Concertgebouworkest en Seong-Jin Cho: Tsjaikovski's Pianoconcert nr. 1
Joana Mallwitz dirigent
Seong-Jin Cho piano
Dit programma maakt deel uit van de serie B woensdag.
Pjotr Tsjaikovski (1840-1893)
Pianoconcert nr. 1 in bes kl.t., op. 23 (1874-75)
Allegro non troppo e molto maestoso – Allegro con spirito
Andantino semplice – Prestissimo
Allegro con fuoco
pauze ± 21.00 uur
Paul Hindemith (1895-1963)
Symfonie ‘Mathis der Maler’ (1933-34)
Engelkonzert
Grablegung
Versuchung des heiligen Antonius
Richard Strauss (1864-1949)
Walzerfolge nr. 1 uit ‘Der Rosenkavalier’ (opera 1911, suite 1944)
eerste uitvoering van deze suite door het Concertgebouworkest
einde ± 22.15 uur
Dit concert wordt mede mogelijk gemaakt door het Fonds Toonaangevende vrouwen in muziek.
Toelichting
Pjotr Tsjaikovski (1840-1893)
Eerste pianoconcert
Door Michiel Cleij
Pjotr Tsjaikovski, met zijn Slavische melancholie en zijn folkloristische inslag, lijkt een typisch Russische componist. Toch zit zijn werk vol buitenlandse invloeden – in het bijzonder van Wolfgang Amadeus Mozart, Robert Schumann en Franz Liszt. Eigenlijk is zijn stijl een compromis dat veel hedendaagse eurosceptici als muziek in de oren zal klinken: Europees, maar met behoud van het nationale karakter.
Tsjaikovski’s Slavische inborst hoor je het duidelijkst in zijn voering. Het beginthema van het Eerste pianoconcert is een typisch voorbeeld: het is een melodie als een diep ploegspoor, en hoewel het klinkt als een traditioneel volkslied is het Tsjaikovski’s eigen creatie. Vreemd genoeg keert dit imposante na twee herhalingen nergens in het werk terug. Wat volgt is een typisch negentiende-eeuws virtuozenstuk, maar tussen alle pianistieke bravoure door, maakt de componist uitstapjes naar verschillende muzikale werelden. Een andere melodie uit het begindeel is, evenals het hoofdthema van de Finale, volgens Tsjaikovski-experts ontleend aan Oekraïense volksmuziek – niet vreemd, want Tsjaikovski had Oekraïense voorouders en bracht menige vakantie in die contreien door. Tegelijkertijd aarzelde hij niet om in het middendeel een Frans cabaretliedje te citeren; het stond op het repertoire van de zangeres Désirée Artôt, de enige vrouw met wie de homoseksuele Tsjaikovski een gepassioneerde relatie had.
Meteen na voltooiing liep Tsjaikovski’s toch al geringe zelfvertrouwen een gevoelige deuk op. Zijn mentor Anton Rubinstein, voor wie hij zijn pianoconcert gecomponeerd had, brandde het volledig af. Bijval kreeg de componist evenwel van de Duitse pianist en Hans von Bülow, die het werk op zijn repertoire zette en een belangrijke promotor van Tsjaikovski’s muziek in het buitenland werd. Later keerde Rubinstein berouwvol op zijn harde afwijzing terug – maar toen had Tsjaikovski het concert al dankbaar aan Bülow opgedragen.
Hindemith: Symfonie ‘Mathis der Maler’
Voor velen heeft Paul Hindemiths muziek altijd iets ongrijpbaars. En dat is juist de charme ervan. Hij was een van de modernisten die na de Eerste Wereldoorlog een nieuw geluid liet horen, maar lang niet zo radicaal als zijn generatiegenoot Arnold Schönberg. Zijn stukken uit de jaren 1920 hadden een grootsteedse rauwheid, gekleurd door jazz en Duitse Biermusik. Zelf speelde Hindemith in variété-orkesten, wat doorwerkte in zijn soms wat kermisachtige . Eenmaal uitgeraasd ontpopte hij zich als neoclassicist, maar niet van de aaibare soort. Ook de nazi’s kregen geen vat op hem. In hun even zinloze als dubieuze streven om de nationale cultuur te beschermen tegen ‘vreemde’ invloeden wisten ze zich geen raad met Hindemiths hybride stijl: enerzijds sterk verankerd in de Duitse , anderzijds experimenteel en tegendraads.
