Artist in Residence Concertgebouw-orkest: Jean-Yves Thibaudet
Koninklijk Concertgebouworkest
Alexandre Bloch dirigent
Jean-Yves Thibaudet piano
Musicoloog Michel Khalifa geeft op vrijdag 4 december om 19.15 uur een inleiding in de Koorzaal. Uw gratis kaartje hiervoor kunt u reserveren via de Concertgebouwlijn (0900 671 83 45; 1 euro per gesprek) of afhalen aan de kassa van Het Concertgebouw.
Olivier Messiaen 1908-1992
Les offrandes oubliées (1930)
méditation symphonique
Très lent (douloureux, profondément triste)
Vif (féroce, désesperée, haletant)
Extrêmement lent (avec un grande pitié et un grand amour)
James MacMillan 1959
Derde pianoconcert (2007-08)
‘The Mysteries of Light’
Baptisma Iesu Christi
Miraculum in Cana
Proclamatio Regni Dei
Transfiguratio Domini Nostri
Institutio Eucharistae
Nederlandse première
pauze
Maurice Ravel 1875-1937
Alborada del gracioso
(1905, georkestreerd 1918)
Paul Dukas 1865-1935
L’apprenti sorcier (1897)
scherzo naar een ballade van Goethe
Maurice Ravel
Rapsodie espagnole (1907-08)
Prélude à la nuit
Malagueña
Habanera
Feria
Direct na het concert op vrijdag 4 december vindt Meet the Artists plaats in de Spiegelzaal. Adjunct-directeur artistieke zaken Joel Ethan Fried spreekt met Alexandre Bloch, Jean-Yves Thibaudet en een orkestmusicus.
Toelichting
Olivier Messiaen 1908-1992
Les offrandes oubliées
Door Michiel Cleij
Olivier Messiaen was een van de kleurrijkste componisten van de vorige eeuw. Zijn muziek sloeg een brug tussen het oude, vooroorlogse componeren en het rigoureuze modernisme na 1945. Als Fransman, opgegroeid met de muziek van Debussy, Ravel en zijn leraar Dukas, beschikte hij over een sterk gevoel voor ; van hen ‘erfde’ hij tevens een fascinatie voor oosterse muziek. In navolging van Stravinsky experimenteerde hij met complexe s. Maar zijn belangrijkste inspiratiebronnen waren altijd het katholieke geloof en de natuur, in zijn muziek gesublimeerd tot machtige, bijna filmische klanksculpturen. Daartoe breidde hij het standaardorkest vaak uit met wonderlijk exotisch instrumentarium.
In Les offrandes oubliées, een vroeg werk, beperkt Messiaen zich nog tot een conventionele orkestbezetting. Maar de muziek die hij daaruit toverde moet rond 1930 voor velen verrassend en ‘vreemd’ geklonken hebben, vooral door de bezwerende, soms meditatief aandoende klank. Tegen de achtergrond van economische crisis, politieke instabiliteit en een hang naar goedkoop amusement riep Messiaen een visioen op waarin onvoorwaardelijk geloof zegeviert.
In drie aaneengesloten delen verklankt hij achtereenvolgens Christus’ lijden, de zondeval en de eeuwige vrede door Gods genade. De trage, ‘tijdloze’ hoekdelen contrasteren sterk met het felle middendeel dat de zondige mens weergeeft als een agressief, spastisch feestbeest. De indringende sfeer- en klankeffecten zijn een voorbode van de muzikale wonderen die later uit Messiaens pen zouden vloeien.
James MacMillan 1959
derde pianoconcert
James MacMillan ontplooide zich in de periferie, ver van de grote stad waar alles hot and happening is, of zou moeten zijn. In Schotland maakte hij naam als componist en . Vervolgens overrompelde hij het verwende Londense publiek en, niet lang daarna, de Amerikaanse concertwereld – en Nederland, waar hij in 2011 vaste dirigent werd van de Radio Kamer Filharmonie.
Er zijn diverse redenen voor MacMillans succes, maar de meest directe is de welsprekendheid van zijn muziek. Of misschien is ‘expressiviteit’ een beter woord, want zelfs als je zijn werk als geheimtaal ervaart is de boodschap ervan altijd duidelijk. MacMillan drukt primaire, herkenbare emoties uit, maar hij laat ze klinken als religieuze visioenen of openbaringen. In dat opzicht is hij verwant aan Messiaen: ook zo’n componist die aan een alledaagse waarneming extatische proporties kon geven. En net als Messiaen richt MacMillan zich niet alleen tot geloofsgenoten: het is uiteindelijk de klankbeleving die telt, en daarvan kun je ook genieten als verstokt atheïst. Het Derde pianoconcert, dat hij schreef voor Jean-Yves Thibaudet, is in dat opzicht een ‘hapklaar’ compromis: een onderhoudend concertstuk, religieus geïnspireerd.
Qua opbouw volgde MacMillan een werkwijze die bij sommige zeventiende-eeuwse componisten in zwang was: hij modelleerde de muziek naar het oer-katholieke Rozenkransgebed. Daarin zijn gebeden van verschillende lengte en inhoud volgens een bepaald patroon gegroepeerd, corresponderend met de vier geloofsgeheimen: Blijde geheimen, Droevige geheimen, Glorievolle geheimen en Geheimen van het Licht (waarnaar het concert vernoemd is). Evenzo zit dit werk vol contrasten in sfeer en stemmingen – zozeer zelfs dat MacMillan het als een ‘symfonisch gedicht in concertvorm’ beschouwt. Het is in elk geval een concert in traditionele zin – oftewel een dialoog tussen solist en orkest met een duidelijke dramatische spanningsboog. Daarbij maakt MacMillan uitbundig gebruik van metalen instrumenten die een visuele en akoestische schittering aan het klankbeeld geven: een theatrale en effectieve benadering van het ‘Licht’-.
Maurice Ravel 1875-1937
alborada del gracioso en rapsodie espagnole
Veel negentiende-eeuwse componisten probeerden met muziek beelden, sferen en kleuren op te roepen, maar Maurice Ravel zette rond 1910 een nieuwe norm. Met een combinatie van flair en bijna wetenschappelijke precisie toverde hij de meest uiteenlopende klankwerelden tevoorschijn. Een broeierige Spaanse nacht, een Weens dansfestijn, een Amerikaanse jazzclub, sprookjes, zigeunerromantiek, de kinderwereld: Ravels orkestbehandeling laat ze tot in de fijnste nuances voor je geestesoog verschijnen.
Spanje – honderd jaar geleden nog een exotisch, geïsoleerd land – was één van zijn favoriete onderwerpen, mede te verklaren door de Baskische afkomst van zijn moeder. Alborada del gracioso (‘Ochtendlied van de harlekijn’) is van oorsprong een pianowerk, vol gitaar-imitaties en Spaans gekleurde dansritmes. De orkestbewerking die hij later maakte klinkt minder ‘getokkeld’ dan de pianoversie, maar de sierlijke dansbewegingen komen des te sterker uit de verf.
De Rapsodie espagnole is één van de vele Spaans geïnspireerde stukken die rond 1900 gecomponeerd werden, vooral door Russen en Fransen. Spanje zelf verkeerde toen nog in een muzikale identiteitscrisis; mede door componisten als Ravel werden Spanjaarden zich bewust van hun muzikale potentieel. Ravels Rapsodie is dus geen echte Spaanse muziek. De Malagueña en de Habanera knopen losjes aan bij specifieke folkloristische danspatronen, maar de hoekdelen (het ‘Voorspel tot de nacht’ en het ‘Volksfeest’) zijn meer Frans dan Spaans. Ravels orkesttaal bouwt voort op de kunst van Berlioz, Rimski-Korsakov en Debussy, maar is verrijkt met nieuwe elementen: ongebruikelijke instrumentcombinaties, de door Stravinsky geïntroduceerde buitenissigheid om bepaalde instrumenten in een extreem hoog of laag register te laten spelen. Het orkest is, kortom, tot in de meest delicate details uitgerust om de luisteraar te behagen.
Paul Dukas 1865-1935
l'apprenti sorcier
Met slechts een handvol composities verwierf Paul Dukas wereldfaam – en L’apprenti sorcier (‘De tovenaarsleerling’) is daarvan veruit de bekendste. Dukas was een tijdgenoot van de grote Claude Debussy, maar was minder modern en trok daardoor minder de aandacht. Tevens was hij dermate kritisch op zijn eigen werk dat hij in de laatste decennia van zijn leven geen enkel stuk meer voltooide: niet goed genoeg. Wel ontplooide hij zich als een toegewijd compositieleraar, onder andere van Olivier Messiaen.
