Concertgebouworkest speelt Beethovens ‘Pastorale’ symfonie

Concertgebouworkest
Daniel Harding dirigent
Leonidas Kavakos viool

Johannes Brahms (1833-1897)

Vioolconcert in D gr.t., op. 77 (1878)
Allegro non troppo
Adagio
Allegro giocoso, ma non troppo vivace
cadens eerste deel: J. Heifetz

pauze ± 21.00 uur

Ludwig van Beethoven (1770-1827)

Symfonie nr. 6 in F gr.t., op. 68, ‘Pastorale’ (1807-08)
Angenehme, heitere Empfindungen, welche bei der Ankunft auf dem Lande im Menschen erwachen
Szene am Bach
Lustiges Zusammensein der Landleute
Donner-Sturm
Hirtengesang. Wohltätige, mit Dank an die Gottheit verbundene Gefühle nach dem Sturm

einde ± 22.10 uur

Toelichting

Johannes Brahms 1833-1897

Vioolconcert

Door Anneloes Brand

Johannes Brahms was een van de laatste grote romantici; hij dweepte met onder anderen Ludwig van Beethoven en geloofde in de conven­tionele vorm en structuur. Het jaar 1853 vormde een omslagpunt in zijn leven: tijdens zijn tournee door Duitsland met de Hongaarse violist Eduard Reményi leerde hij diens landgenoot Joseph Joachim kennen, die een levenslange vriend en inspiratiebron zou zijn. Met een referentiebrief van deze vooraanstaande violist op zak, ontmoette Brahms in hetzelfde jaar ook Robert Schumann. Schumann was zo onder de indruk van de twintigjarige pianist/componist, dat hij een bijzonder lovend artikel in zijn Neue Zeitschrift für Musik publiceerde, dat Brahms in één klap bekendheid gaf.

Brahms verbleef in de zomers van 1877-79 in Pörtschach aan de Wörthersee (in het zuiden van Oostenrijk). De zomerverblijven hadden duidelijk een gunstige uitwerking op Brahms’ creatieve geest. Hij maakte elke dag een wandeling in de omgeving en schreef vanuit Pörtschach dat het landschap zo bezaaid lag met mooie ën, dat je ze maar hoefde op te lepelen. Weelderige, doortimmerde werken zoals de Tweede symfonie (1877) en het Vioolconcert (1878) waren het resultaat.

  • Pörtschach am Wörthersee

Soloconcerten zijn vaak ‘portretten’, niet alleen van het instrument in kwestie maar ook van de musicus die als inspiratiebron fungeerde. In het geval van BrahmsVioolconcert in D groot, op. 77 was dat zijn goede vriend Joseph Joachim. Deze gaf Brahms viooltechnische adviezen tijdens het componeren van het concert en bracht het werk met het Gewandhausorchester Leipzig onder leiding van de componist zelf op Nieuwjaarsdag 1879 in première.

De gepeperde Finale is een eerbetoon aan Joachims Hongaarse afkomst. In die tijd was het inmiddels de gewoonte geworden om de (een virtuoze solo voor de instrumentalist, meestal aan het eind van het eerste deel) geheel uit te schrijven in plaats van door de solist te laten improviseren, maar Brahms liet de eer aan Joachim. Diverse violisten hebben sindsdien zelf een cadens bedacht, maar Joachims versie is de meest gespeelde. Leonidas Kavakos opteert voor de berucht lastige cadens van zijn grote voorganger Jascha Heifetz (1901-1987).

Het Vioolconcert was geschreven als een ‘symfonisch concert’: geen werk waarin de solist al zijn kunsten tentoon kon spreiden, met het orkest als louter begeleiding, maar een concert waarin orkest en solist een dialoog aangaan. Brahms had echter wel Joachims kwaliteiten als uitgangspunt genomen en dat bleek niet ieders standaard: de Weense violist Joseph Hellmesberger sr. oordeelde dat het ‘een concert niet voor, maar tegen de viool’ was. Na de langzame orkestinleiding maakt de solist met flair zijn entrée in het non troppo. Diverse e ën volgen elkaar op en worden door Brahms tot een organisch geheel geweven. Dan volgt ‘een arm ’, zoals Brahms, met zijn gebruikelijke zelfspot, het zelf noemde. In dit deel, waarin de solohobo het hoofdthema presenteert en de violist echoot en voortborduurt, heerst een gevoel van verfijning. Een levendige, vurige uitsmijter besluit het concert, maar blijft ver van effectbejag.