De Symfonie ‘Mathis der Maler’ was een voorstudie voor een over de zestiende-eeuwse schilder Matthias Grünewald; die zou vier jaar later af komen. In Grünewalds tijd rommelde het op vele gebieden – boeren kwamen in opstand, de Reformatie betwistte het katholieke gezag – en Hindemith zag overeenkomsten met de spanningen van het opkomende nazisme. Bovenal was hij gefascineerd door de vraag of een kunstenaar – Mathis, maar ook hijzelf – objectief kon blijven in zulke troebele tijden.
Ook Richard Strauss maakte een spagaat tussen traditie en vernieuwing
De delen van de symfonie zijn vernoemd naar drie panelen van een ronduit bizar altaarstuk dat Grünewald schilderde voor een kloosterorde in de Elzas. Het heeft meerdere panelen die geopend en gesloten kunnen worden, wat leidt tot verschillende ‘aanzichten’. Het eerste toont musicerende engelen bij de pasgeboren Jezus; Hindemith verklankt de bijna popart-achtige kleuren van het schilderij met bitterzoete ën. Deel twee (Jezus’ begrafenis) is een glorieus voorbeeld van Hindemiths vermogen om moderne, e harmonieën middeleeuws te laten klinken. Het slotdeel focust op de verlokkingen en bedreigingen die de heilige Antonius doorstond tijdens zijn tocht door de Egyptische woestijn. Uiteraard geeft Hindemith dit tafereel weer met grillige muziek – maar het schilderij dat Salvador Dalí er een paar jaar later van maakte bewees dat het nog veel gekker kon.
Strauss:
Walzerfolge nr. 1 uit ‘Der Rosenkavalier’
Ook Richard Strauss maakte een spagaat tussen traditie en vernieuwing, zij het sierlijker dan Hindemith. Voor nieuwe klanken en kleuren deinsde hij niet terug, maar hij was tegelijkertijd een sterdirigent en showman die zijn relatie met het publiek niet op het spel wilde zetten. Het is dan ook kenmerkend dat hij het elegante Der Rosenkavalier prompt na Elektra schreef, een opera die sommigen als schokkend modern hadden ervaren. Der Rosenkavalier is een nostalgische opera over het oude Wenen met en, gloedvolle ’s, een smeuïg verhaal en besmuikte humor. Ondertussen verwijzen tekst en muziek voortdurend naar Strauss’ heden; het werk had nooit eerder gecomponeerd kunnen worden. De ën klinken weelderig en gracieus, maar ze hebben een harmonische ‘overrijpheid’ die typisch twintigste-eeuws is. Strauss laat de Weense pracht en praal opzettelijk sleets lijken – in lijn met de personages uit de opera, die herhaaldelijk mijmeren over ouder worden en veranderende tijden. En toch is deze muziek tijdloos gebleven, zeker ook door de walssuites die Strauss op veler verzoek uit zijn opera samenstelde.
Orkestfeiten
Tsjaikovski: Eerste
pianoconcert
De eerste uitvoering door het Concertgebouworkest was op 19 februari 1899 onder leiding van Willem Mengelberg met als solist Frederic Lamond. De laatste was op 21 april 2023 onder leiding van Mirga Gražinytė-Tyla met pianiste Gabriela Montero.
Hindemith: Symfonie ‘Mathis der Maler’
Op 10 januari 1935 vond de eerste van tot nog toe 43 uitvoeringen plaats onder leiding van -Eduard van Beinum. De laatste was op 23 september 2011 onder Stefan Asbury binnen het AAA-programma Zeitgeist.
Strauss: Walzerfolge nr. 1
Dit werk met en uit de eerste twee bedrijven van Der Rosen-kavalier stond nooit eerder op de lessenaars bij het Concertgebouworkest, in tegenstelling tot de -Walzerfolge nr. 2 (1911) met materiaal uit het derde bedrijf.
Biografie
Joana Mallwitz, dirigent
Joana Mallwiltz is artistiek leider en chef- van het Konzerthausorchester Berlin sinds 2023. Toen de Duitse dirigent in 2006 op twintigjarige leeftijd op zeer korte termijn inviel met Puccini’s Madama Butterfly in Heidelberg, begon een succesvolle carrière die haar over de hele wereld voert.
Ze was te gast bij onder meer de Berliner en de Wiener Philharmoniker, het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks, de Los Angeles Phiharmonic, het Boston Symphony Orchestra, het NDR Elbphilharmonieorchester, het Philharmonia Orchestra London, de Münchner Philharmoniker, het Orchestre National de France, het Orchestre de Paris en de Bamberger Symphoniker.
In 2020 was Joana Mallwitz de eerste vrouw die met Mozarts Così fan tutte een volledige productie dirigeerde tijdens de Salzburger Festspiele. Ook boekte ze successen bij de Bayerischen Staatsoper en de operahuizen van New York, Londen, Dresden, Frankfurt en Zürich. In maart 2026 opende het Mahler Chamber Orchestra onder haar leiding de Osterfestspiele Baden-Baden met een nieuwe productie van Wagners Lohengrin.
Bij het Concertgebouworkest maakte Joana Mallwitz in juni 2023 een overtuigend debuut met Dvořáks Rusalka bij De Nationale Opera. In maart 2024 stond ze opnieuw voor het orkest, nu in de met werken van Beethoven, Bartók en Kodály. In 2019 koos het maandblad Opernwelt haar tot van het jaar.
The Kurt Weill Album, haar eerste cd met het Konzerthausorchester Berlin, was goed voor een Gramophone Award en een benoeming tot dirigent van het jaar 2025 door Klassik.
Seong-Jin Cho, piano
Seong-Jin Cho was in 2011 – op zijn zeventiende – finalist op het Tsjaikovski-concours in Moskou, en studeerde vervolgens aan het Conservatoire National Supérieur de Musique in Parijs. In oktober 2015 trok de Koreaanse pianist internationaal de aandacht toen hij het Fryderyk Chopin Pianoconcours in Warschau won. Een maand later debuteerde hij bij het Concertgebouworkest in Ravels Pianoconcert in G groot onder leiding van Jakub Hrůša.
In januari 2024 kwam hij terug met het Eerste pianoconcert van Chopin onder leiding van Santtu-Matias Rouvali en later dat jaar met Beethovens Vierde pianoconcert onder leiding van Myung-whun Chung. In 2024/2025 was Seong-Jin Cho artist in residence van de Berliner Philharmoniker, en in het seizoen daarop portrait artist bij het London Symphony Orchestra.
Seong-Jin Cho ondernam tournees met de Berliner Philharmoniker (Korea), het Gewandhausorchester Leipzig (Korea, Japan en Europa), de Czech Philharmonic (Taiwan en Japan) en de Münchner Philharmoniker (Korea, Japan en Taiwan). Ook soleerde hij bij de Wiener Philharmoniker en de orkesten van New York, Philadelphia, Pittsburgh, Los Angeles en Boston.
Onder de en met wie hij regelmatig werkt, zijn Gustavo Dudamel, Yannick Nézet-Séguin, Antonio Pappano en Simon Rattle. Solorecitals gaf Seong-Jin Cho in Carnegie Hall in New York, Suntory Hall in Tokio en de Musikverein en het Konzerthaus in Wenen.
In de was hij solo te beluisteren in 2016, en in de in 2017 en 2018 (serie Meesterpianisten) en in maart 2026 (serie Grote Pianisten).
Koninklijk Concertgebouworkest, orkest
Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouworkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande en en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.
Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concertgebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.
Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende en zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Haitink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.
Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, fondsen en donateurs wereldwijd.
Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest




