Gatti met Mahler en Haydn bij het Concertgebouworkest

Daniele Gatti dirigent
Tatjana Vassiljeva cello
Julia Kleiter sopraan

pauze ca. 20.45 uur
einde ca. 22.15 uur

Joseph Haydn 1732-1809

Celloconcert in C gr.t., Hob. VIIIb:1 (ca. 1762-65)
Moderato
Adagio
Allegro molto
cadensen: anoniem

pauze

Gustav Mahler 1860-1911

Symfonie nr. 4 in G gr.t. (1899-1900)
in vier delen voor groot orkest en sopraan solo
Bedächtig. Nicht eilen
In gemächlicher Bewegung, Ohne Hast
Ruhevoll
Sehr behaglich (Wir geniessen die himmlischen Freuden uit ‘Des Knaben Wunderhorn’)

Dit programma maakt deel uit van de serie B.

Toelichting

Joseph Haydn 1732-1809

Celloconcert

tekst: Paul Jansen

Dat het concert in C groot van Haydn pas in de tweede helft van de twintigste eeuw door de Tsjechische musicoloog Oldrich Pulkert werd ontdekt, is eigenlijk vreemd. Net zoals het vreemd is dat Haydn nog steeds niet helemaal voor vol wordt aangezien als componist van soloconcerten.

De reden is misschien wel heel simpel. Hoewel Haydn concerten schreef voor de meest uiteenlopende instrumenten, staat hij vooral te boek als de grote grondlegger van de klassieke symfonie. En ook zijn concerto’s staan dichter bij zijn symfonische taal en zijn geen karakterstukken zoals die van Wolfgang Amadeus Mozart.

Toch is er altijd veel te beleven, zoals ook in het concert in C groot. Haydn was immers jarenlang heer en meester van het Eszterházy Orkest en kon daar naar hartenlust experimenteren met instrumenten en vormen. Omdat hij kon beschikken over uitstekende muzikanten verwonderde hij zich graag over de mogelijkheden van de verschillende instrumenten en schreef hij voor zijn musici een paar prachtige soloconcerten.

Zo ontstond aan het begin van de jaren zestig van de achttiende eeuw het Celloconcert in C groot, mede dankzij Haydns goede vriend Joseph Weigl, de cellist van het Eszterházy Orkest.

Het is opvallend hoezeer Haydn de cello als een volwaardig instrument behandelt in een tijd dat het instrument nog steeds vooral een begeleidingsinstrument was. De solopartij is bij vlagen buitengewoon , maar altijd in dienst van het geheel. Mede daarom is dit celloconcerteen van Haydns beste concerten uit deze vroege Esterhazyperiode. 

Pas in 1961 ontdekte musicoloog Oldrich Pulkert het werk in stukken en brokken in het Nationaal Museum in Praag

Hoewel het concert nog sporen vertoont van het ke soloconcert, is het met het begin- en einddeel in de karakteristieke in de aard al een schoolvoorbeeld van het klassieke soloconcert. Het werk hanteert de ook in de Barok al traditionele snel-langzaam-snel-afwisseling.

Het concert, dat vermeld stond in de immense werkencatalogus van Haydn, werd lange tijd als verloren beschouwd. Pas in 1961 ontdekte Pulkert het werk in stukken en brokken in het Nationaal Museum in Praag. Nadat de orkestpartijen en de solostem voldoende gereconstrueerd waren groeide het concert in rap tempo uit tot een van de meest geliefde werken van Haydn. 

Opbouw van het concert
Het eerste deel laat meteen Haydns meesterschap op de muzikale millimeter horen. Hij heeft maar weinig materiaal nodig en door het iedere keer licht gevarieerd te brengen houdt hij zijn publiek alert.

Het prachtige voor alleen strijkers en de solocello is volgens de overlevering speciaal geschreven om de prachtige toonvorming van Weigl goed uit de verf te laten komen.

In het laatste deel, molto, is het vooral de virtuositeit die centraal staat, al gaat dat bij Haydn zoals gewoonlijk nooit ten koste van de melodische en harmonische inventiviteit.

Gustav Mahler 1860-1911

Vierde symfonie

tekst: Marco Nakken

Gustav Mahler werkte aan zijn Vierde symfonie in 1899/1900, maar voor de finale van het werk greep hij terug op een reeds in 1892 gecomponeerd , Das himmlische Leben, op een tekst uit zijn geliefde bundel met volksliederen Des Knaben Wunderhorn.

Mahler had al eerder overwogen om het betreffende lied als finale voor de Derde symfonie te gebruiken, maar toen dat werk eenmaal tot zes delen was uitgedijd, leek een zevende deel toch een beetje te veel van het goede te worden.

"Er zit de opgewektheid in van een hogere, ons onbekende wereld die voor ons iets engs en beangstigends heeft"

Gustav Mahler

De Vierde geldt als Mahlers meest klassieke en toegankelijke symfonie. Met uitzondering van de vocale finale komen de delen overeen met de klassieke indeling (, en ) en de orkestklank wordt gekenmerkt door een overwegend lichte toets. Voor de in de Derde symfonie zo prominent aanwezige trombones is in het orkest van de Vierde bijvoorbeeld geen plaats. 

