Diana Damrau en Antonio Pappano: Strauss’ Vier letzte Lieder
Diana Damrau sopraan
Antonio Pappano piano
Dit concert wordt voorzien van boventiteling.
Dit concert maakt deel uit van de serie Grote Solisten.
Gioacchino Rossini (1792-1868)
La dichiarazione (La promessa) (1834)
L’invito (1830)
La passeggiata (1831)
La danza (Tarantella Napolitana) (1830)
Georges Bizet (1838-1875)
Pastel (1886)
Chant d’amour (1872)
Vous ne priez pas (1873)
Richard Wagner (1813-1883)
Adieux de Marie Stuart (1840)
pauze ± 21.00 uur
Alban Berg (1885-1935)
Sieben frühe Lieder (1905-08)
Nacht
Schilflied
Die Nachtigall
Traumgekrönt
Im Zimmer
Liebesode
Sommertage
Richard Strauss (1864-1949)
Vier letzte Lieder, op. 150 (1948; versie voor piano van Max Wolff en Ernst Roth)
Frühling
September
Beim Schlafengehen
Im Abendrot
einde ± 22.10 uur
Toelichting
Gioachino Rossini 1792-1868
Rossini
Door Frits de Haen
Als componist domineerde hij het begin van de negentiende eeuw: Gioacchino Rossini. Een kleine veertig opera’s ontstonden tussen 1810 en 1829. Maar daarna, in de 39 jaar die hem nog restten na Guillaume Tell: geen enkel muziekdramatisch werk.
Geboren in het kleine Pesaro had Rossini leren spelen van zijn vader; ook had hij compositieles gekregen. Op jonge leeftijd verbaasde hij iedereen met zijn productiviteit: in 1812 de première van zes opera’s, het jaar daarna vier, waaronder L’Italiana in Algeri, dat Rossini’s naam definitief vestigde bij een groter publiek.
Minder bekend zijn Rossini’s talrijke eren, zowel jeugdwerken als daterend uit zijn latere periode. Waaronder de Serate musicali (‘Soirées musicales’), die tussen 1830 en 1835 ontstonden voor de wekelijkse soirees in zijn Parijse woning: twaalf liederen voor verschillende stemtypes. In de La promessa wordt de geliefde eeuwige trouw beloofd, de L’invito is een onverbloemde uitnodiging om elkaars nabijheid op te zoeken. In La danza nodigt een tarantella uit tot dansen. La passeggiata komt uit de Cartas españolas uit 1831.
Overigens toonzette Rossini een andere tekst met dezelfde titel voor zangerskwartet in zijn late Péchés de veillesse (‘Ouderdomszonden’).
Georges Bizet 1838-1875
Bizet
Tegenover Rossini’s 76 jaar zou Georges Bizet het met minder dan de helft moeten doen. Hij stierf toen hij 36 was, ongeveer de leeftijd waarop Rossini zijn Guillaume Tell componeerde.
Bizet werd al op zijn negende toegelaten aan het conservatorium, op zijn achttiende won hij de prestigieuze Prix de Rome. Zijn oeuvrelijst oogt indrukwekkend: hij werkte aan niet minder dan een dertigtal muziekdramatische composities (waarvan echter slechts zes overgeleverd in een uitvoerbare staat); daarnaast zijn er orkest- en koorwerken, pianowerken en een kleine vijftig eren.
Het onderzoek naar Bizets werk is gecompliceerd: hij zelf was slordig en zijn weduwe was evenmin al te nauwkeurig met zijn artistieke nalatenschap - zo ging veel verloren. Bovendien buitte zijn uitgever het succes van Carmen uit door postuum allerlei ongeautoriseerde edities te publiceren.
Ook Pastel stamt uit een bundel die na Bizets overlijden werd uitgebracht, mede om die reden is getwijfeld aan de authenticiteit ervan. Eveneens is geopperd dat het aanvankelijk een andere tekst had, wellicht bedoeld voor de onvoltooid gebleven opéra comique Clarissa Harlowe. Dat doet echter niets af aan de kwaliteit van deze dromerige beschrijving van een schilderij.
