Carte Blanche voor Leonidas Kavakos en Yuja Wang
Leonidas Kavakos viool
Yuja Wang piano
pauze ca. 21.00 uur
einde ca. 22.15 uur
Dit concert maakt deel uit van de serie Carte Blanche voor Leonidas Kavakos.
Leoš Janáček 1854-1928
Vioolsonate (1914-15)
Con moto
Ballada
Allegretto
Adagio
Franz Schubert 1797-1828
Fantasie in C gr.t., D 934 (1827)
Andante moderato
Allegretto
Andantino
Andante molto
Allegro vivace
pauze
Claude Debussy 1862-1918
Sonate in g kl.t. (1916-17)
Allegro vivo
Intermède: Fantasque et léger
Finale: Très animé
Béla Bartók 1881-1945
Eerste sonate in cis kl.t. (1921)
Allegro appassionato
Adagio
Allegro, allegro molto
Toelichting
Leoš Janáček 1854-1928
Vioolsonate
tekst: Anneloes Brand
Behalve Franz Schuberts Fantasie werden alle werken op dit programma gecomponeerd tijdens de Eerste Wereldoorlog of kort erna. Elk werk is op zijn eigen manier een reactie op het menselijk drama en het geweld in die jaren. De Tsjechische nationalist Leoš Janáček hoopte dat de oorlog zijn land zou verlossen van het Oostenrijks-Hongaarse bewind.
‘Ik componeerde de Vioolsonate aan het begin van de oorlog in 1914, toen we het Russische leger verwachtten in Moravië’, schreef hij in 1922. Zoals vele landgenoten beschouwde hij de Russen als Slavische bevrijders. De componist merkte verder op dat hij in zijn als het ware ‘het kletterende staal in mijn zorgelijk hoofd’ kon horen. En inderdaad lijkt de compositie een strijd tussen gewelddadige uitbarstingen en mooie, door volksmuziek geïnspireerde ën.
Overigens ging de totstandkoming van het werk ook niet zonder slag of stoot: Janáček componeerde de voor viool en piano rond het tweede deel, de Ballada, die hij eigenlijk als op zichzelf staand werk had bedacht, en presenteerde het vierdelige werk in 1915 aan violist Jaroslav Kocián. Deze had echter zijn twijfels over de sonate en wilde de première in Praag niet verzorgen.
In de jaren erop creëerde de componist nog minstens drie versies, voordat hij zijn Vioolsonate in 1922 liet publiceren. Op 24 april van dat jaar hielden František Kudláček en (Janáčeks leerling) Jaroslav Kvapil de sonate ten doop in het Museum voor Toegepaste Kunst te Brno. De bondige sonate is representatief voor Janáčeks late stijl, gekarakteriseerd door korte motieven, talrijke tempowisselingen en een intense zeggingskracht.
Franz Schubert 1797-1828
Fantasie
In het laatste jaar van zijn korte leven weerhield zijn ziekbed Franz Schubert er blijkbaar niet van enkele van zijn beste werken te voltooien, waaronder de laatste drie pianosonates en de Negende symfonie (de ‘Grote’).
Te midden van dit alles componeerde Franz Schubert ook de Fantasie in C groot die – rijk, ingenieus en vol speelvreugde – perfect had gepast in de beroemde ‘Schubertiades’, de huisconcerten waar vele van Schuberts kamermuziekwerken door hemzelf en zijn muzikale vrienden voor het eerst werden uitgevoerd.
Het werk was echter bedoeld voor een publieke uitvoering, en wel door de Tsjechische violist Josef Slavík, een van Niccolò Paganini’s jonge rivalen, en pianist Carl Maria von Bocklet. De première op 20 januari 1828 was helaas niet zo succesvol: een van de recensenten oordeelde dat het werk ‘veel meer tijd in beslag nam dan de Weense luisteraars bereid zijn te besteden aan geneugten van de geest. De zaal liep langzaam leeg…’
De Fantasie in C groot is inderdaad een uitgebreid werk, bijna een , waarvan de verschillende gedeelten een ononderbroken geheel vormen. Het middelpunt is een set virtuoze variaties op een dat de componist enkele jaren eerder had geschreven, Sei mir gegrüsst!,D 741 dat nogal opvalt na het ijle moderato (waarbij de ’s in de piano doen denken aan een ) en het sprankelende Allegretto.
Na de variaties in het Andantino keert het intro terug, waarna Schubert in het bravoure-achtige slotgedeelte de musici alle gelegenheid geeft hun meesterschap te tonen.
Claude Debussy 1862-1918
Sonate
Door Anneloes Brand
In de jaren 1916-17 zag Claude Debussy, terneergeslagen door de Eerste Wereldoorlog en zijn eigen gevecht voerend tegen kanker, toch nog kans te componeren – zij het moeizaam. Zijn voor viool en piano in g klein, de derde van de geplande zes sonates voor verschillende instrumentencombinaties, was het laatste werk dat de Franse componist voltooide vóór zijn dood in 1918.
Door zijn anti-Duitse houding ten opzichte van zowel de politiek als de kunsten was hij vastberaden de zes werken te creëren ‘in een oude, buigzame vorm met niets van de hoogdravendheid van hedendaagse s’, zoals de componist in 1915 in een brief aan Bernardino Molinari schreef, verwijzend naar de doortimmerde bouwwerken naar Duits voorbeeld.
Het moesten vooral ‘Franse’ sonates worden, maar er zitten in de Vioolsonate ook diverse passages die aan zigeunervioolmuziek doen denken. De Vioolsonate werd op 5 mei 1917 in Parijs in première gebracht door Gaston Poulet en de componist zelf aan de piano – een van zijn laatste publieke optredens. In het nu eens nostalgische, dan weer vurige en capricieuze werk is geen spoor van Debussy’s ziekte, oorlogszorgen en werkfrustraties te vinden.
Helaas was de componist zelf niet zo tevreden, gezien een brief aan zijn goede vriend Robert Godet: ‘Weet dat ik de Sonate alleen voltooide om ervan af te zijn, opgejaagd door mijn geliefde uitgever. […] Deze Sonate zal interessant zijn vanuit documentair oogpunt en als voorbeeld van hetgeen een zieke man in oorlogstijd kan produceren.’
Béla Bartók 1881-1945
Eerste sonate
Béla Bartók leefde tijdens de Eerste Wereldoorlog in artistieke isolatie in Boedapest. De oorlog maakte het muziekleven in grote delen van Europa onmogelijk en pas na de wapenstilstand kon Bartók weer op tournee gaan als pianist en kennisnemen van de laatste muzikale ontwikkelingen, waaronder de nieuwe van Arnold Schönberg.
Deze ideeën beïnvloedden de twee vioolsonates die Bartók in de jaren na de oorlog componeerde, maar ook de andere componisten die hij bewonderde, Debussy en Stravinsky, plus zijn uitgebreide studie van de Hongaarse volksmuziek, lieten hun sporen na. Ondanks de neiging naar atonaliteit hield Bartók vol dat zijn Eerste in cis klein een tonale basis heeft.
Het is voor Bartóks doen een lang werk. De componist schreef voor de twee instrumenten compleet verschillende muziek, alsof de viool en de piano in verschillende muzikale werelden leven en slechts op cruciale momenten samenkomen. Daar staat tegenover dat het werk dramatisch, energiek en zeer klankrijk is.
Bartók schreef de voor de Hongaarse violiste Jelly d’Aranyi, met wie hij het werk op 24 maart 1922 voor het eerst uitvoerde tijdens een besloten concert in Londen, waarna ze het nog meermalen in andere Europese steden speelden.
Biografie
Leonidas Kavakos, viool
Leonidas Kavakos brak internationaal door met het winnen van Sibelius Concours in 1985 en het Paganini Concours in 1988. Sinds die tijd werkt hij met gezelschappen als de Wiener, de Berliner en de Münchner Philharmoniker, de Staatskapelle Dresden, het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks, het London Symphony Orchestra en het Orchestre Philharmonique de Radio France.
Sinds 2002 is hij een graag geziene gast bij het Concertgebouworkest, waar hij soleerde in een breed repertoire van Saint-Saëns en Tsjaikovski tot Rihm en Dutilleux.
In het seizoen 2014/2015 was hij de eerste artist in residence in de geschiedenis van het orkest. Tijdens Opening Night 2021 op de Dam soleerde hij in werken van Kreisler, Paganini, Mascagni en Ravel, en in oktober en november 2022 was hij met het orkest onder leiding van Daniel Harding in Amsterdam en op tournee te horen in Brahms’ Vioolconcert.
In zijn geboortestad Athene geeft hij jaarlijks druk bezochte masterclasses viool en ensemblespel. Leonidas Kavakos is ook actief als ; zo leidde hij het Budapest Festival Orchestra, het Rotterdams Philharmonisch Orkest, de New York Philharmonic, de Wiener Symphoniker, het Orchestra dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia, het Israël Filharmonisch Orkest en het Chamber Orchestra of Europe.
Leonidas Kavakos trad regelmatig op met cellist Yo-Yo Ma en pianist Emanuel Ax en rekent onder zijn kamermuziekpartners ook de pianisten Enrico Pace en Yuja Wang. Solo was hij te horen in bijvoorbeeld Bachs ’s en s, die hij ook op cd opnam. Leonidas Kavakos bespeelt de ‘Willemotte’-Stradivarius uit 1734.
Wat vindt Leonidas Kavakos zo bijzonder aan Korngolds Vioolconcert? Lees hier het artikel.
Yuja Wang, piano
Yuja Wang studeerde aan het conservatorium in haar geboortestad Peking en in Canada en voltooide haar opleiding bij Gary Graffman aan het Curtis Institute of Music in Philadelphia. Haar definitieve doorbraak volgde toen ze in 2007 met Tsjaikovski’s Eerste pianoconcert inviel voor Martha Argerich bij het Boston Symphony Orchestra.
Sindsdien wordt de pianiste uitgenodigd door grote orkesten als die van Philadelphia, Washington en New York, de Sächsische Staatskapelle Dresden, het Orchestra dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia, het City of Birmingham Symphony Orchestra en de Wiener, de Münchner en de Berliner Philharmoniker.
In 2017 riep muziekblad Musical America Yuja Wang uit tot Artist of the Year, in 2021 kreeg ze een Echo Klassik voor haar première-opname van Must the Devil Have all the Good Tunes? van John Adams met de Los Angeles Philharmonic, en in 2024 won ze haar eerste Grammy Award. In San Francisco verzorgde ze in 2022 de wereldpremière van het Derde pianoconcert van Magnus Lindberg, met vervolguitvoeringen in Noord-Amerika en Europa.
Bij het Concertgebouworkest debuteerde Yuja Wang in 2010 met Prokofjevs Derde pianoconcert en ze keerde meermaals terug, de laatste keer afgelopen december met Prokofjevs Tweede pianoconcert onder leiding van Thomas Adès. Kamermuziek speelt de pianiste met onder anderen cellist Gautier Capuçon, klarinettist Andreas Ottensamer en violist Leonidas Kavakos, en solorecitals geeft ze wereldwijd – in de voor het laatst in mei 2022.