Ludwig van Beethoven 1770-1827

Beethoven: Zesde symfonie ‘Pastorale’

Door Anneloes Brand

‘Niemand heeft het buitenleven zo zeer lief als ik.’ Ludwig van Beethoven wandelde bijna elke middag in een van de parken van Wenen, of langs het ‘glacis’, over het grote open veld net buiten de stadsmuur. Ieder jaar verkaste hij voor een paar maanden naar een dorp in de buurt of trok hij zich terug in een kuuroord. (‘De hele zomer in de stad blijven is een marteling voor me’, zei hij eens.) Terwijl hij wandelde nam hij niet alleen de natuur in zich op, maar componeerde hij ook. De schilder August von Klöber bijvoorbeeld herinnerde zich dat hij Beethoven had zien rondkuieren, en dat de componist vaak stilstond, alsof hij luisterde, en iets in zijn notitieboekje opschreef.

Het jaar 1808 was een productief jaar voor Beethoven. Hij voltooide onder meer zijn Vijfde én Zesde symfonie – geheel verschillend van karakter. Hij hield de twee symfonieën zelfs op dezelfde avond in het (onverwarmde!) Theater an der Wien ten doop op 22 december 1808, en daarna voerde hij ook nog zijn Vierde pianoconcert, de Koorfantasie, de concertaria Ah! perfido en delen uit de Mis in C groot uit.

Beethoven had zijn Zesde symfonie in F groot, op. 68 ‘Pastorale’ enkele maanden voor de première voltooid in Heiligenstadt (waar hij in 1802 de zorgen rond zijn groeiende doofheid van zich af had geschreven in het zogenaamde ‘Heiligenstädter Testament’). Het is een symfonie in de pastorale-muziektra­ditie: met imitaties van natuurgeluiden, bourdontonen (aanhoudende bas­tonen) en een belangrijke rol voor s en .

Verder is het een van de weinige werken die hij zelf een bijnaam meegaf, voluit ‘ pastorale: herinnering aan het leven op het land’. Sterker nog, bij de première en later in de gedrukte gaf de componist extra uitleg: ‘Eerste deel: De plezierige gevoelens die bij de mens ontwaken als hij buiten op het land arriveert. Tweede deel: Scène bij de beek. Derde deel: Vreugdevolle broederschap van het plattelandsvolk, onderbroken door het vierde deel: Onweer en storm, op zijn beurt overgaand in het vijfde deel: Herderslied. Weldadige gevoelens na de storm, gevoegd bij dankbaarheid jegens de Godheid.’

  • Ludwig van Beethoven, door Friedrich August von Klöber

Aangezien Beethoven geen liefhebber van illustratieve muziek was, was hij zijn toelichting bewust begonnen met het statement dat zijn werk ‘meer de uitdrukking van gevoel dan uitbeelding’ was. Maar de titels die hij de delen gaf spreken duidelijke taal en er is weinig fantasie voor nodig om onder meer eren van boeren en herders, vogelgekwetter (een nachtegaal, een kwartel en een koekoek in het tweede deel) en onweer in de symfonie te herkennen.

Je zou kunnen zeggen dat de Zesde biografisch is, maar evenzeer dat de muziek universele emoties verklankt. Want wie voelt zich nu niet ‘bevrijd’ als je vanuit de stadse drukte in de weldadige rust van de natuur terechtkomt? Verkwikt na een wandeling langs een beekje? Blij van een ongecompliceerd samenzijn in het open veld, met muziek, drank en gezelligheid? En onder de indruk van een fikse onweersbui? Sommige historici verklaren het vierde deel als Beethovens uiting van zijn woede en onmacht vanwege zijn doofheid, maar dat zullen we nooit met zekerheid weten. Het vijfde deel verklankt in ieder geval opluchting, nadat de storm is weggetrokken, en Beethovens dankbaarheid voor de schoonheid der natuur. Deze ode aan het platteland werd een van Beethovens meest geliefde werken.