De Vingt mélodies beleefden hun publicatie in 1873. Met zijn onrustig drijvende begeleiding zou de Chant d’amour probleemloos een plaats hebben kunnen vinden in een , terwijl Vous ne priez pas, met zijn ostinate begeleidingsfiguren, op treffende wijze afscheidspijn verklankt.
Richard Wagner 1813-1883
Wagner
Er is het nodige gezegd over Rossini’s ontijdige afscheid van het toneel. Tijdens een ontmoeting met Richard Wagner in 1860 noemde hij als verklaring de teloorgang van de Italiaanse theaters, de slechte kwaliteiten van de zangers en zijn diep gewortelde verlangen om het rustiger aan te gaan doen. Maar ook Rossini’s slechte gezondheid zal zeker een rol gespeeld hebben.
In de jaren 1860 groeide Wagners reputatie, maar dat was zo’n twintig jaar eerder wel anders. Berooid was hij uit Riga naar Parijs gevlucht en hij voorzag in zijn levensonderhoud met correctie- en arrangeerwerk voor uitgever Maurice Schlesinger.
Daarnaast probeerde hij in de gunst van het Parijse publiek te komen met zettingen van Franse teksten. Waaronder Adieux de Marie Stuart, de jammerklacht waarin zij het verdriet verwoordt over haar gedwongen vertrek uit Frankrijk – het land waar ze vanaf haar vijfde opgegroeid was. Anders dan je misschien verwacht hoor je duidelijk de invloeden van de Italiaanse .
Alban Berg 1885-1935
Berg
Zoals de titel al suggereert kunnen de Sieben frühe er teruggevoerd worden op de jonge Alban Berg. Als adolescent had hij een grote passie voor literatuur; pas later richtte hij zich op muziek. Het was Albans broer Charley die het contact met Arnold Schönberg legde. Na een advertentie waarin Schönberg zich aanbood als compositiedocent nam Charley een stapel liederen van zijn broer mee. Naar verluidt onderkende Schönberg onmiddellijk diens talent en bood aan gratis les te geven.
Van de 55 eren uit die jaren 1904 tot 1908 selecteerde Berg er twintig jaar later zeven voor publicatie. Ze laten een jong talent horen, op zoek naar zijn stijl. Zowel het impressionistische idioom komt voorbij, zoals in Nacht (met bijvoorbeeld een heletoonstoonladder), maar ook een meer romantische, zelfs schumanneske stijl, zoals in Die Nachtigall.
In de woorden van Schönberg: ‘Twee dingen blijken duidelijk, zelfs uit Bergs vroegste composities, hoe onbeholpen ook: ten eerste, dat muziek voor hem heel duidelijk een taal is en dat hij zich werkelijk in die taal uitdrukte, en ten tweede: de warmte van gevoel.’
Richard Strauss 1864-1949
Strauss
Hoewel de jonge Richard Strauss gold als vernieuwer, eindigde hij traditioneel. Maar dat had veel te maken met het feit dat inmiddels meerdere generaties baanbrekers waren opgekomen.
In de Vier letzte er kijkt de componist terug op zijn leven en op alle desillusies van zijn laatste jaren: de vernietiging van de gebouwen van Dresden, München en Wenen en de kritiek omdat hij tijdens de oorlog geen afstand had genomen van de nazi’s. Hij schreef de cyclus op zijn 84ste en zou de liederen zelf nooit meer horen uitvoeren, althans niet in de orkestversie.
Vanavond klinken de eerste liederen in een pianoversie van Max Wolff. De pianotranscriptie van Im Abendrot is van de hand van Ernst Roth. De aanzet tot de compositie werd gevormd door Joseph von Eichendorffs gelijknamige gedicht. Strauss las het en was bijzonder getroffen door het beeld van het oudere koppel dat naar de zonsondergang kijkt, en zich na een lang en vol leven berustend afvraagt: ‘Ist das etwa der Tod?’
Nadat hij dit gedicht had getoonzet, besloot hij een cyclus van vijf eren te maken. De andere vier wilde hij ontlenen aan een bundel van Hermann Hesse, die een bewonderaar hem een jaar eerder had opgestuurd. Maar Strauss’ plannen werden niet volledig gerealiseerd, hij zette er nog slechts drie. Symbolisch genoeg legde hij de laatste hand aan September op 20 september 1948: nog geen jaar later, op 8 september 1949, zou hij het tijdelijke voor het eeuwige verwisselen.
De gedichten van Hesse stammen uit verschillende perioden. Frühling dichtte hij rond de eeuwwisseling, Beim Schlafengehen dateert uit de jaren van de Eerste Wereldoorlog toen Hesse Duitsland de rug toekeerde. Overigens zouden Strauss en Hesse elkaar treffen en je kunt je afvragen hoe die ontmoeting is geweest: de een die zich de nazi-verering liet welgevallen, de ander die juist een diepe verachting voelde jegens de nazi’s en het nationaal-socialistische Duitsland ontvlucht was.
Biografie
Diana Damrau, sopraan
De Duitse sopraan Diana Damrau is al twee decennia lang een vaste waarde op de internationale concert- en podia. Ze onderhoudt hechte banden met de Bayerische Staatsoper in München, de Metropolitan Opera in New York, het Royal Opera House Covent Garden in Londen, La Scala in Milaan, de Wiener Staatsoper en de Oper Zürich.
Haar cd-opnames, exclusief voor Warner/Erato, reiken van haar albumdebuut Arie di Bravura (Mozart en Salieri) en COLORaturaS (’s uit de ) tot orkestliederen van Richard Strauss (Echo Klassik 2011) en Grand Opera, gewijd aan Meyerbeer en bekroond met de Klassic 2018 Singer of the Year Award.
Recente highlights zijn haar titelroldebuut in Verdi’s Maria Stuarda in Zürich, een tournee met harpist Xavier de Maistre, de titelrol in Verdi’s La traviata in een nieuwe productie aan de Met en een residency bij het Barbican Centre in Londen.
Ook voor het zingen van s reist Diana Damrau de wereld rond. Zo tourde ze in seizoen 2017/18 met Wolfs Italienisches erbuch, samen met tenor Jonas Kaufmann en pianist Helmut Deutsch; live-opnames daarvan verschenen op cd.
In Het Concertgebouw debuteerde Diana Damrau in september 2014, in een gala met werken van Bellini, Verdi, Gounod en Massenet. Als gast van het Concertgebouworkest tijdens de Opening Night 2017 zong ze ’s van Mozart onder leiding van Thomas Hengelbrock.
Antonio Pappano, piano
Antonio Pappano is artistiek leider van het Royal House Covent Garden sinds 2002 en chef- van het London Symphony Orchestra sinds 2024. Bij het orkest van het Orchestra dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia in Rome nam hij in 2023 na achttien jaar afscheid als muzikaal leider.
Antonio Pappano is een veelgevraagd gastdirigent bij ’s werelds beste orkesten, creëert als dirigent én als pianist een gestage stroom cd- en dvd-opnamen, en werkt mee aan programma’s voor de BBC, waarbij zijn introducties tot Italiaanse opera en Wagners Der Ring des Nibelungen een speciale vermelding verdienen.
Antonio Pappano werd in 1959 in Londen geboren als kind van Italiaanse ouders. Toen hij dertien was, verhuisde het gezin naar de Verenigde Staten, waar hij piano, compositie en directie studeerde. Door zijn werk als repetitor en assistent- bij diverse huizen ontwikkelde hij zich al gauw tot een begenadigd operadirigent. Antonio Pappano leidde producties van onder andere de New York City Opera, de Lyric Opera of Chicago en de Bayreuther Festspiele.
Zijn eerste vaste aanstelling als operadirigent was aan de Opera in Oslo, gevolgd door De Munt in Brussel. In 2004 debuteerde Antonio Pappano bij het Concertgebouworkest en hij keerde daarna regelmatig terug. Een van de memorabele samenwerkingen was het Prinsengrachtconcert in 2013. In mei 2019 leidde hij het orkest in Berlioz’ Grande messe des morts. Bij de meest recente samenwerking, in januari 2025, dirigeerde hij Berlioz’ Symphonie fantastique en Jake Heggies Camille Claudel: Into the Fire met mezzosopraan Joyce DiDonato.
'Het kookt daar!' Lees hier het interview met Antonio Pappano.

