Concertgebouworkest: Gatti meets Kavakos

Koninklijk Concertgebouworkest
Daniele Gatti dirigent
Leonidas Kavakos viool 

Oorlog & Vrede 

pauze ca. 21.15 uur
einde ca. 22.15 uur 

Dit concert maakt deel uit van de serie A.

Inleiding & meet the artists

Voorafgaand aan het concert geeft musicoloog Michel Khalifa om 19.15 uur een inleiding in de Koorzaal. Guillaume Connesson is zijn gast. Uw gratis kaartje hiervoor kunt u reserveren via de Concert­gebouwlijn (0900-671 83 45; 1 euro per gesprek) of afhalen aan de kassa van Het Concert­gebouw.

Direct na het concert is er Meet the Artists in de Spiegelzaal. Artistiek directeur Joel Ethan Fried spreekt met chef-dirigent Daniele Gatti, violist Leonidas Kavakos en een orkest­musicus.

Guillaume Connesson 1970

Eiréné (2017)
poème nocturne pour orchestre
wereldpremière; geschreven in opdracht van het 
Koninklijk Concertgebouworkest

Rudolf Escher 1912-1980

Musique pour l’esprit en deuil, op. 6 (1943)

Karl Amadeus Hartmann 1905-1963

Concerto funebre (1939, revisie 1959)
voor viool en strijkorkest
Introduktion (Largo) 
Adagio 
Allegro di molto 
Choral (Langsamer Marsch) 

pauze

Arthur Honegger 1892-1955

Derde symfonie (1945-46) 
‘Symphonie liturgique’
Dies irae (allegro marcato)
De profundis clamavi (adagio)
Dona nobis pacem (andante) 

Toelichting

Connesson: Eiréné

Door Mark van Dongen

Guillaume Connesson ziet het ‘complexe mozaïek van de moderne wereld’ als zijn belangrijkste inspiratiebron. Typerend voor een componist van zijn generatie onderging hij zeer uiteenlopende invloeden; van popmuziek, postmoderne minimal music en Franse modernisten als Dutilleux en Messiaen tot de impressionisten Debussy en Ravel en zelfs de muziek van Couperin.

Met een rijk kleurenpalet en ritmische drive zijn zijn orkestwerken aantrekkelijk voor een breed hedendaags publiek. De componist is composer in residence bij het Nederlands Philharmonisch Orkest. In de NTR ZaterdagMatinee klonk onlangs zijn Flammenschrift bij het Radio Filharmonisch Orkest.

Connesson schreef het werk in 2012 voor Daniele Gatti en het Orchestre National de France. Eiréné is het eerste nieuwe werk voor Gatti in zijn functie als chef- van het Koninklijk Concertgebouworkest

Eirene (‘vrede’) is in de Griekse mythologie een van de e, de drie dochters van Themis (rechtvaardigheid). Haar zusters zijn Eunomia (‘orde’) en Dikè ( ‘recht’). Eirene wordt meestal voorgesteld als een jonge vrouw met het kind Ploutos (‘rijkdom’) op haar arm of met een des overvloeds. De symbolische betekenis behoeft geen nadere toelichting. Eirene werd geassocieerd met de lente, bij de Antieken de periode voor het uitvechten van oorlogen.

Connesson: ‘Het is een universum van strelingen, geritsel, breekbaar kristal dat zich tijdens dit nachtelijk gedicht ontvouwt. Mijn is opgebouwd rond drie ’s: het eerste golvend en strelend met ambigue (het staat in de vijfde modus die Messiaen definieerde).

Het tweede is een van vreugde en lente (in de Indiase modus Sri). Het derde thema heeft een vocaal karakter, een hymne aan de herwonnen vrede met sporen van doorstane smart. Na de expositie begint een korte doorwerking waarin die drie werelden gestapeld worden in complexe , tot de vredeshymne zich verheft in de twee ten. Daarna keert het nachtelijk geruis van het begin terug en wordt het werk afgesloten met het eerste thema.’

Escher: Musique pour l’esprit en deuil

Niet minder dan acht werken van Rudolf Escher werden door het Concertgebouworkest in première gebracht. Het eerste was Musique pour l’esprit en deuil op 19 januari 1947, gedirigeerd door Eduard van Beinum. In 1946 had dit werk de Muziekprijs van de gemeente Amsterdam gekregen.