De Duitse muziekcultuur (Wagner voorop) inspireerde Dukas minstens evenveel als de Franse. L’apprenti sorcier is gebaseerd op een gedicht van Goethe, waarin een tovenaarsleerling tijdens de afwezigheid van zijn meester met bezweringen experimenteert: het schoonmaken van de werkplaats ontaardt in een watervloed die de meester bij thuiskomst nog net weet te stuiten. Een pleidooi, dus, voor balans tussen jeugdig elan en gerijpte wijsheid.
Maar Dukas’ verklanking schuift die Duitse keurigheid terzijde. Alleen in de begin- en slotmaten is Goethe’s ‘wijze meester’ aanwezig, als een sloffende, kleurloze figuur. Daartussenin geeft Dukas, met hoorbaar klankgenot, alle ruimte aan de onbesuisdheid van de leerling: het feestje is groter dan de dreiging.
Michiel Cleij
Biografie
Koninklijk Concertgebouworkest, orkest
Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouworkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande en en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.
Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concertgebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.
Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende en zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Haitink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.
Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, fondsen en donateurs wereldwijd.
Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest
Alexandre Bloch, dirigent
Alexandre Bloch speelde vanaf zijn zesde en studeerde aan het Conservatorium van Orléans. Daarna volgde hij een studie compositie en orkestdirectie aan het conservatorium in Parijs.
In maart 2012 kreeg hij een beurs van het Royal Northern College of Music, waardoor hij twee seizoenen kon werken met onder meer het Hallé Orchestra in Manchester, het BBC Philharmonic Orchestra en Manchester Camerata. Hij trok de aandacht van Michael Tilson Thomas, Pierre Boulez en Esa-Pekka Salonen en was in de zomer van 2011 conducting fellow in Tanglewood.
Alexandre Bloch is oprichter en chef- van het Orchestre Antipodes. In september 2012 won hij de Donatella Flick Conducting Competition, waarna hij werd aangenomen als assistent-dirigent van het London Symphony Orchestra. Met ingang van het huidige seizoen is Alexandre Bloch eerste gastdirigent van de Düsseldorf Symphoniker.
Hij was te gast bij het London Symphony Orchestra, het Royal Scottish National Orchestra, het Orchestre National de Lyon en de Nordwestdeutsche Philharmonie. In mei 2012 was hij een van de dirigenten bij de masterclass van Mariss Jansons met het Koninklijk Concertgebouworkest.
In oktober van dat jaar maakte hij met werken van Johan Wagenaar en Richard Strauss zijn debuut bij het orkest als invaller voor Mariss Jansons.
Jean-Yves Thibaudet, piano
Het repertoire van de uit Lyon afkomstige pianist Jean-Yves Thibaudet reikt van Beethoven tot MacMillan, van jazz tot . Al op zijn twaalfde ging hij studeren aan het conservatorium in Parijs bij Aldo Ciccolini en Lucette Davis. Drie jaar later won hij de Premier Prix du Conservatoire en weer drie jaar later, in 1981, de Young Concert Artists International Auditions in New York.
In korte tijd debuteerde de pianist op de gerenommeerde podia van de Verenigde Staten, Europa en Azië en sindsdien treedt hij wereldwijd op; zowel met de grote orkesten als solo en in kamermuziek. Zijn catalogus van meer dan vijftig cd’s leverde hem onder meer twee Grammy-nominaties, een Preis der deutschen Schallplattenkritik, een Diapason d’Or, een Choc du Monde de la Musique, een Edison en meerdere Gramophone Awards op, en zijn pianospel is te horen op de soundtracks van onder meer The French Dispatch, Pride and Prejudice en Atonement.
Jean-Yves Thibaudet is verbonden aan de Colburn School in Los Angeles, en samen met cellist Gautier Capuçon is hij artistiek leider van het Festival Musique & Vin in Clos de Vougeot. In 2001 werd hij benoemd tot Chevalier de l’Ordre des Arts et des Lettres en in 2012 promoveerde hij tot Officier. Sinds 2010 prijkt zijn naam in de Hollywood Bowl Hall of Fame. De vorige optredens van Jean-Yves Thibaudet in de waren in april (Chatsjatoerjan onder Paavo Järvi) en september (Saint-Saëns onder Klaus Mäkelä) met het Concertgebouworkest, waar hij in 1988 debuteerde en in 2015/2016 artist in residence was.