Biografie

Daniel Harding, dirigent

Nog maar achttien was Daniel Harding toen hij in 1994 zijn loopbaan begon als assistent van Simon Rattle bij het City of Birmingham Symphony Orchestra. Het seizoen erop assisteerde hij Claudio Abbado bij de Berliner Philharmoniker.

Momenteel is hij chef- van het Swedish Radio Symphony Orchestra (sinds 2007) en eredirigent van het Mahler Chamber Orchestra, waarmee hij al meer dan twintig jaar werkt. Komende herfst volgt hij Antonio Pappano op als chef-dirigent van het orkest en koor van de Accademia Nazionale di Santa Cecilia in Rome en gaat hij Youth Music Culture The Greater Bay Area leiden in China. 

Van 2007 tot 2017 was Daniel Harding eerste gastdirigent van het London Symphony Orchestra en van 2016 tot 2019 artistiek leider van het Orchestre de Paris. Als gastdirigent wordt hij uitgenodigd door de ­Wiener en de Berliner Philharmoniker, de Staatskapelle Dresden, de Filarmonica della Scala en de grote Amerikaanse orkesten. Bij het Concertgebouworkest debuteerde hij in 2004.

producties leidde de in Milaan, Aix-en-Provence, Londen, Wenen, Salzburg en München. Daniel Harding werd geboren in Oxford, studeerde aan Chetham’s School of Music in Manchester en speelde op zijn dertiende in het National Youth Orchestra of Great Britain. De musicus is tevens gekwalificeerd lijnvluchtpiloot. Zijn vorige optreden in Het Concertgebouw was op 26 mei 2023 in Mahlers Zevende symfonie met het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks.

Leonidas Kavakos, viool

Leonidas Kavakos brak internationaal door met het winnen van Sibelius Concours in 1985 en het Paganini Concours in 1988. Sinds die tijd werkt hij met gezelschappen als de Wiener, de Berliner en de ­Münchner Philharmoniker, de Staatskapelle Dresden, het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks, het London Symphony Orchestra en het Orchestre Philharmonique de Radio France.

Sinds 2002 is hij een graag geziene gast bij het Concertgebouworkest, waar hij soleerde in een breed repertoire van Saint-Saëns en Tsjaikovski tot Rihm en Dutilleux.

In het seizoen 2014/2015 was hij de eerste artist in residence in de geschiedenis van het orkest. Tijdens Opening Night 2021 op de Dam soleerde hij in werken van Kreisler, Paganini, Mascagni en Ravel, en in oktober en november 2022 was hij met het orkest onder leiding van Daniel Harding in Amsterdam en op tournee te horen in BrahmsVioolconcert.

In zijn geboortestad Athene geeft hij jaarlijks druk bezochte masterclasses viool en ensemblespel. Leonidas Kavakos is ook actief als ; zo leidde hij het Budapest Festival Orchestra, het Rotterdams Philharmonisch Orkest, de New York Philharmonic, de Wiener Symphoniker, het Orchestra dell’Accademia Nazionale di Sa­nta Cecilia, het Israël Filharmonisch Orkest en het Chamber Orchestra of E­urope.

Leonidas Kavakos trad regelmatig op met cellist Y­o-Yo Ma en pianist Emanuel Ax en rekent onder zijn kamermuziekpartners ook de pianisten Enrico Pace en Yuja Wang. Solo was hij te horen in bijvoorbeeld Bachs ’s en s, die hij ook op cd opnam. Leonidas Kavakos bespeelt de ‘Willemotte’-­Stradivarius uit 1734.

Wat vindt Leonidas Kavakos zo bijzonder aan Korngolds Vioolconcert? Lees hier het artikel.