker 45 minuten! Deze muziek begon haar bestaan als een nonet, als kamermuziek. Uiteindelijk koos Brahms voor het volledige , waarin slechts de trombones ontbreken. Beroemd is Brahms’ klacht hoe moeilijk het voor hem was altijd de voetstappen van de titanische Beethoven achter zich te horen, maar aan het begin van deze lijkt hij eerder enthousiast naast zijn grote voorbeeld en ‘Angstgegner’ te wandelen, en wel door het landschap van Beethovens Zesde symfonie, ‘Pastorale’. Veel van de ideeën in deze serenade zijn aanvankelijk schatplichtig aan Beethoven, waarna Brahms een onmiskenbaar eigenzinnige afslag neemt.
Je hoort de persoonlijkheid zich ontwikkelen. Zo begint het tweede deel, een mysterieus , met een idee verwant aan het scherzo uit Beethovens Vijfde symfonie, maar het ontbeert vervolgens Beethovens demonische wending. Brahms kiest eerder voor intimiteit en understatement. Het langzame derde deel wijst wellicht het meest vooruit naar de rijpe Brahms, met zijn lange cantilenes voor de . Misschien treedt dit deel daarmee het meest buiten het genre van de serenade en reikt naar de symfonie, iets dat ook in de eerste twee delen al te bespeuren valt. Dan volgt eerst een zeer vriendelijk en intiem voor slechts een paar houtblazers dat juist volmaakt in het serenadegenre past, daarna een tweede scherzo compleet met, wederom beethoveniaanse, jachthoorn. Een zeer aanstekelijke finale vol haydneske humor maakt het af.
Eerste pianoconcert
Het Eerste pianoconcert is een totaal ander verhaal en een veel belangrijkere stap op Brahms’ lange en moeizame route op weg naar een symfonie. Dit werk begon zijn bestaan als voor twee piano’s, leek een symfonie te worden, om na een vier jaar durende worsteling te eindigen als pianoconcert. Het is diep verbonden met Brahms’ uiterst complexe gevoelens rond de opname van zijn vriend en mentor Robert Schumann in een inrichting na een zelfmoordpoging, waarna Brahms met uitsluitend de meest nobele bedoelingen diens vrouw Clara bijstond in een intense vriendschap die echter de grens van het platonische dreigde te overschrijden. Het is een van de weinige stukken waarin Brahms zich onmiskenbaar hemelbestormer en radikalinsky toont, iets wat in zijn vroege periode wel degelijk aanwezig was.
Hoekige thematiek, stormachtige, schrille trillers zetten de toon. Nog in de orkestinleiding waaiert Brahms al geheimzinnig uit naar ver verwijderde toonsoorten. De pianosolist komt verrassend genoeg niet met een indrukwekkend statement binnen maar juist bijna terloops. Het tweede is zowel zangerig als monumentaal, een combinatie waarvan alleen Brahms het recept lijkt te hebben (en net als in zijn latere Vioolconcert bewaart Brahms zijn grandioze zangthema strategisch voor de solist). Als dit ook uitgebreid samen met het orkest is uitgewerkt zijn we al bijna halverwege het in alle opzichten monumentale eerste deel, wanneer de solist dramatisch de knuppel in het hoenderhok gooit en een vlammende speech afsteekt aan het begin van de doorwerking (het middengedeelte waarin thema’s uitgewerkt en tegenover elkaar worden geplaatst). Daarin is gelukkig ook plaats voor parelende lichtheid, om daarna op te bouwen naar een spectaculaire terugkeer van grondtoon d.
Dan blijkt Brahms nog een ware stroke of genius achter de hand te hebben: was het beginthema al niet helemaal harmonisch stabiel, nu plaatst de solist boven de d-pedaaltoon een volstrekt onverwacht op de e waardoor het complete perspectief van de luisteraar schokkend kantelt. Het langzame deel is wellicht een liefdeslied voor Clara Schumann – maar dan wel een zeer vergeestelijkt, onthecht en verheven liefdeslied. Brahms kan zich hier meten met de emotionele diepgang van de langzame delen van de late Beethoven. De finale van het Eerste pianoconcert draagt misschien wel het meest Brahms’ handtekening. Enerzijds verbonden met de ruige, volkse spontaniteit van zijn Hongaarse dansen, anderzijds ambitieus en symfonisch. De definitieve doorbraak van zijn onmiskenbare persoonlijkheid.
Het is wellicht niet verbazend dat van deze twee stukken de Serenade aanvankelijk makkelijker haar weg naar het publiek vond. Inmiddels is zij overvleugeld door het Pianoconcert, en daardoor is het vrij uitzonderlijk beide werken die zo verbonden en verschillend zijn op één programma te kunnen horen.
Biografie
Camerata Salzburg, ensemble
De in 1952 opgerichte Camerata Salzburg is in eigen stad een vaste waarde van de Salzburger Festspiele en de Mozartwoche en verzorgt een abonnementsserie in het Mozarteum. De muziek van ‘genius loci’ Wolfgang Amadeus Mozart staat geregeld centraal, maar met zijn typerende ‘Salzburger Mozartklank’ speelt de groep repertoire dat reikt van de tot nu. Het gezelschap was te gast op de festivals van Aix-en-Provence, Gstaad.
Rheingau en Schleswig-Holstein, en in het Wiener Konzerthaus, de Alte Oper Frankfurt, de Elbphilharmonie Hamburg, het KKL Luzern, het Prinzregententheater in München, de Philharmonie de Paris en de Shanghai Concert Hall. Als langjarige orkestleiders waren en oprichter Bernhard Paumgartner en violist Sándor Végh (chef-dirigent 1978-1997) bepalend voor de klank.
Mozartopnames met Géza Anda in de jaren 1960 en met András Schiff in de jaren 1980 verankerden de Camerata Salzburg stevig in de internationale muziekmarkt. Na Végh waren Roger Norrington, Leonidas Kavakos en Louis Langrée chef-dirigent, totdat in 2016 de orkestleden zelf de artistieke leiding op zich namen. De Camerata Salzburg wordt afwisselend aangevoerd door de concertmeesters Gregory Ahss en Giovanni Guzzo en werkt bij gelegenheid met gastdirigenten; artistiek partners zijn pianiste Hélène Grimaud en violiste Janine Jansen.
Samenwerkingen in het huidige seizoen zijn er ook met Julia Hagen, Julian Prégardien, Hayato Sumino, Alexander Sitkovetsky, François Leleux, Václav Luks, Elisabeth Leonskaja, Maxim Emelyanychev, Kian Soltani en Fazıl Say. Het vorige optreden van de Camerata Salzburg in Het Concertgebouw was een Brahms-programma met Hélène Grimaud op 16 juni 2025. Met Janine Jansen speelde het op 2 mei 2023 Mozart.
Hélène Grimaud, piano
Hélène Grimaud begon haar pianostudie bij Jacqueline Courtin in haar geboorteplaats Aix-en-Provence. Vervolgens kreeg ze in eille les van Pierre Barbizet, en op haar dertiende werd ze toegelaten tot het conservatorium van Parijs. 1987 was een belangrijk jaar, met een debuut in Tokio en concerten met het Orchestre de Paris en Daniel Barenboim.
In 1995 debuteerde de Franse pianiste bij de Berliner Philharmoniker (Claudio Abbado) en in 1999 bij de New York Philharmonic (Kurt Masur). Sindsdien wordt ze wereldwijd uitgenodigd door de grote podia en orkesten. Zo was ze vorig seizoen in residence bij de Philharmonie Luxembourg en tourde ze met het London Philharmonic Orchestra en The Philadelphia Orchestra.
In het huidige seizoen soleert ze onder meer bij het San Francisco Symphony Orchestra (Kazuki Yamada) en het Dallas Symphony Orchestra (Fabio Luisi), tourt ze met de Camerata Salzburg in Europa en Azië en geeft ze s in Carnegie Hall in New York en in Singapore, Taipei en São Paulo. In de was Hélène Grimaud te gast met verschillende orkesten, waaronder het Concertgebouworkest (Ravel in 2001), het Tsjechisch Philharmonisch Orkest, het Filharmonisch Orkest van Sint-Petersburg en het Rotterdams Philharmonisch Orkest.
Haar laatste solorecital was op 12 mei 2024, met werken van Beethoven, Brahms en Bach/Busoni. Opnames met de Camerata Salzburg zijn er van Mozart en Silvestrov, en de twee pianoconcerten van Brahms verschenen op cd gedirigeerd door Andris Nelsons – het Eerste met het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks en het Tweede met de Wiener Philharmoniker.
Giovanni Guzzo, concertmeester
Giovanni Guzzo is sinds 2021 concertmeester bij Camerata Salzburg. Hij had eerst een jaar pianoles voordat hij als zesjarige begon op de viool. Op zijn twaalfde won hij in zijn geboorteland Venezuela het nationale vioolconcours ‘Juan Bautista Plaza’, en hij kreeg een beurs om te gaan studeren aan de Royal Academy of Music in Londen.
Inmiddels heeft Giovanni Guzzo een internationale carrière als violist, concertmeester en . Hij soleerde bij het Royal Philharmonic Orchestra, speelde kamermuziek met Joshua Bell, Martha Argerich, Martin Fröst, Miklós Perényi, Daniel Hope, Stephen Hough en het Takács Quartet en voerde uiteenlopende muziekgezelschappen aan vanaf de eerste lessenaar.
Hij werkte met dirigenten als Simon Rattle, Iván Fischer, Semyon Bychkov, Marin Alsop en Herbert Blomstedt en trad op in Wigmore Hall in Londen en het Lincoln Centre in New York en op de BBC Proms, de Salzburger Festspiele en het Verbier Festival. Veelgeprezen is zijn opname van de complete solosonates van Ysaÿe. Giovanni Guzzo geeft sinds 2022 les aan de Kunstuniversität Graz en bespeelt een instrument van Gennaro Gagliano uit 1759.



