Concertgebouworkest en Lisa Batiashvili: 'Uit de nieuwe wereld'

Serie Z 14.15 uur

Koninklijk Concertgebouworkest
Antonio Pappano dirigent
Lisa Batiashvili viool

Dit concert wordt opgenomen door AVROTROS voor uitzending op zondag 22 januari om 14.00 via NPO Radio 4.

Anatoli Ljadov 1855-1914

Het betoverde meer, op. 62 (1909)

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski 1840-1893

Vioolconcert in D gr.t., op. 35 (1878)
Allegro moderato
Canzonetta: Andante (attacca)
Finale: Allegro vivacissimo
cadens: Tsjaikovski

pauze

Antonín Dvořák 1841-1904

Negende symfonie in e kl.t., op. 95 (1892-93) ‘Uit de Nieuwe Wereld’
Adagio – Allegro molto
Largo
Scherzo: Molto vivace
Allegro con fuoco

begin van de pauze ca. 15.00 uur
einde van het concert ca. 16.15 uur

Toelichting

Anatoli Ljadov 1855-1914

Het betoverde meer

Tekst: Axel Meijer

Niet alle componisten zijn even groot of succesvol. Maar ze zijn zelden lui. Een uitzondering is Anatoli Ljadov. Laksheid was zelfs ‘zijn meest tekenende karaktertrek’, volgens Sergej Prokofjev. De conservatieve Ljadov studeerde bij Nikolaj Rimski-Korsakov, en gaf later les aan onder meer Prokofjev en Nikolaj Mjaskovski.

Zoals veel van Ljadovs muziek is Het betoverde meer gebaseerd op een Russisch sprookje. Het is een zeer sfeervol stuk, briljant georkes­treerd, waarin ogenschijnlijk niet veel gebeurt. Of, in Ljadovs eigen geëxalteerde bewoordingen: ‘Wat een schilderachtig stuk is het toch, zo helder, met duizenden sterren die boven de geheimzinnige diepten staan. En vooral: geen tegenwerpingen, geen geklaag – alleen de natuur – koud, kwaadaardig, vol sprookjesachtige verbeelding. Je voelt het verglijden van de kleuren, het clair-obscur, de veranderlijke, schijnbare roerloosheid.’

Dat maakt hem een interessante overgangsfiguur tussen de zelfgeschoolde Russisch-nationalistische componisten en de generatie daarna. Maar Ljadov wordt voornamelijk om slechts twee dingen herinnerd. Het eerste is een favoriete toegift van pianisten: De muziekdoos. Het tweede is dat hij Serge Diaghilevs verzoek afwees om de muziek voor diens ballet De vuurvogel te schrijven – dat leek Ljadov nogal tijdrovend. Ljadovs weigering betekende de grote doorbraak voor Diaghilevs tweede keus: Igor Stravinsky

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski (1840-1893)

Vioolconcert

Door Axel Meijer

Zelden doopte een muziekcriticus zijn kroontjespen zo diep in azijn als Eduard Hanslick in 1881, na de première van Pjotr Iljitsj Tsjaikovski’s Vioolconcert in D groot: de luisteraar ‘gaat door een hel’; het instrument wordt ‘heen en weer getrokken, uiteengereten en bont en blauw geslagen’. Sterker nog: de muziek doet denken aan ‘ruw gevloek’ en brengt de muziekliefhebber ‘op de verschrikkelijke gedachte dat muziek misschien wel hoorbaar kan stinken’.

Hanslick stond niet alleen in zijn kritiek. Hoewel het publiek bewondering had voor solist Adolph Brodski, werd het concert zelf uitgefloten. En violist Leopold Auer, die het werk eigenlijk voor het eerst zou uitvoeren, stelde een uitvoering steeds weer uit. Dat hij dat deed omdat de vioolpartij hem technisch boven de pet ging, is onwaarschijnlijk – hoe ongelooflijk moeilijk die partij ook is. In een interview uit 1912 vertelde Auer dat hij moeite had met Tsjaikovski’s ‘onviolistische’ solopartij, maar ook dat hij had getwijfeld aan de ‘intrinsieke waarde’ van het werk. Van het uitstel, zei Auer, had hij veel spijt.

  • Pjotr Tsjaiskovski

‘Het concert heeft het ver geschopt en dat is uiteindelijk het belangrijkste. Je maakt het nooit iedereen naar de zin.’ Toch is ook dat laatste behoorlijk gelukt: het werk staat tegenwoordig, samen met de vioolconcerten van Felix Mendelssohn, Johannes Brahms en Max Bruch, in het rijtje van geliefdste en meest uitgevoerde vioolconcerten.

Na een korte orkestinleiding introduceert de viool het hoofdthema. Een virtuoze overgangsfiguur leidt tot het tweede , al even expressief als het eerste. De doorwerking begint met een militante variant, door het orkest, van het hoofdthema. Dit eerste gedeelte, waarin de solist alles geeft om overeind te blijven, illustreert duidelijk Tsjaikovski’s opvatting over soloconcerten: ‘Een kwestie van twee aan elkaar gewaagde tegenstanders’ – geen duet dus, maar een duel.

De titel van het tweede deel, Canzonetta, zegt alles: een eenvoudig , voor viool met orkestbegeleiding. Overigens had Tsjaikovski aanvankelijk een ander langzaam deel geschreven, maar dat verving hij op aanraden van zijn broer. Het oorspronkelijke werd uiteindelijk een Souvenir d’un lieu cher, voor viool en piano. De Finale is een klassiek , met twee hoofdthema’s die gebaseerd zijn op Russische dansen. Naast de virtuoze krachtpatserij van de solist valt hier Tsjai­kovski’s orkestratietalent op, vooral in het ritmische gebruik van de blazers.

Antonín Dvořák 1841-1904

'Uit de nieuwe wereld'

Zo hard als Hanslick Tsjaikovski aanpakte, zo welwillend benaderde hij Antonín Dvořák. Zeker in het begin: samen met Johannes Brahms zorgde de criticus ervoor dat de jonge Dvořák een beurs kreeg om zich aan de muziek te kunnen wijden. Over het late werk van Dvořák was Hanslick minder enthousiast, maar dat zal de toen al wereldberoemde componist niet veel uitgemaakt hebben: die stapelde succes op eclatant succes, waarvan het grootste de première van zijn

Negende symfonie in e klein was, in 1893 in New York. Dvořák was daar op dat moment directeur van het Nationaal Conservatorium. Vanwege de bijnaam ‘Uit de Nieuwe Wereld’ wordt vaak een grote invloed van Noord-Amerikaanse muziek vermoed. Dvořák zelf vond het onzin. En ofschoon er wel degelijk enkele negro spirituals in te bespeuren zijn, is het inderdaad een typisch Tsjechische symfonie, vervuld van heimwee naar het land en de familie die de componist voor zijn bestuursbaan had achtergelaten.

Na een korte inleiding in het waarin donkere strijkers en heldere blazers elkaar afwisselen, volgt een energiek , net zo rusteloos als New York rond 1900, maar toch honderd procent Dvořák. De tweede hoofdmelodie is een authentiek Boheems aandoende boerendans. Het enige echt Amerikaanse aan dit deel is het derde thema, dat doet denken aan de spiritual Swing Low Sweet Chariot.

De hoofdmelodie van het Largo, de bekende solo, staat in Amerika bekend als een traditionele spiritual, maar er is iets geks mee: de componist William Arms Fisher arrangeerde de en schreef er een tekst op – Goin’ Home. En in die ‘coverversie’ werd het beroemder dan Dvořák ooit had durven dromen.

Toch spreekt uit die songtitel precies de heimwee die Dvořák wilde uitdrukken. De componist zelf overigens zei het deel te beschouwen als een voorstudie voor een of over Longfellows indianenepos Hiawatha. De rust in het Largo wordt één keer doorbroken door een snelle passage, die eindigt met een herhaling van het hoofdthema uit het eerste deel.

Het levendige, opgewonden zou de bruiloft uit Hiawatha verklanken. Daarbij doemt dan wel het beeld op van indianen die in Tsjechische klederdracht een traditionele dumka dansen, want de klank is door-en-door Boheems. Wie goed luistert, hoort tegen het eind nog eens het eerste van de symfonie.

Het con fuoco introduceert, na de openingsmaten die onvermijdelijk aan de film Jaws doen denken, nog één belangrijk thema in de . Daarna grijpt Dvořák veel terug op materiaal uit de eerste drie delen. Maar daarbij speelt hij zo met de orkestratie dat veel ervan weer nieuw lijkt.

Tegen het eind combineert Dvořák de hoofdthema’s uit het eerste en het laatste deel, en alles lijkt haast te ontsporen. Maar uiteindelijk hervindt het orkest vaste grond en na een daverende slotpartij eindigt Dvořák Negende symfonie mfantelijk en toch stil, hoog in de .

Biografie

Antonio Pappano, piano

Antonio Pappano is artistiek leider van het Royal House Covent Garden sinds 2002 en chef- van het London Symphony Orchestra sinds 2024. Bij het orkest van het Orchestra ­dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia in Rome nam hij in 2023 na achttien jaar afscheid als muzikaal leider.

Antonio ­Pappano is een veelgevraagd gastdirigent bij ’s werelds beste orkesten, creëert als dirigent én als pianist een ­gestage stroom cd- en dvd-opnamen, en werkt mee aan programma’s voor de BBC, waarbij zijn introducties tot Italiaanse opera en Wagners Der Ring des Nibelungen een speciale vermelding verdienen.

Antonio Pappano werd in 1959 in Londen geboren als kind van Italiaanse ouders. Toen hij dertien was, verhuisde het gezin naar de Verenigde Staten, waar hij piano, compositie en directie ­studeerde. Door zijn werk als repetitor en assistent-­­ bij ­diverse ­huizen ontwikkelde hij zich al gauw tot een begenadigd opera­dirigent. Antonio Pappano leidde producties van onder andere de New York City Opera, de Lyric Opera of Chicago en de Bayreuther Festspiele.

Zijn eerste vaste aanstelling als operadirigent was aan de Opera in Oslo, gevolgd door De Munt in Brussel. In 2004 debuteerde Antonio Pappano bij het Concertgebouworkest en hij keerde daarna regelmatig terug. Een van de memorabele samenwerkingen was het Prinsengrachtconcert in 2013. In mei 2019 leidde hij het orkest in BerliozGrande messe des morts. Bij de meest recente samenwerking, in januari 2025, dirigeerde hij Berlioz’ Symphonie fantastique en Jake Heggies Camille Claudel: Into the Fire met mezzosopraan Joyce DiDonato.

Lisa Batiashvili, viool

Lisa Batiashvili studeerde bij Ana Chumachenco in München en bij Mark Lubotsky in Hamburg, en baarde opzien door op haar zestiende de tweede prijs te winnen van het Sibelius Concours 1995. Haar internationale carrière ging direct van start, ze won onder meer een Midem Classical Award en een Choc de l’année, werd in 2015 door ­Musical America benoemd tot Instrumentalist of the Year en twee jaar later door Gramophone genomineerd als Artist of the Year.

In 2018 ontving de violiste een eredoctoraat van de Si­belius Academie in Helsinki. Recentelijk bekleedde Lisa Batiashvili een residency bij de Berliner Philharmoniker, en hoogtepunten van het afgelopen seizoen waren een optreden met het Orchestre de Paris en Klaus Mäkelä op het Lucerne Festival, tournees met het Tonhalle-Orchester Zürich (Paavo Järvi), het Orchestra dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia (Daniel Harding) en het London Symphony Orchestra (Antonio Pappano), en haar terugkeer bij de Los Angeles Philharmonic, de New York Philharmonic en het National Symphony Orchestra in Washington.

Ook met het Concertgebouworkest heeft ze een hechte band: ze soleerde er voor het eerst in 2001 (Mozart) en voor het laatst in november 2024 (Prokofjev onder leiding van Klaus Mäkelä). Als artist in residence van het orkest in seizoen 2016/2017 soleerde ze in Tsjaikovski, Prokofjev en Sjostakovitsj en speelde ze met orkestleden kamermuziek. Met haar Lisa Batiashvili Foundation zet de violiste zich in voor getalenteerde jonge musici in haar geboorteland Georgië. Ze bespeelt een Joseph Guarneri ‘del Gesù’ uit 1739.

Koninklijk Concertgebouworkest, orkest

Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouw­orkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande en en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.

Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concert­gebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.

Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende en zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Ha­itink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.

Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, ­fondsen en donateurs wereldwijd.

Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest