Close-up: Artist in residence Pierre-Laurent Aimard
Pierre-Laurent Aimard piano
Ursula Schoch viool
Keiko Iwata viool
Ken Hakii altviool
Johan van Iersel cello
Pierre-Emmanuel de Maistre contrabas
Calogero Palermo klarinet
Hein Wiedijk klarinet
Jos de Lange fagot
José Luis Sogorb Jover hoorn
Lees ook: Aimard: 'ontdekken is essentieel'
Jean Françaix (1912-1997)
Octet (1972) ‘À huit’
voor klarinet, fagot, hoorn en strijkers
Moderato - Allegrissimo
Scherzo
Andante - Adagio
Mouvement de valse
Leoš Janáček (1854-1928)
Concertino, JW 7/11 (1925)
voor piano, twee violen, altviool, klarinet, fagot en hoorn
Moderato
Più mosso
Con moto
Allegro
pauze (± 15.00 uur)
György Kurtág (1926)
Hommage à Robert Schumann, op. 15d (1975-90)
voor piano, altviool en klarinet
Merkwürdige Pirouetten des
Kapellmeisters Johannes
Kreisler - Vivo
E.: Der begrenzte Kreis... - Molto
semplice, piano e legato
...und wieder zuckt es schmerzlich
F. um die Lippen... - Feroce,
agitato
Felhó valék, már süt a nap...
(Töredék-töredék) - Calmo,
scorrevole
In der Nacht - Presto
Abschied (Meister Raro entdeckt
Guillaume de Machaut) -
Adagio, poco andante
Robert Schumann (1810-1856)
Pianokwintet in Es gr.t., op. 44 (1842)
Allegro brillante
In modo d’una marcia: Un poco
largamento - Agitato
Scherzo: Molto vivace
Finale: Allegro ma non troppo
einde (± 16.20 uur)
Toelichting
Jean Françaix 1912-1997
Françaix: Octet
Door Sabien van Dale
Artist in residence Pierre-Laurent Aimard brengt samen met musici uit het Koninklijk Concertgebouworkest een programma dat de grenzen tussen kamermuziek en orkestmuziek doet vervagen. Naast Schumanns Pianokwintet, een gloedvolle interactie tussen strijkers en pianist, horen we enkele buitenbeentjes uit de twintigste eeuw.
Jean Françaix bewandelt neoklassieke paden met een octet naar schubertiaans model. Het Concertino van Leoš Janáček, aanvankelijk bedoeld als pianoconcert, resulteerde in een klein concert voor piano en kamermuziekensemble. György Kurtág grijpt terug op Schumann en toont verder hoe een hedendaags Hongaars componist vanuit het perspectief van deze Duitse romanticus lonkt naar een middeleeuwse polyfonist.
Françaix: Octet
Wanneer je als niet alledaags ensemble van drie blaas-instrumenten en vijf strijkinstrumenten moeilijk een geschikt repertoire weet te vinden, dan laat je toch stukken op maat componeren? Het overkwam Jean Françaix toen een Weens ensemble, dat bij elk optreden teerde op Schuberts Octet in F groot, bij hem aanklopte om de leemte in hun repertoire te vullen. Françaix schreef niet alleen een antwoord op Schuberts meesterlijke voorbeeld, hij maakte er een eerbetoon van door ongegeneerd in diens e voetsporen te treden en die vlekkeloos met zijn typisch pretentieloze humor te injecteren.
Het eerste deel omarmt de met een nostalgische knipoog. Klarinet en delen in een evenwichtige beurtrol het idyllische . Daarna schakelen de musici enkele versnellingen hoger om zich in schalkse allegrissimo-motieven te verlustigen, behalve de die het hoofdthema trouw blijft.
Een onverwachte rust leidt naar het . Met gemak strooit Françaix de vele jes rond. Bijdehante en worden nooit brutaal maar belichten zwierig hoe de oorsprong van het Scherzo schatplichtig is aan de . En op subtiele wijze benadrukken de strijkers dit door een herinnering aan het hoofdthema uit het vorige deel.
In het keert de stemming van het begin helemaal terug. Het is een romantisch intermezzo dat respectievelijk ruimte biedt aan het strijkkwintet () en het blazerstrio (Andante come prima). In de Finale parodieert de componist briljant enkele walsen uit het interbellum.
Leoš Janáček 1854-1928
Janáček: Concertino
Op 62-jarige leeftijd raakte Leoš Janáček helemaal in de ban van de bijna veertig jaar jongere Kamila Stösslová. Zij begeesterde de late carrière van de componist met frisse inventiviteit en energie.
Het Concertino uit 1925 ontstond tijdens die periode. Janáček noemde het ‘een intieme uitdrukking van de jeugdherinneringen van de musicus’. In een tijdschriftartikel beschreef hij zelfs uitvoerig het programma van de vier deeltjes, eigenlijk verzonnen verhaaltjes over een mopperende egel (Moderato), een springerige eekhoorn (Più mosso), vrijpostig starende uilen (Con moto) en ruziënde dieren in een sprookjesbos ().
Dit zonderlinge geheel echoot onmiskenbaar de Het sluwe vosje, de dierenparabel die Janáček twee jaar eerder voltooide. Aanvankelijk kiest de piano voor slechts één partner: in het eerste deel de , daarna de klarinet in het tweede deel. Pas in het derde en vierde deel is de volledige bezetting van zeven instrumenten te horen.
Met name deze delen, met hun afwisseling tussen e maten en stuwende danspassages, zijn gekleurd door de Tsjechische volksmuziek. Met zijn eigenzinnige , onregelmatige motieven, obsessieve s en vocabularium van dierengeluiden bewijst Janáček eens te meer hoe de natuurmens uit Moravië in hem overduidelijk aanwezig was.
György Kurtág 1926
Kurtág: Hommage à Schumann
De urgentie die klinkt uit de muziek van György Kurtág, valt wel vaker samen met een zorgzame bewondering voor eclectische voorbeeldfiguren. Zijn Hommage à Robert Schumann hoort thuis in een eregalerij die verder wordt aangevuld met Hommage à Nancy Sinatra, Hommage to Tchaikovsky, In memory of a just person, en ook Omaggio à Luigi Nono.
Kurtág groet Schumann in een voor piano, en klarinet. De eerste schets dateert uit 1975 en het werk werd voltooid in 1990. Vijf korte segmenten van nauwelijks een minuut zinspelen op fictieve literaire personages (Johannes Kreisler) en op de alter-ego’s (Florestan, Eusebius, Meister Raro) waar Schumann zijn eigen innerlijke tegenstellingen in kwijt kon.
Direct en indirect vallen wezenlijke elementen uit de laat-twintigste-eeuwse muziekgeschiedenis samen met die uit het midden van de negentiende eeuw. Het zesde en laatste deel (Afscheid: Meester Raro ontdekt Guillaume de Machaut) verwijdt bovendien de blik tot in de veertiende eeuw. Machaut was toen de meest invloedrijke componist. Hij heeft zijn bekendheid te danken aan het isoritmische motet, een vorm waarin een repetitief ritmisch patroon de eenheid van het stuk bepaalt.
Op zijn beurt laat Kurtág de drie spelers onafhankelijk hun eigen ritmische formule herhalen. Zijn unieke taal overbrugt de eeuwen. Het verleden is niet dood maar wordt respectvol in een nieuw perspectief geplaatst. Geen synthese, geen pastiche van oude stijlen, wel coherente poëtische ideeën die een dialoog creëren over de grenzen van de tijd heen.
Robert Schumann (1810-1856)
Pianokwintet
Door Sabien van Dale
Als pianist geeft Robert Schumann in zijn vroege kamermuziekoeuvre opvallend blijk van een natuurlijke affiniteit met zijn instrument. Werken voor pianosolo en eren voeren de boventoon. In navolging van zijn voorbeeld Felix Mendelssohn waagde hij zich in 1842 aan drie strijkkwartetten ( 41). Deze worden weinig uitgevoerd, omdat ze volgens kwartetspelers te pianistisch zijn opgevat en dus te weinig idiomatisch voor strijkers gedacht. Binnen hetzelfde jaar hervindt Schumann echter zijn inspiratie met het Pianokwintet in Es groot. De ideeën lijken grotendeels uit het vertrouwde klavier te komen om nadien telkens door de vier strijkers te worden overgenomen. Het eerste is een van de vurigste die Schumann ooit heeft geschreven. Een groot contrast dient zich aan met een zangerig antwoord. In de nevenzinnen is de dwang van de expressie zo mogelijk nog intenser. Het tweede deel begint als een treurmars die na de eerste maten een onwezenlijk karakter aanneemt met een innig gebed van viool en tegen een achtergrond van triolen in de piano. De sfeer evolueert tot een pathetisch largamento, met een betekenisvolle tussenkomst van de en de tweede viool.
Het bonte straalt van vreugdevol zelfvertrouwen en schenkt opnieuw de hoofdrol aan de piano. Kleine motorische figuren worden in alle facetten belicht. Vooral een stuwend met opwaartse toonladders en bekoorlijke ’s in het middendeel trekken de aandacht. De Finale vormt de kroon op het werk. Een abrupte pauze markeert de intrede van het dynamische hoofdthema, dat naar het einde in een dubbele uitmondt. Ook hier wil de piano het voortouw nemen, maar dan deels gereduceerd tot een spaarzame melodische lijn, onderbroken door enkele harmonische passages. De spanning komt tot een climax wanneer in de het eerste thema van dit deel wordt gecombineerd met het hoofdthema van het eerste deel. Daarmee wordt een van de meest geliefde en helder opgebouwde composities van Schumann afgesloten.
Biografie
Pierre-Laurent Aimard, piano
Pierre-Laurent Aimard geldt als een autoriteit op het gebied van de hedendaagse muziek, en werpt ook graag nieuw licht op het oudere repertoire. Hij werd geboren in Lyon en studeerde in Parijs bij Yvonne Loriod en in Londen bij Maria Curcio. De Fransman bouwde nauwe banden op met componisten als György Kurtág, Karlheinz Stockhausen en Elliott Carter en werkte vijftien jaar lang met György Ligeti aan de opnames van diens complete oeuvre.
Voor zijn première-opname van Murails pianoconcert Le Désenchantement du monde met het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks kreeg hij een Gramophone Award. Naast zijn vele soloprojecten wordt Pierre-Laurent Aimard geëngageerd door de belangrijkste orkesten wereldwijd; zo debuteerde hij in 1987 bij het Concertgebouworkest en was hij er in het seizoen 2018/19 artist in residence. In 2024/2025 vierde de pianist de 150ste verjaardag van Maurice Ravel met onder meer The Philadelphia Orchestra en de Czech Philharmonic.
Ook markeerde hij het eeuwfeest van zijn leermeester en vriend Pierre Boulez – onder meer samen met het Ensemble intercontemporain en in een reeks solorecitals. Andere hoogtepunten waren wereldpremières van ‘…selig ist…’ van Mark Andre op de Donaueschinger Musiktage en van een nieuw werk voor piano vierhandig in Berlijn zij aan zij met componist George Benjamin. Pierre-Laurent Aimard geeft les aan conservatoria in Keulen en Parijs en werd in 2017 geëerd met de Ernst von Siemens Musikpreis.
In zijn vorige in Het Concertgebouw, op 30 januari 2022, klonk de cyclus Vingt regards sur l’Enfant-Jésus van Olivier Messiaen, met wie Pierre-Laurent Aimard al op zijn twaalfde kennismaakte en sindsdien veelvuldig aan diens muziek werkte.
Ursula Schoch, viool
Ursula Schoch kreeg haar eerste vioollessen op vierjarige leeftijd. Na de middelbare school studeerde zij viool bij Saschko Gawriloff en kamermuziek bij het Alban Berg Strijkkwartet aan de Musikhochschule in Keulen.
In 1987 behaalde Schoch met haar de eerste prijs bij Jugend Musiziert, het muziekconcours voor de jeugd in Duitsland. In 1990 herhaalde ze deze prestatie als solovioliste. In 1992 was ze eerste prijswinnares van het Deutsche Musikwettbewerb.
Van 1998 tot 2000 was Ursula Schoch lid van de Berliner Philharmoniker. Sinds het seizoen 2000/01 is zij tweede concertmeester bij het Koninklijk Concertgebouworkest. Daarnaast treedt zij regelmatig op in verschillende kamermuziekformaties.
In 2014 verscheen de cd Baltic Souls, de weerslag van het muzikale deel van een concertlezing van schrijver Jan Brokken, waarmee Schoch en pianist Marcel Worms vaak te horen waren. Ursula Schoch bespeelt een viool van J.B. Guadagnini.
Keiko Iwata, viool
Keiko Iwata groeide op in de buurt van Nagoya in Japan. In 1983 haalde ze haar viooldiploma aan de Toho Gakuen School of Music in Tokio. Op een vioolconcours in München ontmoette ze de vermaarde violist en pedagoog Herman Krebbers, voormalig concertmeester van het Concertgebouworkest. Ze verhuisde in 1988 naar Amsterdam om bij Krebbers aan het Sweelinck Conservatorium te studeren.
Sinds 1992 is Keiko Iwata als eerste violiste verbonden aan het Koninklijk Concertgebouworkest. Ze geeft daarnaast graag kamermuziekconcerten en schoolconcerten in Japan.
Keiko Iwata speelt een viool van Guadagnini uit 1764 met een voorblad van Antonio Gragnani.
Ken Hakii, altviool
Ken Hakii studeerde in zijn geboortestad Tokio. Hij vervolgde zijn studie aan het Conservatorium van Keulen bij Rainer Moog en volgde lessen bij Milton Thomas en William Primrose. In 1985 kwam hij in dienst van het Concertgebouworkest. Sinds 1992 is hij aanvoerder van de altviolen. Tijdens een Europese tournee in 1997 speelde Ken Hakii bij het orkest de altsolopartij in Richard Strauss’ Don Quixote.
In november 2003 soleerde hij samen met zijn echtgenote, violiste Hiromi Kikuchi, in György Kurtágs ...Concertante... voor viool, en orkest. Zij speelden dit werk ook met onder meer het BBC Symphony Orchestra, het orkest van het Teatro della Scala in Milaan en het Konzerthausorchester Berlin tijdens belangrijke internationale muziekfestivals in onder meer Salzburg, Luzern, Wenen, Parijs en Venetië.
De cd Signs, Games and Messages met muziek van Kurtág door onder anderen Ken Hakii en Hiromi Kikuchi ontving in 2003 een Edison Klassik en de Preis der deutschen Schallplattenkritik, en werd als beste opname van het jaar bestempeld door The New York Times. Dankzij een -royale particuliere donateur kon voor Ken Hakii in 2011 een altviool van de hand van Francesco en Giovanni Grancino (Milaan, ca. 1680) worden aangekocht, die via RCO Foundation aan hem in bruikleen is gegeven.
Johan van Iersel, cello
Cellist Johan van Iersel studeerde bij Elias Arizcuren aan het Utrechts Conservatorium, waar hij in 1995 met onderscheiding afstudeerde. Na zijn vervolgstudie bij Philippe Müller aan het Parijse Conservatoire National Supérieur de Musique volgde hij masterclasses bij Siegfried Palm, Mstislav Rostropovich en Heinrich Schiff. Sinds september 1997 is hij plaatsvervangend solocellist bij het Concertgebouworkest.
John van Iersel won prijzen op het Prinses Christina Concours (1990), het Postbank Sweelinck Concours (1992) en het concours van de Stichting Jong Muziektalent Nederland (1991). Samen met pianist Jeroen Bal ontving hij in 1992 de Zilveren Vriendenkrans van de Vereniging Vrienden van het Concertgebouworkest.
Met Jeroen Bal en plaatsvervangend concertmeester Tjeerd Top vormt hij het Vermeer . Van Iersel speelde ook in het Escher Trio en is lid van het Blaeu Strijkkwartet, dat in binnen- en buitenland optreedt. Hij soleert regelmatig bij onder andere bij het Concertgebouworkest, het voormalige Radio Kamerorkest en het Residentie Orkest.
Johan van Iersel bespeelt sinds 2005 een F. Ruggieri (Cremona, 1687), voorheen eigendom van zijn celloleraar. Deze cello werd door de Foundation Concertgebouworkest en een aantal particulieren samen aangekocht en aan Van Iersel in bruikleen verstrekt.
Pierre-Emmanuel de Maistre, contrabas
Contrabassist Pierre-Emmanuel de Maistre maakt sinds augustus 2013 deel uit van het Concertgebouworkest en werd in 2015 benoemd tot solocontrabassist van het orkest.
Aanvankelijk studeerde hij aan het conservatorium van zijn geboortestad Toulon en aan het conservatorium van Rueil Malmaison. Vervolgens studeerde Pierre-Emmanuel de Maistre contrabas bij Jean Pierre Resecco in Toulon en bij Vincent Pasquier in Parijs, waarna hij doorstudeerde aan de Folkwang Hochschule in Essen bij Niek de Groot, voormalig eerste solobassist van het Concertgebouworkest. Hij deed mee aan masterclasses van Philippe Müller, Gary Hoffman, Franz Helmerson en Matthew McDonald.
Tussen 2003 en 2007 was hij lid van het Gustav Mahler Jugendorchester en tevens was hij lid van het Seiji Ozawa International Chamber Music Academy in Zwitserland. In 2003 werd Pierre-Emmanuel de Maistre tot plaatsvervangend solobassist in het Orchestre National de Lille. Daarnaast remplaceerde hij bij diverse andere orkesten in Frankrijk, en in 2012 ook bij het Concertgebouworkest.
Kamermuziek is belangrijk voor Pierre-Emmanuel - in 2007 nam hij deel aan de Seiji Ozawa International Academy, een zomercursus voor kwartetspel in Genève.
Pierre-Emmanuel nam deel aan diverse kamermuziekfestivals, zoals het festival Barga en het Festival International de Musique de Chambre in Thèze in Zuid-Frankrijk.
Hij is hoofdvakdocent contrabasbas aan de Musikene Superior Arts Center in San Sebastián.
Pierre-Emmanuel bespeelt een contrabas uit de collectie van de Foundation Concertgebouworkest, een Bergonzi gebouwd in Cremona (ca. 1760).
Calogero Palermo, klarinet
Calogero Palermo is soloklarinettist van het Concertgebouworkest sinds augustus 2015.
Na zijn opleiding aan het conservatorium van Palermo en bij Thomas Friedli in Genève werd Calogero Palermo al op 22-jarige leeftijd aangenomen als soloklarinettist van het Orchestra del Teatro V. Bellini in Catania, Sicilië.
Van 1997 tot 2008, en later opnieuw van 2012 tot 2015, was hij soloklarinettist van het Orchestra Teatro di Roma. Tijdens de tussenliggende jaren was hij werkzaam in het Orchestre National de France. Hij remplaceerde onder meer bij het Orchestra Filarmonica della Scala di Milano en het Concertgebouworkest.
Ondertussen maakte Calogero Palermo naam als solist en kamermusicus; hij trad op in de belangrijkste Italiaanse steden en in Spanje, Duitsland, Frankrijk, Tunesië, Rusland, China, Taiwan, Japan en de Verenigde Staten. Hij was als solist te horen via radio- en tv-zenders in Italië, Frankrijk en Roemenië, bijvoorbeeld in Webers Eerste klarinetconcert op RaiTrade.
Bij het Concertgebouworkest treedt hij voor het eerst op als solist. De Siciliaanse klarinettist geeft regelmatig masterclasses. Hij schreef de didactische methode Soli d’orchestra met revisies en arrangementen voor klarinet en piano van bekende werken.
Hein Wiedijk, klarinet
Hein Wiedijk studeerde cum laude af bij George Pieterson aan het Sweelinck conservatorium te Amsterdam. Sinds 1996 maakt hij deel uit van het Koninklijk Concertgebouworkest.
Hij speelde kamermuziek met onder anderen Han de Vries, Anner Bijlsma, Pieter Wispelwey en Gervase de Peyer. Hein was – samen met pianist Frank van de Laar en celliste Larissa Groeneveld – een van de winnaars van het Vriendenkrans Concours in 1987 en won prijzen op diverse internationale kamermuziekconcoursen.
Als mede-oprichter van Camerata RCO geeft hij concerten over de hele wereld (Japan, Taiwan, USA en in Europa). Hij maakte cd's met werken van Beethoven, Brahms, Ravel, Mozart en Mahler.
Jos de Lange, fagot
Jos de Lange studeerde eerst cum laude af in de wiskunde voordat hij in Amsterdam ging studeren bij John Mostard. Hij was negentien toen hij begon met fagot spelen nadat hij tien jaar klarinet gespeeld had. 'Fagot, want het mooiste geluid denkbaar; het staat bovendien dicht bij de menselijke stem.'
Sinds 1982 speelt Jos de Lange in het Koninklijk Concertgebouworkest. Daarnaast heeft hij altijd veel kamermuziek gespeeld, onder andere bij de Amsterdamse Bachsolisten, het Viotta Ensemble en het Bommel Quartet. Op tientallen cd's met kamermuziek is hij te beluisteren.
Jos de Lange is hoofdvakdocent aan het Conservatorium van Amsterdam. Hij is maar één keer met tegenzin naar een orkestrepetitie gegaan, maar hij zegt niet voor welk stuk dat was.
José Sogorb Jover, hoorn
José Luis Sogorb Jover werd geboren in Pinoso, in de Spaanse provincie Alicante. Hij begon zijn studie bij Enrique Rodilla, studeerde verder bij Vicente Navarro aan het conservatorium van Alicante en voltooide zijn studie bij Herman Jeurissen aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag, waar hij zowel zijn Bachelor- als zijn Masterdiploma cum laude behaalde.
Na zeven jaar te hebben gediend als ist van Het Gelders Orkest werd José Sogorb Jover aangenomen als solohoornist bij het Orquesta Sinfónica de Galicia. Sinds augustus 2016 maakt hij deel uit van het Koninklijk Concertgebouworkest.
Hij remplaceerde bij orkesten uit heel Europa en werkte met en als Riccardo Chailly, Bernard Haitink, Valery Gergiev, Mariss Jansons, Zubin Mehta en Yannick Nézet-Séguin.
José Luis Sogorb Jover gaf s, soloconcerten en kamermuziekuitvoeringen in Nederland, België, Frankrijk, Brazilië en Spanje, waar hij ook masterclasses gaf aan jonge musici.