Het programmatische gehalte [of de muziek een 'verhaal' representeert, red.] van Mahlers symfonieën is altijd omstreden geweest, maar tegenover zijn vriendin Natalie Bauer-­Lechner en zijn vriend Bruno Walter heeft de componist toch enkele verklarende opmerkingen over de Vierde gemaakt:

'Er zit de opgewektheid van een hogere, ons onbekende wereld in die voor ons iets engs en beangstigends heeft. In het laatste deel legt het kind, dat in de toestand van het verpoppen toch al deel heeft aan deze hogere wereld, uit hoe het allemaal bedoeld is.’

Daarnaast bestaan er voor de verschillende delen opschriften van Mahlers hand. Voor het eerste deel: ‘Het eeuwige hier en nu’, voor het tweede deel: ‘Vriend Hein nodigt met zijn vedel ten dans’ en voor het derde deel: ‘Een trapsgewijs opstijgen naar de hemel’. In het vierde deel wordt men dan inderdaad de als luilekkerland voorgestelde hemel binnen­geleid. 

De opbouw van de symfonie
Het eerste deel heeft in overeenstemming met de traditionele opzet van de symfonie een overzichtelijke . Het eerste wordt na de inleidende maten met de schellen en de voorslagen in de fluit door de eerste violen ingezet en heeft een zwierig, enigszins landelijk karakter.

Het door de ’s geïntroduceerde tweede thema is uiterst gemoedelijk. De doorwerking wordt opnieuw ingeleid door de schellen en de voorslagen (dit keer voor de klarinet) en opent met een springerige frase voor de soloviool. Signalen in de hoge fluit en later de klarinet kondigen aan dat het gaat spoken, maar echt eng wordt het in deze doorwerking niet.

Het heeft hier meer weg van het gezellig griezelen van een kind dat zijn angsten snel vergeet en dat past goed in Mahlers uitlatingen over ‘het eeuwige hier en nu’, wat de wereld van het kind volgens psychologen immers in hoge mate is. De reprise begint tamelijk terloops halverwege het eerste thema en wordt beheerst door het hier breed aangezette tweede thema.

Het tweede deel is een met twee ’s. In de scherzo-secties hoort men 'Freund Hein’ die op zijn vedel speelt, een soloviool die een noot hoger dan gebruikelijk is gestemd. De overmatige drieklanken in de solopartij en de gerepeteerde en van de begeleiding hebben hier iets grotesks en suggereren dat Magere Hein niet helemaal zuiver speelt. De door de en de aangekondigde trio’s hebben het karakter van een pastorale en een slaapliedje. 

Het derde deel is naar Mahlers eigen zeggen een reeks variaties op een thema, maar is als zodanig moeilijk te herkennen, omdat het thema zeer omvangrijk is en de variaties met niet of nauwelijks aan het thema verwante episoden worden afgewisseld. De variaties zijn te herkennen aan de bassen aan het begin en in de episoden maakt de overheersende klank van de strijkers plaats voor die van de blazers.

In de hobo’s hoor je het lammetje blaten en de hoorn imiteert het gesteun van de os

Tegen het eind van het deel worden de variaties korter en treden plotselinge tempowisselingen op. Met een onverwachte naar een glorieus akkoord in een waas van trillers, ’s en ’s wordt de poort van de hemel opengegooid en vervolgens hoort men in de hoorns de eerste frase van Das himmlische Leben.

Het heeft negen stanza’s die door Mahler in drie groepen van twee en een zijn ingedeeld, waarbij de inleidende maten uit het eerste deel met hun voorslagen en schellen als tussenspel fungeren. Tekstuitbeelding wordt door Mahler in deze kinderlijke wereld niet versmaad. In de hobo’s hoor je het arme lammetje blaten en de hoorn imiteert het gesteun van de os.

Biografie

Tatjana Vassiljeva-Monnier, cello

Tatjana Vassiljeva-Monnier is eerste solocelliste bij het Concert­gebouworkest sinds ­augustus 2014. Ze studeerde in haar geboorte­stad Novosibirsk en in Moskou, waarna ze in 1994 naar München verhuisde om aan de Musikhochschule bij ­Walter ­Nothas te studeren. Ze vervolgde haar studie aan de ­Musikhochschule Berlin bij David Geringas.

Tatjana Vassiljeva-­Monnier won onder meer het Rostropovitsj-­concours in 2001 en soleerde met orkesten als het London Sym­phony Orchestra, het NHK Symphony Orchestra, de Münchner Philharmoniker, het Orchestre de Paris, het Sint-­Petersburg Filharmonisch Orkest, het Tonhalle-­Orchester Zürich, het Orchestre de la Suisse Romande en het New Japan Philharmonic Orchestra.

