Concertgebouworkest Essentials: de Vijfde van Beethoven

Concertgebouworkest
Riccardo Minasi dirigent
Thomas Vanderveken presentatie

Dit concert maakt deel uit van Essentials.


Na afloop organiseert jongerenvereniging Entrée het gratis toegankelijke Entrée Café in de Spiegelzaal, met live muziek of dj op de achtergrond.

Emilie Mayer (1812-1883)

Faust-Ouverture, op. 46 (1880)
eerste uitvoering door het Concertgebouworkest

Ludwig van Beethoven (1770-1927)

Symfonie nr. 5 in c kl.t., op. 67 (1804-08)
Allegro con brio
Andante con moto
Scherzo: Allegro
Allegro

er is geen pauze
einde ± 22.10 uur

Toelichting

Emilie Mayer (1812-1883)

Faust-Ouverture

Door Thea Derks

Emilie Mayer geldt als de eerste vrouwelijke beroepscomponist van Duitsland en bracht haar muziek zelfverzekerd aan de man/vrouw. Haar eerste twee symfonieën werden met groot succes uitgevoerd in Stettin (tegenwoordig Szczecin in Polen).
Toen ze in 1847 verhuisde naar Berlijn, vormde dit de start van een glanzende internationale carrière. Ze schopte het zelfs tot erelid van de Philharmonische Gesellschaft van München en medevoorzitter van de Berlijnse Opera-­academie.

In 1880 componeerde Mayer haar Faust-Ouverture voor groot orkest, die ze opdroeg aan de Russische prinses Maria Mestschersky. In zijn verhalende opzet is het stuk verwant aan de symfonische gedichten van Franz Liszt. Het werd in Stettin in première gebracht door de Berliner Sinfonie-Capelle voor een enthousiast publiek. Ook latere uitvoeringen in Praag, Karlsbad en Wenen werden positief onthaald.
De ouverture is geïnspireerd op Goethes Faust, over de professor die in zijn verlangen naar kennis een pact heeft gesloten met de duivel, met wiens hulp hij de naïeve Gretchen weet te verleiden. Het stuk opent ­onheilszwanger, met aangehouden tonen van ten en lage strijkers, die vervolgens in trage achtsten en zestienden ­omhoogcirkelen. Gaandeweg mengen ook hogere strijkers, s en zich in het betoog en verandert de sfeer haast onmerkbaar in een diep-romantisch smachten. De volle orkestklank en ferme ­slagen maken de ongeremde hartstocht tussen Faust en Gretchen bijna fysiek invoelbaar.

Na zo’n drie minuten creëert een felle ritmiek van razendsnelle zestienden een gevoel van angst. Deze wordt echter in de kiem gesmoord door een lichter klankweefsel en een dansante ritmiek in de hogere registers; je ziet het stel verliefd rondzwieren. Een gedragen gevolgd door jachtige strijkersloopjes en stevige en in het koper benadrukken vervolgens weer Fausts meer macabere trekjes.

Hierna keert het dansante terug en ontwikkelt zich een almaar hoger reikend , tot het hele orkest een fortissimo climax bereikt en de spanning zich ontlaadt in dalende figuraties, als in een zucht van verlichting. ‘Sie ist gerettet’, lezen we in de . Met een finale vol klaroengeschal, geroffel en drie orkestbrede accenten zet Mayer een kordate punt achter haar meeslepende ouverture.

Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791)

Pianoconcert nr. 25

Door Martijn Voorvelt

Op 4 december 1786 voltooide Wolfgang Amadeus Mozart zijn Pianoconcert in C groot, KV 503. Twee dagen later volgde zijn ‘Praagse’ symfonie, KV 504. Eerder dat jaar ontstonden onder meer twee andere pianoconcerten, het Pianotrio in Bes groot en de buffa Le nozze di Figaro. Het wonder van Mozart is dat hij niet alleen veel componeerde, maar dat alles wat uit zijn pen vloeide van ongemeen hoge kwaliteit was. In de twaalf pianoconcerten die hij tussen 1784 en 1786 schreef bracht hij emotionele zeggingskracht, operateske k en symfonische vormen tot een unieke synthese, en van die reeks vormt KV 503 de bekroning.

Al vanaf de eerste maten dwingt Mozarts componeerkunst eerbied af. Een enkel blijkt de start van een versnellend waar als vanzelf de eerste melodieën uit ontspruiten. Sierlijke - en fluitduetten ­wijzen vooruit op de vele passages voor die het hele werk extra kleur geven. Ook de nemen een belangrijke positie in. De pianopartij bevat meer dan genoeg materiaal voor een , maar Mozart legde er geen vast – het is aan de solist om iets te bedenken of te kiezen uit een weelde aan later geschreven cadensen.

Het , het e hart van het werk, schept veel ruimte voor s en houtblazers. Hoewel de solopartij het hele klavier bestrijkt en op onderzoek uit gaat in de hoogste en laagste registers, blijft de muziek een koele, ingehouden kalmte uitstralen. Aan het begin van het derde deel staan de spotlights gericht op het orkest, dat onder meer een uit Mozarts opera Idomeneo (1781) laat horen, waarna een contrast- en vindingrijke dialoog met de solist volgt.

Mogelijk had Mozart de lat iets te hoog gelegd: hoewel hij dit pianoconcert zelf graag speelde op tournees, sloeg het in Wenen niet aan. Ook na zijn dood werd KV 503 lange tijd nauwelijks uitgevoerd, in tegenstelling tot ‘showpieces’ als het Twaalfde pianoconcert (KV 414), nummer 21 (KV 467) en het ‘proto-romantische’ concert nummer 26 (KV 537). Pas in de jaren 1960 zijn we nr. 25 gaan erkennen als een meesterwerk.

Ludwig van Beethoven (1770-1927)

Beethoven: Vijfde symfonie

Door Maarten Beirens

Voor veel klassieke muziekliefhebbers zal het concert dat in Wenen op 22 december 1808 georganiseerd werd in het Theater an der Wien hoog op de lijst staan van ‘concerten waar we graag bij waren geweest’. De concertavond besloeg een programma van ongeveer vier uur met uitsluitend wereldpremières van één enkele componist: Ludwig van Beethoven. De Vijfde symfonie, die zowat het signatuurwerk van Beethoven zou worden en zelfs een van de meest iconische werken van het hele symfonische repertoire, kreeg die avond gezelschap van de Zesde symfonie, delen uit de Missa solemnis, de Ah, perfido!, het Vierde pianoconcert (met Beethoven zelf als solist), de Koorfantasie en een piano- door de componist.

Zoveel topwerken op één winterse avond: in de ogen van de hedendaagse luisteraar lijkt het ongetwijfeld een magisch concert te zijn geweest. Of dat ook de mening van het aanwezige publiek was, is echter de vraag. Beethovens secretaris en eerste biograaf Anton Schindler rapporteerde dat de reactie minder positief was dan wenselijk. Volgens hem lag dat aan het feit dat het publiek niet voorbereid was op de ervaring van de ‘uitzonderlijke muziek’ van dit programma. Die opmerking heeft zeker te maken met Schindlers pogingen om de componist voor te stellen als een subliem genie (want als de muziek geniaal is, kan een lauwe reactie enkel betekenen dat het publiek haar niet begrepen heeft).

Niettemin valt er wel wat voor dat argument te zeggen. Voor de hedendaagse luisteraar zijn de Vijfde en Zesde symfonie zo diep verankerd in het repertoire, zo sterk uitgegroeid tot een absoluut ijkpunt in de muziekgeschiedenis, dat we ons het referentiekader moeilijk kunnen inbeelden van mensen die deze muziek voor de eerste keer hoorden. Moeten we verbaasd zijn als die werken bij een allereerste beluistering het toenmalige publiek eerder verwarden of verrasten? De meeste werken op dat programma bevatten behoorlijk vernieuwende elementen die meer dan één beluistering verdienen om hun impact ten volle te vatten.

Formeel gezien volgt de Vijfde symfonie de toenmalige normen van het genre: een eerste deel in , een langzamer tweede deel in , een en tot slot een wervelende finale. Maar zoals in wel meer werken verbuigt Beethoven de conventies van het genre. In het vierde deel, bijvoorbeeld, voegt hij blaasinstrumenten toe die in een standaard orkest van die tijd ongebruikelijk waren: contrafagot, en drie trombones, instrumenten die toentertijd tot het repertoire van militaire kapellen behoorden. Beethoven breidt zo onder meer het bereik van het orkest uit (de contra­ en piccolo kunnen respectievelijk de laagste en hoogste tonen produceren binnen het orkest). Bovenal is het de manier waarop Beethoven uit heel compact materiaal een heel abstract muzikaal bouwwerk construeert die het werk zo revolutionair en invloedrijk maakt.

Het bekende openingsmotief bestaat uit slechts vier noten en bovenal één karakteristiek ritmisch ­(ta-ta-ta-taaa), dat vervolgens als een melodisch-ritmische bouwsteen in het eerste deel veelvuldig wordt gebruikt. De doorgedreven uitwerking van een compact motief toont een heel andere benadering van muzikale ­constructie dan de bredere, zelfs zangerige ­melodisch-tische uitgangspunten die we bijvoorbeeld bij Beethovens voorganger Mozart vinden.

Wanneer muziekcriticus Eduard Hanslick in 1854 een pleidooi houdt voor (ofwel abstracte muziek, in contrast met , waarin een verhaal of tafereel wordt uitgebeeld) is het dan ook Beethovens Vijfde die voor de hoogromantische generatie als historisch oermodel geldt. Het ritmische basismotief is ook terug te vinden in het derde en vierde deel van de symfonie, waarmee Beethoven een muzikale eenheid creëert – een concept dat bij de volgende generatie uitgebreid navolging zou krijgen en ook een eeuw later nog zou blijven doorwerken.

Biografie

Thomas Vanderveken, presentator

Sinds het Concertgebouworkest in 2014 de concertserie Essentials startte, zijn de eigenwijze TOM Talks (naar de beroemde TED Talks) van de Vlaamse presentator Thomas Van­derveken een vast programmaonderdeel. Thomas Vanderveken studeerde enkele jaren muziektheorie en piano aan het Koninklijk Conservatorium te Brussel.

Hij begon zijn tv-carrière als acteur in de tv-serie Spoed en als presentator bij VTM-jeugdzender JIMtv in 2001. Sinds 2003 is hij presentator bij de VRT, waar hij bekendheid verwierf met ­reportages voor Vlaanderen Vakantieland en als spelleider in Vriend of Vijand en ­Mercator. Zijn eerste liveshow, Ster­acteur Sterartiest, werd een kijkcijferhit. ­

Thomas Vanderveken is daarnaast bekend van de spelprogramma’s Beste vrienden en 1 jaar gratis, de talkshow Alleen Elvis blijft bestaan, de consumentenprogramma’s Voor hetzelfde geld en FactCheckers en het interviewprogramma Onder ons. Ook voorzag hij regelmatig het Nieuwjaarsconcert van de Wiener Philharmoniker van televisiecommentaar en versloeg hij de Koningin Elisabethwedstrijd.

Koninklijk Concertgebouworkest, orkest

Al 138 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouw­orkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande en en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.

Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concert­gebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.

Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende en zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Ha­itink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.

Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, fondsen en donateurs wereldwijd.

Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest

Riccardo Minasi, dirigent

Riccardo Minasi is eerste gastdirigent van Ensemble Resonanz in Hamburg, artistiek leider van het Orchestra La Scintilla in Zürich en muzikaal leider van het Teatro Carlo Felice in Genua. In 2012 was de Italiaanse en violist medeoprichter van het ensemble il Pomo d’Oro, dat hij tot 2015 leidde, en van 2017 tot 2022 was hij chef-dirigent van het Mozarteumorchester in Salzburg.

Onlangs maakte hij succesvolle debuten bij de Berliner Philharmoniker en het hr-­Sinfonieorchester Frankfurt, de Staatskapelle Dresden, het ­Orchestra dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia, het ­Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks en het Tokyo Metropolitan Symphony Orchestra.

­Onder Riccardo Minasi’s hoogtepunten bevonden zich de afgelopen jaren Mozarts Die Zauberflöte en Händels Rodelinda bij De Nationale Opera, Mozarts Don Giovanni (Madrid), Così fan tutte (Glyndebourne Festival Opera) en ­Idomeneo (Genua). Verder leidde hij operaproducties in het Opernhaus Zürich, bij de Staatsoper Hamburg en bij de Opéra National de Lyon. Hij werkte mee aan maar liefst vier albums die in 2016 een Echo Klassik wonnen.

Zijn opnamen met het Ensemble Resonanz gewijd aan werken van Haydn, C.P.E. B­ach en Kraft kregen recent een Diapason d’Or de l’Année toegekend. Riccardo Minasi gebruikt zijn musicologische achtergrond niet alleen als uitvoerend musicus, maar trad ook op als historisch adviseur voor het Orchestre ­Symphonique de Montréal en als redacteur (naast Maurizio Biondi) van Bärenreiters kritische uitgave van Bellini’s Norma in 2016. Zijn debuut bij het Concertgebouworkest in oktober 2020 moest worden geannuleerd wegens covid-19. Dit seizoen staat hij alsnog voor het orkest.