25 jaar Academie Concertgebouworkest

alumni en deelnemers van de Academie van het Concertgebouworkest
alumni van Concertgebouworkest Young

Klaus Mäkelä dirigent
Aurel Dawidiuk dirigent (Grieg), orgel (Saint-Saëns)
Carlos Ferreira klarinet
Santa Vižine altviool

Dit programma maakt deel uit van de serie D.

Het concert wordt ingeleid met een korte film over de Academie van het Concertgebouworkest.

Dit concert wordt opgenomen door AVROTROS voor radio-uitzending op zondag 8 november om 14.00 uur via NPO Klassiek.

Jubileumconcert: Academie 25 Jaar

Edvard Grieg (1843-1907)

Suite nr. 1 uit ‘Peer Gynt’ (1874-75, revisie 1885)
Morgenstemming
De dood van Åse
Anitra’s dans
In de hal van de bergkoning

Max Bruch (1838-1920)

Concert voor klarinet, altviool en orkest in e kl.t., op. 88 (1911)
Andante con moto
Allegro moderato
Allegro molto

pauze ± 21.00 uur

Camille Saint-Saëns (1835-1921)

Symfonie nr. 3 in c kl.t., op. 78 (1886)
‘Orgelsymfonie’
Adagio – Allegro moderato – Poco adagio
Allegro moderato, Presto – Maestoso – Allegro

einde ± 22.10 uur

Dit programma wordt mogelijk gemaakt dankzij financiële ondersteuning van Ammodo Art.

Toelichting

Edvard Grieg (1843-1907)

Eerste suite uit ‘Peer Gynt'

Het is natuurlijk geen wedstrijd. Maar welke Noor zou beroemder zijn: Henrik Ibsen, de schrijver van toneelstuk Peer Gynt – of Edvard Grieg, die er de muziek bij componeerde? In elk geval zullen aanzienlijk meer mensen de muziek hebben gehoord dan het toneelstuk hebben bijgewoond.

Toch wordt Ibsens stuk uit 1867 nog regelmatig op de planken gebracht. En dat is best opvallend: de ­toneelschrijver zelf twijfelde aanvankelijk aan de uitvoerbaarheid van zijn werk, over een avontuurlijke antiheld in een uiterst bonte wisseling van scènes waarvan de hoofdpersoon zelfs een gedeelte hallucineert, en zonder acht te slaan op eenheid van tijd, plaats en handeling. Daarbij duurt een (zeldzame) onverkorte uitvoering algauw vijf uur.
En dat is nog zonder de muziek van Grieg, die daarom de opdracht krijgt vooral korte stukken te componeren. Grieg, gefrustreerd: ‘Het [toneelstuk] is onhandelbare materie.’ Hij schrijft dat hij niet kan componeren zoals hij wil, en spreekt zelfs van ‘broddelwerk’. Bovendien bemoeit Ibsen zich met de muziek, en daar is Grieg niet van gediend.

Uiteindelijk is het de typische ‘Noorsheid’ van het toneelwerk die Grieg, volgens zijn vrouw Nina Hagerup, toch voldoende inspireert om het werk te voltooien: ‘Hoe meer zijn hoofd verzadigd raakte van het machtige epos, des te meer raakte hij ervan overtuigd dat hij de juiste man was voor een dergelijk heksenwerk, zo doordesemd met de Noorse geest.’
Jaren na de première in 1876 stelt Grieg uit het ‘broddelwerk’ twee orkestsuites samen, die nu, met hun aansprekende ën en ijzersterke orkestratie, tot de populairste muziek behoren in de klassieke concertzaal. En daarbuiten: zo maakte Duke Ellington van beide s een jazzversie (in Noorwegen jarenlang verboden).

Uit de Eerste suite is de opening, ‘Morgenstemming’, in Nederland bekend van, onder veel meer, reclamespots en de begrafenis van koningin Juliana. Verder putten veel film- en televisiemakers voor hun soundtracks uit de suite: ‘In de hal van de bergkoning’ klinkt al prominent in de bioscoop sinds Fritz Langs meesterwerk M uit 1931. En ‘De dood van Åse’ is een toepasselijke keus voor talloze sterf- en begrafenisscènes, zoals in de serie Six Feet Under.

Max Bruch (1838-1920)

Concert voor klarinet, altviool en orkest

Max Bruch schrijft zijn Concert voor klarinet, altviool en orkest in 1911, als hij 73 jaar is. In hetzelfde jaar overlijdt Gustav Mahler, publiceert Arnold Schönberg zijn atonale Sechs Kleine Klavierstücke en brengt Igor Stravinsky zijn ballet Petroesjka op de planken. Velen zien de zeventiger Bruch inmiddels dan ook als vertegenwoordiger van een voorgoed voorbij muzikaal verleden. Ook de componist zelf lijkt in zijn dubbelconcert vooral terug te blikken. Maar met Bruchs keuze voor klarinet en als ­solo-instrumenten (een nagenoeg unieke bezetting) levert dat wél verrukkelijk mild-weemoedige muziek op. Bruch schrijft het werk voor zijn zoon Max. Junior is een voortreffelijk klarinettist, soms vergeleken met Richard Mühlfeld – op zijn beurt de inspiratie voor enkele van Johannes Brahms’ laatste werken. De andere begunstigde van Bruchs concert is (alt)vioolvirtuoos Willy Hess, een tijdlang concertmeester van het Rotterdams Philharmonisch Orkest.

Het dubbelconcert is origineel opgebouwd, met drie steeds iets snellere delen. De opening is gemodelleerd naar het dubbelconcert van Brahms (1887, voor en viool): de solisten stellen zich kort voor, los van elkaar, maar slepen al gauw het orkest mee in hun samenzang. Bruch legt meteen een Scandinavische link door een Zweeds volkslied aan te halen uit de historische landstreek Värmland, direct aan de Noorse grens. Varianten erop klinken doorheen het hele werk, het meest aangrijpend in het duet uit het tweede deel waar klarinet en altviool zich verstrengelen boven tokkelende strijkers. De finale geeft een vlottere versie van hetzelfde , dat, net als Griegs Peer Gynt, ook bekend is in een jazzversie – meerdere zelfs: Stan Getz, Miles Davis en John Coltrane namen het nummer allemaal op, onder de titel Dear Old Stockholm.

Camille Saint-Saëns (1835-1921)

Orgelsymfonie

De complete geschiedenis van de Franse symfonie in de negentiende eeuw’ zou op de plank weinig plaats innemen naast uitgaven over vergelijkbare Duitse werken. Toch valt er, nog afgezien van de experimenten van Hector Berlioz en de werken van Georges Bizet en César Franck (oorspronkelijk een Belg), veel moois te ontdekken in de Franse symfonische hoek. Camille Saint-Saëns is ongetwijfeld de belangrijkste Franse componist van zijn tijd die zich niet onderwerpt aan de ie van de opéra of het chanson. Hij schrijft vijf symfonieën, waarvan hij er drie een officieel nummer geeft. De Derde symfonie ‘avec orgue’ staat bekend als de ‘Orgelsymfonie’.

Camille Saint-Saëns: ‘Wat ik hiermee heb bereikt, zal ik nooit meer evenaren’

Saint-Saëns schrijft het werk rond zijn vijftigste, en op het toppunt van zijn roem, in opdracht van de London Philharmonic Society. De componist gooit er (bijna) al zijn energie tegenaan, hoewel hij tezelfdertijd werkt aan zijn beroemde Carnaval des animaux (wanneer een uitgever hem bekritiseert om zijn prioriteiten, antwoordt de componist: ‘Je hebt gelijk. Maar het Carnaval is zo leuk om te doen!’). Hoe serieus Saint-Saëns zijn Derde symfonie evenwel neemt, blijkt maar uit zijn opmerking na voltooiing: ‘Ik heb er alles aan gegeven wat ik er aan kon geven. Wat ik hiermee heb bereikt, zal ik nooit meer evenaren.’ Hoewel de componist in 1886 nog 35 jaar te leven heeft, zal de Derde inderdaad zijn laatste symfonie zijn.

En een oorspronkelijk werk is het: Saint-Saëns verdeelt zijn symfonie onder in twee hoofdsecties, die elk bestaan uit twee delen – een originele manier om aan de traditionele vier ­symfoniedelen te komen.
Het eerste deel heeft als hoofdmelodie een vlotte variant op het bekende - uit de e dodenmis, waar het de Dag des Oordeels verklankt. Wolfgang Amadeus Mozart gebruikt het in zijn beroemde Requiem, en het komt veelvuldig voor in de werken van Franz Liszt. Na Liszts dood in 1886 draagt Saint-Saëns het werk op aan zijn oude muzikale vriend en mentor. En net als Liszt vaak doet, baseert Saint-Saëns veel van het muzikale materiaal in zijn Derde symfonie op één basismelodie.

Hij ontwikkelt het dodenthema gedurende het hele werk door, doorheen het langzame tweede deel van de eerste sectie en het snelle eerste deel van sectie twee. Saint-Saëns verbergt de soms door die om te draaien, en in een rijkgeschakeerde orkestratie. Daaraan voegt hij, heel ongebruikelijk, een piano toe, en uiteindelijk zelfs een (Liszt vond Saint-Saëns de grootste organist ter wereld). Gespeeld op het orgel transformeert het hoofdthema tijdens de finale naar zijn ultieme vorm: een concertzaalbrede prachtmelodie, die iedereen bekend zal voorkomen. Want ook deze muziek is buiten de klassieke concertgebouwen beroemd geworden: in films, natuurlijk, maar waarschijnlijk het meest door de pophit If I Had Words van Scott Fitzgerald en Yvonne Keeley uit 1977.

door Axel Meijer

Over de alumni en deelnemers van de Academie van het Concertgebouworkest & Concertgebouworkest Young

In dit unieke gelegenheidsorkest is een kwart eeuw talentontwikkeling samengebald. Naast de veertien academisten van het huidige seizoen spelen professionele musici mee die de afgelopen 25 jaar op enig moment deelnamen aan de Academie van het Concertgebouworkest. Onder hen zijn leden van het Concertgebouworkest en andere toporkesten, maar ook musici die op een andere manier carrière hebben gemaakt. Daarnaast heeft dit bijzondere jubileumorkest voormalige deelnemers in de gelederen van Concertgebouworkest Young, het tweejaarlijkse zomerproject voor musici van 14 tot en met 17 jaar dat in 2019 van start ging en sindsdien – samen met de Academie – is uitgegroeid tot een internationaal gerenommeerd instituut.

Biografie

Klaus Mäkelä, dirigent

Klaus Mäkelä is muziekdirecteur van het Orchestre de Paris sinds 2021. In september 2027 wordt hij de achtste chef- van het Concertgebouworkest; tegelijkertijd begint hij dan als music director van het ­Chicago Symphony Orchestra. Van 2020 tot juni 2026 was hij chef-dirigent van de Oslo Philharmonic, waar hij zijn laatste seizoen afsloot met Magnus Lindbergs Kraft.

Als gastdirigent stond hij onder meer voor de Berliner Philharmoniker, de Wiener Philharmoniker en The Cleveland Orchestra. Klaus Mäkelä heeft een exclusief contract met Decca Classics, waarvoor hij met de Oslo Philharmonic onder meer alle symfonieën van Sibelius opnam en met het Orchestre de Paris drie albums met daarop werken van Debussy, Stravinsky, Berlioz en Ravel.

Afgelopen seizoen bleef in Parijs de focus op Frans repertoire met muziek van Bizet, Franck en Connesson. Op het festival van Aix-en-Provence leidde hij in juli Die Frau ohne Schatten van Richard Strauss. Het Concert­gebouworkest nodigde Klaus Mäkelä na zijn debuut in september 2020 meermaals opnieuw uit en benoemde hem in 2022 tot toekomstig chef-dirigent. Na zeer succesvolle tournees in de Verenigde Staten (2024) en Oost-Azië (2025) startte in 2026 een jaarlijkse residency op de Osterfestspiele in Baden-Baden.

In seizoen 2026/2027 tourt Klaus Mäkelä uitgebreid met het Concertgebouworkest door Europa, leidt hij de Kerstmatinee en het Annual Gala en staan onder meer Beethovens Missa solemnis, Bartóks Hertog Blauwbaards burcht en Berio’s op het programma.

Als ­cellist treedt hij regelmatig op met leden van het Concertgebouw­orkest of het Orchestre de Paris en speelt hij iedere zomer op het Verbier Festival. Klaus Mäkelä studeerde orkestdirectie aan de Sibelius-Academie in Helsinki bij Jorma Panula en bij Marko Ylönen, Timo Hanhinen en Hannu Kiiski.

Aurel Dawidiuk, dirigent

Aurel Dawidiuk bekroonde in april 2026 zijn associate conductorship met twee concerten, waarin hij werken van Debussy, Poulenc en Tsjaikovksi leidde. Ondertussen was hij door de Bochumer Symphoniker benoemd tot Generalmusikdirektor met ingang van het huidige seizoen.

Aurel Dawidiuk is , pianist en organist. Op zesjarige leeftijd begon hij piano en viool te spelen. Sinds 2014 studeerde hij piano in zijn geboortestad Hannover en in Detmold. In 2020 begon hij aan de Zürcher Hochschule der Künste zijn directiestudie bij Johannes Schlaefli en Christoph-Mathias Müller en zijn pianostudie bij Till Fellner, terwijl hij aan de Musikakademie Basel zijn orgelstudie voortzette bij Martin Sander.

Directiemasterclasses kreeg hij van Paavo Järvi, Joana Mallwitz, Pierre-­André Valade en Jaap van Zweden. Behalve het Concertgebouworkest leidde Aurel Dawidiuk onder meer Die Deutsche Kammerphilharmonie Bremen, het Kammerorchester Basel, het Berner Symphonieorchester en de Nürnberger Symphoniker.

In 2021 werd Aurel Dawidiuk toegelaten tot het Dirigentenforum van de Duitse Muziekraad. In 2023 ontving hij de Neeme Järvi-prijs op het Gstaad Menuhin Festival en vier prijzen op het Hans von Bülow Meiningen Concours, waaronder de eerste prijs in de categorie ‘dirigeren vanaf de piano’ en de publieksprijs.

Carlos Ferreira, klarinet

Carlos Ferreira is sinds 1 ­augustus 2025 soloklarinettist van het Concertgebouworkest. Daarvoor vervulde hij die functie bij het Orchestre National de France, en eerder speelde hij bij het Philharmonia Orchestra in Londen, het Orchestre National de Lille en als es-klarinettist bij het ­Orchestre Philharmonique de Monte-Carlo. Als solist trad hij op met het Orchestre National de France, maar ook met bijvoorbeeld het Münchener Rundfunk­orchester, het Praags Philharmonisch Orkest, Collegium Musicum Basel en verschillende Portugese orkesten.

Carlos Ferreira werd geboren in het Portugese Paredes en studeerde met een beurs van de Calouste Gulbenkian Foundation aan de Escuela Superior de Música Reina Sofía in Madrid bij Michel Arrignon en Enrique Pérez Piquer. Hij vervolgde zijn opleiding in Amsterdam bij Arno Piters en in Lausanne bij Florent Héau. In seizoen 2016/2017 nam hij deel aan de Academie van het Concert­gebouworkest. In zijn geboorteland was hij eerder student geweest van José Ricardo Freitas en Nuno Pinto. Prijzen won hij op het ARD Concours in München, de Geneva International Competition en de Festspiele Mecklenburg-Vorpommern.

Kamer­muziek speelde de klarinettist met onder anderen Hilary Hahn, Alice Sara Ott, Emmanuel Pahud, Eric Le Sage, Paul Meyer, Lise Berthaud, Timothy Ridout, Julia Hagen en het Quatuor Hermès. In 2022 bracht hij met pianist/componist Pedro Emanuel Pereira het album XX-XXI uit. In seizoen 2024/2025 was Carlos Ferreira als Rising Star van de European Concert Hall Organisation (ECHO) op vele podia te beluisteren, waaronder in de van Het Concertgebouw.

Santa Vižine, altviool

Santa Vižine voegde zich in december 2017 bij de groep van het Concertgebouworkest, waarvan ze sinds 1 januari 2022 eerste aanvoerder is. Ze komt uit Riga en studeerde aan de Jāzeps Vītols Letse Muziekacademie bij Arigo Strals.

De altvioliste was winnares van de Letse Staatsprijs in 2005 en won de ­speciale juryprijs tijdens het Hedendaagse ­Kamermuziekfestival Krzysztof Penderecki in 2008. In het seizoen 2012/2013 nam ze deel aan de Academie van het Concertgebouworkest. Van 2009 tot 2017 was Santa Vižine aanvoerder van de altviolen bij Gidon Kremers kamerorkest Kremerata Baltica. In die functie werkte ze met solisten als Martha Argerich, Mikhail Pletnev, Daniil Trifonov, Lisa ­Batiashvili, Patricia Kopatchinskaja, Didier Lockwood, Mischa Maisky, Mate Bekavac en Sergei Nakariakov, en speelde ze in zalen als Carnegie Hall in New York, de Musikverein in Wenen, de Royal Albert Hall in Londen, Suntory Hall in Tokio, het Sydney House en de Elbphilharmonie in Hamburg.

Santa Vižine trad op tijdens onder meer het Enescu Festival in Boekarest, de Wiener Festwochen en – samen met Kim Kashkashian, Gidon Kremer, Steven Isserlis en Christian Tetzlaff – tijdens Chamber Music Connects the World in 2014. Ze soleerde met Concertante en Kremerata Baltica. Als remplaçant speelde ze met onder meer het Lets Nationaal , het Gustav Mahler Jugendorchester en het Gothenburg Symfonieorkest. Santa Vižine bespeelt een Grancino uit circa 1680, in 2011 door de Foundation Concertgebouworkest aangekocht voor toenmalig soloaltist Ken Hakii, die er tot zijn pensioen in 2020 op speelde.