De celliste bracht talloze nieuwe werken in ­première. Met Krzysztof Penderecki werkte ze meerdere malen samen; ze bracht de ­gereviseerde versie van zijn Largo in première en nam zijn Tweede c­elloconcert op met het Filharmonisch Orkest van Warschau. Voor haar discografie won Tatjana Vassiljeva-Monnier diverse prijzen, zoals een Diapason d’Or voor een cd met hedendaagse werken en een CHOC voor haar opname van Bachs ­s.

Met enkele strijkers van de Berliner Philharmoniker richtte ze in 2007 het Philharmonisches Streichquintett Berlin op, waarmee ze tournees door Europa en Azië ondernam. Sinds 2023 geeft ze les aan de Hochschule für Musik Karlsruhe. Tatjana Vassiljeva-Monnier bespeelt een cello van Matteo Goffriller uit 1690, die door de Willem ­Mengelberg Stiftung aan haar in bruikleen is verstrekt via de Foundation Concert­gebouworkest.

Daniele Gatti, dirigent

Afgelopen augustus begon ­Daniele Gatti als chef- van de Sächsische Staatskapelle Dresden; in 2000 stond hij er voor het eerst op de bok.

Daniele Gatti is daarnaast chef-dirigent van het Teatro del Maggio Musicale Fiorentino, music director van het Orchestra Mozart en – sinds 2016 – artistiek adviseur van het Mahler Chamber Orchestra.

Als gastdirigent wordt hij uitgenodigd door de Berliner Philharmoniker, het ­Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks en het Orchestra Filarmonica della Scala.

Van 2016 tot en met 2018 was hij chef- van het Concertgebouworkest. Eerder leidde hij het Orchestra dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia in Rome (1992–97), het Royal Philharmonic Orchestra in Londen (1996-2009), het Teatro Comunale in Bologna (1997–2007), het Orchestre National de France (2008-2016) en het Opernhaus Zürich (2009-12).

Bij het Royal Ope­ra House Covent Garden was hij van 1994 tot 1997 eerste gastdirigent. In La Scala in Milaan debuteerde hij op zijn 27ste, hij dirigeerde producties bij de Wiener Staatsoper en de Metropolitan Opera in New York, leidde tot 2022 het Teatro dell’Opera di Roma en was meermaals te gast op de Bayreuther Festspiele en de Salzburger Festspiele.

Daniele Gatti werd geëerd met de Grande Ufficiale al Merito della Repubblica Italiana en kreeg in 2015 de Premio Franco Abbiati. In Frankrijk kreeg hij in 2016 de eretitel Chevalier de la Légion d’Honneur.

Julia Kleiter, sopraan

Julia Kleiter zong als kind in het Limburger Domchor en studeerde bij William Workman in Hamburg en Klesie Kelly-Moog in Keulen. Ze maakte haar debuut in 2004 in Parijs als Pamina in Mozarts Die Zauberflöte, een rol die haar ook naar Madrid, Zürich, München, Edinburgh, de Metropolitan Opera in New York en de Salzburger Festspiele zou brengen.

Op het operapodium stond de Duitse sopraan ook in het Royal Opera House Covent Garden in Londen, La Scala in Milaan en de Hamburger Staatsoper.

Eva in Die Meistersinger von Nürnberg van Wagner vertolkte ze onder Daniel Barenboim in Berlijn, Philippe Jordan in Parijs en Christian Thielemann in Dresden, en Ma­rschallin in Der Rosenkavalier van Richard Strauss in Brussel, Berlijn en Wenen. Onder Julia Kleiters concertoptredens zijn Beethovens Negende symfonie met Daniel Barenboim in Berlijn, Dvořáks Stabat Mater in München en zijn Requiem in Berlijn, Schumanns Das Paradies und die Peri in Frankfurt, Zürich en Leipzig en BrahmsEin deutsches Requiem in Londen.

Met de Sächsische Staatskapelle Dresden ­tourde ze met de e symfonie van Zemlinsky. Voor recitals werd Julia Kleiter uitgenodigd door Wigmore Hall in Londen, de Schubertiades van Schwarzenberg en Vilabertran en de Heidelberger Frühling. Met bariton Christian Gerhaher zong ze Wolfs Spanisches Liederbuch in Heidelberg, Londen, Madrid, München en Salzburg, en met tenor Christoph Prégardien zette ze het Italienisches Liederbuch op cd.

Julia Kleiter maakt haar debuut in de , maar was in de eerder te horen met het Concertgebouworkest: in april 2009 onder leiding van Nikolaus Harnoncourt in Mendelssohns Psalm 42 en Ein Sommernachtstraum en in november 2017 onder leiding van ­Daniele Gatti in Mahlers Vierde symfonie.

Koninklijk Concertgebouworkest, orkest

Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouw­orkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande en en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.

Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concert­gebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.

Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende en zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Ha­itink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.

Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, ­fondsen en donateurs wereldwijd.

Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest