Dvořáks Negende door het Pittsburgh Symphony Orchestra

Pittsburgh Symphony Orchestra
Manfred Honeck dirigent
Augustin Hadelich viool

Dit concert maakt deel uit van de serie Wereldberoemde Symfonieorkesten.

Carlos Simon (1986)

Four Black American Dances (2023) voor orkest
Ring Shout
Waltz
Tap!
Holy Dance

Samuel Barber (1910-1981)

Vioolconcert, op. 14 (1939)
Allegro
Andante
Presto in moto perpetuo

pauze ± 21.00 uur

Antonín Dvořák (1841-1904)

Symfonie nr. 9 in e kl.t., op. 95 (1893) ‘Uit de Nieuwe Wereld’
Adagio – Allegro molto
Largo
Scherzo: Molto vivace
Allegro con fuoco

einde ± 22.15 uur

Met dank aan het Fonds Wereldberoemde Symfonieorkesten.

Toelichting

Carlos Simon (1986)

Four Black American Dances

Door Carine Alders

Carlos Simon, dit seizoen composer in residence bij Het Concertgebouw, stamt uit een lange lijn van Afro-Amerikaanse predikanten en groeide op met gospel­muziek. Zijn vader had graag gezien dat hij die traditie voortzette, maar Simon koos het podium als kansel, zijn boodschap zit in zijn muziek. In 2024 bood hij met Gospel Mass een nieuw multimediaperspectief op de aloude ­liturgie van de heilige mis, als ­hommage aan de veerkracht van de zwarte gemeenschap.

In de opwindende Four Black American Dances vertelt Simon het verhaal van de rijke traditie van dans als Afro-Amerikaans sociaal fenomeen. De feestelijke Ring Shout werd gedanst door tot slaaf ­gemaakte Afrikanen, waarbij ze in een kring zijwaarts bewogen en stampten en klapten. Waltz herinnert aan het debutantenbal, ook bij zwarte Amerikanen populair in de jaren 1930, ten tijde van de Harlem en Chicago Renaissance. Oorspronkelijk presenteerden alleen ­rijke witte families hun dochters op zo’n bal om een goede huwelijkspartner te ­vinden. Voor zwarte Amerikanen waren deze bijeenkomsten niet toegankelijk. Tapdans is ontstaan uit een combinatie van Afrikaanse en Ierse dansen. Simons derde dans, Tap!, imiteert het tappen met de voeten door met stokken op de metalen rand van de snaredrum te slaan. Holy Dance verwijst ten slotte naar de uitbundige lofprijzing in veel Afro-Amerikaanse protestantse kerkdiensten. Bij de uithaal van de trombones zie je in gedachten de handen van de ‘worshippers’ de lucht in gaan.

Volgende maand publliceert Preludium een interview met Carlos Simon.

Dirigent Manfred Honeck over Carlos Simon:

‘Carlos Simon behoort voor mij tot de spannendste stemmen in de nieuwe Amerikaanse muziek. Zijn werk heeft een directe energie en openheid. Four Black ­American Dances is een cultuurhistorisch werk, aangezien het Afro-Amerikaanse tradities viert in dansen en het hun belang voor het heden belicht. Deze ongelooflijk rijke muzikale historie hoort juist ook thuis in de klassieke concertzaal, waar ze veel te lang verwaarloosd is geweest. Carlos Simon heeft een prachtige manier gevonden om deze Afro-­Amerikaanse traditie in een grote expressieve vrijheid te ontvouwen.’

Samuel Barber (1910-1981)

Vioolconcert

Door Michiel Cleij

De jonge Samuel Barber kon zich al na een paar stukken verheugen in een dubbele reputatie: hij was een van Amerika’s meest gespeelde én meest verguisde componisten. Met zijn schaamteloos welluidende, neoromantische schrijfstijl zwom hij tegen de modernistische stroom in. Dat kwam hem op strenge kritiek uit de avant-gardehoek te staan, maar het leverde hem wel een groot publiek op. Zo werd zijn for Strings een wereldwijde uitvaartfavoriet en Amerika’s instant-volkslied op dagen van nationale rouw. Opmerkelijk is ook dat hij – anders dan zijn grote tijdgenoten Aaron Copland en Leonard Bernstein – niet flirtte met volks­muziek of jazz en daardoor niet typisch Amerikaans klonk. Zijn muziek neigt sterk naar Europa, waar hij enkele jaren studeerde en werkte.

Het Vioolconcert was Barbers eerste grote compositieopdracht. Het stuk ontstond grotendeels tijdens een langdurig verblijf in Zwitserland. De onverstoorbaarheid waarmee hij vasthield aan zijn ‘ouderwetse’ componeerstijl spreekt ook uit het zorgeloze karakter van de muziek: oprukkend fascisme en acute oorlogsdreiging verduisterden Europa, maar daar hoor je niets van terug. De eerste twee delen hebben een sereen karakter, omfloerst met de melancholie die zelfs Barbers prilste composities kenmerkt. Hij was, aldus een criticus, ‘één van die mensen die middle aged geboren worden’. Bovenal klinkt hier Barbers liefde voor de kunst door. Hij kon al terugzien op een kortstondige nevencarrière als bariton en zou altijd blijven getuigen van een sterk gevoel.

Dat was niet genoeg, vond violist Iso Briselli. Hij was degene die het werk in première zou brengen, en hij miste de glamour en virtuositeit die hij voor succes noodzakelijk achtte. Gelukkig moest Barber het slotdeel nog schrijven; de oorlog was inmiddels uitgebroken en de componist was halsoverkop naar Amerika teruggekeerd. Alsof hij zich wilde revancheren voegde hij een vrijwel melodieloze finale toe, een rusteloos raderwerk dat het stuk van de negentiende eeuw naar de moderne tijd katapulteert. En wéér was het niet goed; de solopartij was volgens Briselli ‘niet violistisch’. Barber riposteerde dat hij zijn artistieke integriteit belangrijker vond en veranderde geen noot. Helemaal juist; Briselli heeft achteraf kunnen zien hoe een jaloersmakende reeks vioolgiganten dit stuk op hun repertoire hebben genomen.

Antonín Dvořák (1841-1904)

Dvořák: Negende symfonie

Door Axel Meijer

Antonín Dvořák stapelde eind negentiende eeuw succes op eclatant succes, waarvan het grootste de première van zijn Negende symfonie in e klein was, in 1893 in New York. Dvořák was daar op dat moment directeur van het Nationaal Conservatorium, op uitnodiging van de steen­rijke oprichter ervan, Jeannette Thurber, met als opdracht de jonge Amerikaanse componisten te leren een eigen nationale muziektaal te ontwikkelen. De componist uit Bohemen (in wat nu Tsjechië is) raadde zijn leerlingen aan vooral te luisteren naar de volksmuziek van hun land.

Vanwege de bijnaam ‘Uit de ­Nieuwe Wereld’ wordt vaak vermoed dat Noord-Amerikaanse muziek ook een invloed had op zijn eigen Negende symfonie. Dvořák zelf vond het onzin. Ofschoon er wel degelijk enkele spirituals in te bespeuren zijn, is het inderdaad vooral een typisch Boheemse symfonie, vervuld van heimwee naar het land en de familie die de componist voor zijn lucratieve bestuursbaan had achtergelaten.

Na een korte inleiding in het waarin donkere strijkers en heldere ­blazers elkaar afwisselen, volgt een energiek , net zo rusteloos als New York rond 1900, maar toch honderd procent Dvořák. De ­tweede hoofdmelodie is een authentiek ­Boheems aandoende boerendans. Het enige echt Amerikaanse aan dit deel is het derde thema, dat doet denken aan de spiritual Swing Low Sweet Chariot.

Dvořáks symfonie ‘Uit de nieuwe wereld’ is vooral een typisch Boheemse symfonie

De hoofdmelodie van het Largo, de bekende solo, staat in Amerika bekend als een traditionele spiritual, maar er is iets geks mee: de componist William Arms Fisher arrangeerde in 1922 de en schreef er een tekst op – Goin’ Home. En in die ‘coverversie’ werd het beroemder dan Dvořák ooit had durven dromen. Toch spreekt uit die songtitel precies de heimwee die Dvořák wilde uitdrukken. De componist zelf overigens zei het deel te beschouwen als een voorstudie voor een of over Henry Wadsworth Longfellows indianenepos Hiawatha. De rust in het Largo wordt één keer doorbroken door een snelle passage, die eindigt met een herhaling van het hoofdthema uit het eerste deel.

Het levendige, opgewonden zou de bruiloft uit Hiawatha verklanken. Daarbij doemt dan wel het beeld op van inheemsen die in Tsjechische klederdracht een traditionele dumka dansen, want de klank is door en door Boheems. Wie goed luistert, hoort ­tegen het eind nog eens het eerste thema van de symfonie.

Het con fuoco introduceert, na de openingsmaten die onvermijdelijk aan John Williams’ filmmuziek voor Spielbergs Jaws doen ­denken, nog één belangrijk thema in de . Daarna grijpt Dvořák veel terug op materiaal uit de eerste drie delen. Maar daarbij speelt hij zo met de ­orkestratie dat veel ervan weer nieuw lijkt. Tegen het eind combineert Dvořák de hoofdthema’s uit het eerste en het laatste deel, en alles lijkt haast te ontsporen. Uiteindelijk hervindt het orkest vaste grond en na een ­daverende slotpartij eindigt Dvořáks Negende ­symfonie mfantelijk en toch stil, hoog in de .