De recensent van het Algemeen Handelsblad noemde het een daad van grote betekenis, ‘Eschers muziek klinkt als een schrijnende , als machtig koor van klagende instrumenten, sterk van persoonlijke, maar ook sterk van algemene bewogenheid. Zijn muziek brengt de woorden van de psalmist in de herinnering: ‘want mijne dagen zijn vergaan als rook, en mijn gebeente is uitgebrand als ene haard…’.’

Escher, een neef van de graficus M.C. Escher, had de oorlog aan den lijve ondervonden. Bij het bombardement op Rotterdam ging een groot deel van zijn oeuvre verloren en wat over was heeft nog eens zijn eigen sterk kritische geest moeten overleven om tot ons te komen.

Een van de weinige werken waar hij niet aan heeft geschaafd is Musique pour l’esprit en deuil (‘muziek voor de rouwende geest’), dat we derhalve kunnen zien als een directe reactie op het oorlogsleed. In 1939 noemde hij in een artikel over zijn grote inspirator Maurice Ravel de oorlog het toonbeeld van destructie, een ‘zeer speciale helsche kwelling’ voor de op constructie gerichte kunstenaar.

Tijdens de oorlog was Escher actief in het verzet en werd zijn Franse oriëntatie nog eens versterkt. Behalve Ravel en Debussy, over wie hij veel heeft geschreven, toont zijn muziek de inspiratie door het en middeleeuwse muziek, maar ook Mahler.

Van Debussy nam hij de rijke arabesken en het maatvrije additieve , van Pijper de polytonaliteit, van Ravel – in het bijzonder Daphnis et Chloé – het idee om een eenvoudig uit te laten groeien tot een grootse climax, ‘een tweede stylering tot muziek van wat in eerste stylering een gruwelijk massaspel is geweest, de volledig gedehumaniseerde parademars der nazi’s.

Tegenover deze staat aan het begin en het eind van het werk een complex van melodische gegevens, waarin een flard Spaanse flamenco-k symbolische waarde is toegedacht: de in dit werk onder de voet gelopen lyriek voelt zich thuis op mediterrane bodem.’ Het Spaanse in de te midden van de tragische mars naar de verwoesting drukt aan het slot de ongebroken creatieve kracht uit. 

Hartmann: Concerto funebre

Toen de nationaalsocialisten in 1933 aan de macht kwamen, sprak Karl Amadeus Hartmann zich onmiddellijk uit tegen het nieuwe regime – onder andere in zijn aan de gevangenen van concentratiekamp Dachau opgedragen symfonische gedicht Miserae – en trok zich vervolgens terug in ‘innere Emigration’.

Aanvankelijk beïnvloed door dada, jazz en het futurisme, veranderde zijn toontaal tot een expressieve, humanistische ‘Bekenntnismusik’, die pas na de oorlog in Duitsland onder de aandacht kon worden gebracht. In de eerste oorlogsjaren nam hij lessen bij Anton Webern en omarmde hij de .

In 1945 richtte hij in zijn geboortestad München de befaamde concertserie Musica Viva op, hét startsein voor de wederopbouw van het Duitse muziekleven. De tragiek is dat de jonge radicale componisten die hij een platform bood, zijn muziek weldra als ‘ouderwets’ en voortkomend uit de foute Duitse traditie verwierpen. De laatste decennia is de belangstelling voor Hartmanns muziek weer sterk toegenomen. 

Het Concerto funebre gaat over hoop, offer en verzet in een wanhopige tijd. Het werd geschreven in de eerste maanden na het uitbreken van de oorlog, en ging in 1940 in het Zwitserse Sankt Gallen in première. Het openende Largo is een soort of gebed in grote eenzaamheid.

Dit gaat over in het eveneens langzame maar voller uitgewerkte , een klaagzang waarin de krachten verzameld worden die in het stuwende di molto een idee van verzet en herwonnen energie weergeven. De indringende finale – met het karakter van een marcia funebre, een begrafenismars – is gebaseerd op het koraal Unsterbliche Opfer, dat teruggaat op een uit de Russische Revolutie van 1905 en in de Eerste Wereldoorlog in Duitsland bekend werd.

Honegger: Derde symfonie

Arthur Honegger nam tijdens de Tweede Wereldoorlog een uitzonderingspositie in omdat hij, in Le Havre geboren, de Zwitserse nationaliteit behield. Dit is hem na de oorlog kwalijk genomen. Hij had er evenwel bewust voor gekozen in Frankrijk te blijven en heeft diverse ‘verzetswerken’ gecomponeerd, met name zijn Tweede symfonie voor strijkorkest, met een tot de bevrijding achtergehouden mffinale voor .

De Derde symfonie ontstond net na de oorlog en is een roep om blijvende vrede toen zich meteen de Koude Oorlog aandiende. Hoewel het de eerste grote compositie was waaraan Honegger na de bevrijding van Parijs in 1944 begon, drukt deze ‘Symphonie liturgique’ geenszins een gevoel van opluchting uit. Vier jaar oorlog en het vooruitzicht van nucleaire terreur kregen hun weerslag in dit aangrijpende werk. In deze symfonie is de enige hoop die op een utopische vrede in een andere wereld, ver van de aardse realiteit. 

De symfonie had ook ‘De Zondvloed’ kunnen heten en op het omslag had Honegger – net als Debussy deed op dat van La merDe grote golf van Kanagawa van Hokusai kunnen afbeelden. In die Japanse prent torent een gigantische golf boven een paar bootjes waarin nietige mensjes tegen het natuurgeweld proberen op te roeien.

Op de achtergrond, heel in de verte, is als enige rustpunt de heilige vulkaan Fuji te zien, als baken van goddelijke orde en rust in een andere wereld. Honegger heeft beslist aan La mer gedacht, want de dreigend opstuivende klanken waarmee de symfonie begint zijn een regelrechte verwijzing naar 'Dialogue du vent et de la mer', het derde deel van die beroemde symfonische triptiek.

Na deze opening drukt Honegger in wijd uiteengereten len opperste doodsangst uit. Boven een door de s ingebracht noteerde hij de woorden ‘’, die ook als motto voor het deel gelden. De brengt – in vermomming – het belangrijkste verzoenende element van de symfonie: het ‘ van de vogel’, hier nog als een duister kraaien van trombones en tuba, passend bij de verkondiging van de ‘dag des toorns’.

Het tweede deel – De profundis, ‘de pijnlijke meditatie van de door God verlaten mens’ – vormt het emotionele hart van de symfonie. Deze keer vinden we het motto boven een passage van contrabas, contrafagot en piano. ‘De mens is aanbeland op het dieptepunt van zijn ellende.

God, die eens donderde en dreigde, is nu doof voor de opklinkende smeekbeden. De Hemel is gesloten, maar... Maar, zoals Paul Claudel schreef in onze Jeanne d’Arc au bûcher: ‘Er is Hoop die alles overwint! Er is Vreugde die alles overwint! Er is Liefde die alles overwint!’ Dat is de boodschap van de duif, de olijftak in zijn snavel, de belofte van vrede die deze symboliseert te midden van de rampspoed.’

Ook voor de finale vallen de woorden van de componist zelf niet te evenaren: ‘Is het je wel eens opgevallen dat ellende een slechte raadsheer is, en dat de lijdende mens vaak onaangenaam en grof is? Er is niets zo dom als een beschaving overgeleverd aan barbarij.'

'Het is die toename van collectieve domheid die ik aan het begin van het derde deel heb willen uitdrukken. Ik dacht aan een zware , waarvoor ik een opzettelijk idioot - schreef, eerst in de basklarinet (...) Het is de opstand van het beest tegen de geest (...) en de stuntelende troep gemechaniseerde ganzen waggelt mee op de maat. Maar dan duikt onder de slachtoffers een gevoel van rebellie op.'

'Het verzet groeit. Plots ontsnapt, drie maal, een enorme uitroep aan de longen van de onderworpenen: ‘Dona nobis pacem!’ En dan, als de lijdensbeker eindelijk vol is en het verlangen naar vrede de overhand krijgt boven afschuw en wanorde (...) trekken de wolken op en in de stralen van de opkomende zon zingt de vogel voor de laatste keer. Zo zweeft het vogellied boven de symfonie, zoals eens de duif boven de wateren zweefde.’ 