Biografie

Pittsburgh Symphony Orchestra, orkest

Het Pittsburgh Symphony Orchestra werd opgericht in 1895 en heeft sinds 1971 zijn thuisbasis in de Heinz Hall. De eerste chef- was Victor Herbert (1898-1904). Later stonden onder meer Fritz Reiner, André Previn, Lorin Maazel en Mariss Jansons aan het hoofd van het gezelschap. Na een chefloze periode van 2005 tot 2008 werd Manfred Honeck benoemd tot chef-dirigent.

Sinds het Pittsburgh Symphony Orchestra in 1947 voor het eerst internationaal op tournee ging – naar Mexico – maakte het orkest concertreizen naar vele landen. In eigen land speelt het zeer geregeld in Carnegie Hall in New York en in het Kennedy Center in Washington.

Het orkest kan bogen op een uitgebreide discografie, opgebouwd sinds 1941 en bekroond met een aantal Grammy Awards – bijvoorbeeld voor een opname uit 1992 met cellist Yo-Yo Ma, voor Barbers for Strings (2018) en SjostakovitsjVijfde symfonie (2018).

Het gezelschap is een promotor van Amerikaanse muziek en bracht bijvoorbeeld in 1944 Bernsteins Eerste symfonie ‘Jeremiah’ in première en in 1986 Adams’ Short Ride in a Fast Machine.

Het is lang geleden dat het Pittsburgh Sym­phony Orchestra in Amsterdam te horen was: in januari 2008 verzorgde het een Brahms-programma onder leiding van Marek Janowski en met violist Leonidas Kavakos.

Op de huidige, vijfentwintigste Europese tournee doet het orkest ook zalen aan in Frankfurt, Hamburg, Hannover, Berlijn, Wenen, München, Parijs, Brussel en Düsseldorf.

Manfred Honeck, dirigent

Manfred Honeck, de Oostenrijkse chef- van het Pittsburgh Symphony Orchestra, begon als violist en altviolist en maakte ooit deel uit van de Wiener Philharmoniker. Het directievak leerde hij van onder anderen Claudio Abbado, die hij assisteerde bij het Gustav Mahler Jugendorchester.

Begin jaren 1990 leidde Manfred Honeck regelmatig uitvoeringen van het Opernhaus Zürich en zijn eerste vaste post werd die van chef-dirigent van de Nationale van Noorwegen.

In de daaropvolgende decennia bekleedde hij vergelijkbare posities bij het MDR-Sinfonieorchester, het van de Zweedse Radio en de Staatsoper Stuttgart. In mei 2006 stond Manfred Honeck voor het eerst op de bok bij het Pittsburgh Symphony Orchestra, dat hem aanstelde als chef- met ingang van het seizoen 2008/2009.

Als gastdirigent stond Manfred Honeck voor alle grote Amerikaanse orkesten – Boston, Chicago, Cleveland, Los Angeles, New York, Philadelphia, San Francisco – maar ook voor bijvoorbeeld het Orches­tre de Paris, het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks, de Berliner en de Wiener Philharmoniker, de Staatskapelle Dresden, het London Symphony Orchestra en de Accademia Nazionale di Santa Cecilia Roma. ’s leidde hij bij de Komische Oper Berlin, De Munt in Brussel en de Salzburger Festspiele. In 2018 werd hij bij de International Classical Music Awards 2018 verkozen tot ‘artist of the year’.

Bij het Concertgebouworkest stond Manfred Honeck in januari 2004 voor het eerst op de bok. Hij kwam terug in 2016 en 2018, en leidde in de Bruckner-cyclus van het orkest zowel de Achtste (juni 2024) als de Negende symfonie (februari 2025).

Augustin Hadelich, viool

Augustin Hadelich studeerde aan het Instituto Mascagni in Livorno en bij Joel Smirnoff aan de Juilliard School of Music in New York. Hij won de International Violin Competition of Indianapolis (2006), kreeg een Avery Fisher Career Grant (2009) en een Borletti-Buitoni Trust ­Fellowship (2011), werd in 2018 door Musical America uitgeroepen tot ’instrumentalist of the year’ en in 2021 nogmaals door Klassik.

Voor zijn opname van Dutilleux’ vioolconcert L’Arbre des songes won hij in 2016 een Grammy Award.

Augustin Hadelich soleerde bij de Berliner Philharmoniker, het Symphonie­orchester des Bayerischen Rundfunks, het Orchestre National de France, het London Philharmonic Orchestra, het Seoul Philharmonic Orchestra, het NHK Symphony Orchestra Tokyo en alle grote orkesten in Noord-Amerika.

Bij het Concertgebouworkest debuteerde Augustin Hadelich in februari 2017 met Bernsteins Seren­ade. In oktober 2024 kwam hij terug met SibeliusVioolconcert onder leiding van Karina Canellakis. Van 2019 tot 2023 was de violist associate artist van het NDR Elbphilharmonie Orchester in Hamburg. Augustin Hadelich geeft les aan de Yale School of Music en bespeelt de ‘Leduc-ex-Szeryng’-Guarneri del Gesù uit 1744.