De soloviool brengt daarna nog eens het volledige De profundis-thema, alsof er eindelijk een antwoord komt op het gebed. De laatste kabbelt sereen weg…

Biografie

Daniele Gatti, dirigent

Afgelopen augustus begon ­Daniele Gatti als chef- van de Sächsische Staatskapelle Dresden; in 2000 stond hij er voor het eerst op de bok.

Daniele Gatti is daarnaast chef-dirigent van het Teatro del Maggio Musicale Fiorentino, music director van het Orchestra Mozart en – sinds 2016 – artistiek adviseur van het Mahler Chamber Orchestra.

Als gastdirigent wordt hij uitgenodigd door de Berliner Philharmoniker, het ­Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks en het Orchestra Filarmonica della Scala.

Van 2016 tot en met 2018 was hij chef- van het Concertgebouworkest. Eerder leidde hij het Orchestra dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia in Rome (1992–97), het Royal Philharmonic Orchestra in Londen (1996-2009), het Teatro Comunale in Bologna (1997–2007), het Orchestre National de France (2008-2016) en het Opernhaus Zürich (2009-12).

Bij het Royal Ope­ra House Covent Garden was hij van 1994 tot 1997 eerste gastdirigent. In La Scala in Milaan debuteerde hij op zijn 27ste, hij dirigeerde producties bij de Wiener Staatsoper en de Metropolitan Opera in New York, leidde tot 2022 het Teatro dell’Opera di Roma en was meermaals te gast op de Bayreuther Festspiele en de Salzburger Festspiele.

Daniele Gatti werd geëerd met de Grande Ufficiale al Merito della Repubblica Italiana en kreeg in 2015 de Premio Franco Abbiati. In Frankrijk kreeg hij in 2016 de eretitel Chevalier de la Légion d’Honneur.

Koninklijk Concertgebouworkest, orkest

Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouw­orkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande en en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.

Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concert­gebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.

Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende en zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Ha­itink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.

Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, ­fondsen en donateurs wereldwijd.

Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest

Leonidas Kavakos, viool

Leonidas Kavakos brak internationaal door met het winnen van Sibelius Concours in 1985 en het Paganini Concours in 1988. Sinds die tijd werkt hij met gezelschappen als de Wiener, de Berliner en de ­Münchner Philharmoniker, de Staatskapelle Dresden, het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks, het London Symphony Orchestra en het Orchestre Philharmonique de Radio France.

Sinds 2002 is hij een graag geziene gast bij het Concertgebouworkest, waar hij soleerde in een breed repertoire van Saint-Saëns en Tsjaikovski tot Rihm en Dutilleux.

In het seizoen 2014/2015 was hij de eerste artist in residence in de geschiedenis van het orkest. Tijdens Opening Night 2021 op de Dam soleerde hij in werken van Kreisler, Paganini, Mascagni en Ravel, en in oktober en november 2022 was hij met het orkest onder leiding van Daniel Harding in Amsterdam en op tournee te horen in BrahmsVioolconcert.

In zijn geboortestad Athene geeft hij jaarlijks druk bezochte masterclasses viool en ensemblespel. Leonidas Kavakos is ook actief als ; zo leidde hij het Budapest Festival Orchestra, het Rotterdams Philharmonisch Orkest, de New York Philharmonic, de Wiener Symphoniker, het Orchestra dell’Accademia Nazionale di Sa­nta Cecilia, het Israël Filharmonisch Orkest en het Chamber Orchestra of E­urope.

Leonidas Kavakos trad regelmatig op met cellist Y­o-Yo Ma en pianist Emanuel Ax en rekent onder zijn kamermuziekpartners ook de pianisten Enrico Pace en Yuja Wang. Solo was hij te horen in bijvoorbeeld Bachs ’s en s, die hij ook op cd opnam. Leonidas Kavakos bespeelt de ‘Willemotte’-­Stradivarius uit 1734.

Wat vindt Leonidas Kavakos zo bijzonder aan Korngolds Vioolconcert? Lees hier het artikel.