Nog geen account of wachtwoord vergeten? Ga dan naar concertgebouw.nl

Concertprogramma

Concertprogramma

Concertstream Concertgebouworkest: Speel Nederlands met me

Concertstream Concertgebouworkest: Speel Nederlands met me

Concertstream
06 december 2020
20.30 uur

Print dit programma

Koninklijk Concertgebouworkest
Antony Hermus dirigent
Dominique Vleeshouwers slagwerk
Remy van Kesteren harp
Katharine Dain sopraan 

Speel Nederlands met me

i.s.m. de conservatoria van Amsterdam en Den Haag

 

Het concert is vooraf opgenomen en wordt gestreamd via concertgebouworkest.nl/nl/kijk-en-luister en Facebook.

Het programma wordt opgenomen door AVROTROS voor uitzending op zondag 13 december om 14.00 uur via NPO Radio 4.

Grafisch ontwerp t.b.v. streaming: Celia Swart

 

 

Bram Kortekaas 1989

Notenkrakers’ notulen (2020)
voor sopraan en orkest
geschreven in opdracht van het Concertgebouworkest met financiële steun van Fonds Podiumkunsten
wereldpremière
tekst: Lex Bohlmeijer

Louis Andriessen 1939

Tapdance (2013)
voor slagwerk en groot ensemble
eerste uitvoering door het Concertgebouworkest

Celia Swart 1994

Reflections (2020)
voor elektrische harp en orkest
geschreven in opdracht van het Concertgebouworkest met financiële steun van Fonds Podiumkunsten wereldpremière

Tristan Keuris 1946-1996

Symfonie in D gr.t. (1994-95)
Allegro molto
Molto tranquillo
Scherzo
Introduzione – Rondo finale

Concertstream 06 december 2020 20.30 uur

Koninklijk Concertgebouworkest
Antony Hermus dirigent
Dominique Vleeshouwers slagwerk
Remy van Kesteren harp
Katharine Dain sopraan 

Speel Nederlands met me

i.s.m. de conservatoria van Amsterdam en Den Haag

 

Het concert is vooraf opgenomen en wordt gestreamd via concertgebouworkest.nl/nl/kijk-en-luister en Facebook.

Het programma wordt opgenomen door AVROTROS voor uitzending op zondag 13 december om 14.00 uur via NPO Radio 4.

Grafisch ontwerp t.b.v. streaming: Celia Swart

 

 

Bram Kortekaas 1989

Notenkrakers’ notulen (2020)
voor sopraan en orkest
geschreven in opdracht van het Concertgebouworkest met financiële steun van Fonds Podiumkunsten
wereldpremière
tekst: Lex Bohlmeijer

Louis Andriessen 1939

Tapdance (2013)
voor slagwerk en groot ensemble
eerste uitvoering door het Concertgebouworkest

Celia Swart 1994

Reflections (2020)
voor elektrische harp en orkest
geschreven in opdracht van het Concertgebouworkest met financiële steun van Fonds Podiumkunsten wereldpremière

Tristan Keuris 1946-1996

Symfonie in D gr.t. (1994-95)
Allegro molto
Molto tranquillo
Scherzo
Introduzione – Rondo finale

Toelichting

toelichting

Speel Nederlands met me

door Jacqueline Oskamp

Nieuwe opdrachtwerken van twee jonge Nederlandse componisten klinken naast werken van hun voorgangers Louis Andriessen en Tristan Keuris. Andriessen was ooit een van de rebelse Notenkrakers, die in november 1969 een concert van het Concertgebouworkest verstoorden om meer vernieuwing en  inspraak in het artistieke beleid te eisen. Tristan Keuris behoort tot de componisten die zich vanaf de jaren zeventig afzetten tegen ‘avant-gardisten’ als Andriessen en werd daar aanvankelijk fel om bekritiseerd. Hij ontwikkelde zich – evenals Andriessen - tot een vooraanstaand componist en docent. Het werk van Celia Swart en Bram Kortekaas laat zien hoe weinig er bij de jongere generatie Nederlandse componisten over is van de vroegere tegenstelling tussen traditionalisten en modernen.

Kortekaas: Notenkrakers’ notulen

Componist/politicoloog Bram Kortekaas heeft zich laten inspireren door het meest iconische moment uit de naoorlogse muziekgeschiedenis, de Notenkrakersactie in 1969, en de openbare discussie op 22 april 1970 die daaruit voortvloeide. In het Amsterdamse hotel Krasnapolsky ging een afvaardiging van het Concertgebouworkest in debat met de Notenkrakers, wat 26 pagina’s aan notulen opleverde.

Om een goed beeld te krijgen van de problematiek dook Kortekaas eerst in de archieven. Niet alleen vond hij het originele pamflet dat de actievoerders vanaf de balkons in de Grote Zaal van Het Concertgebouw naar beneden gooiden (‘verkeerd gedateerd omdat de actie aanvankelijk voor een andere avond stond gepland’), de knijpkikker waarmee Louis Andriessen aan de geruchtmakende verstoring had bijgedragen (‘in die stille studiezaal heb ik zogenaamd per ongeluk één keer geknepen’), maar ook de notulen van de discussie in ‘Kras’, door dramaturg Lex Bohlmeijer nu bewerkt tot een libretto.

Nieuwe opdrachtwerken van twee jonge Nederlandse componisten klinken naast werken van hun voorgangers Louis Andriessen en Tristan Keuris. Andriessen was ooit een van de rebelse Notenkrakers, die in november 1969 een concert van het Concertgebouworkest verstoorden om meer vernieuwing en  inspraak in het artistieke beleid te eisen. Tristan Keuris behoort tot de componisten die zich vanaf de jaren zeventig afzetten tegen ‘avant-gardisten’ als Andriessen en werd daar aanvankelijk fel om bekritiseerd. Hij ontwikkelde zich – evenals Andriessen - tot een vooraanstaand componist en docent. Het werk van Celia Swart en Bram Kortekaas laat zien hoe weinig er bij de jongere generatie Nederlandse componisten over is van de vroegere tegenstelling tussen traditionalisten en modernen.

Kortekaas: Notenkrakers’ notulen

Componist/politicoloog Bram Kortekaas heeft zich laten inspireren door het meest iconische moment uit de naoorlogse muziekgeschiedenis, de Notenkrakersactie in 1969, en de openbare discussie op 22 april 1970 die daaruit voortvloeide. In het Amsterdamse hotel Krasnapolsky ging een afvaardiging van het Concertgebouworkest in debat met de Notenkrakers, wat 26 pagina’s aan notulen opleverde.

Om een goed beeld te krijgen van de problematiek dook Kortekaas eerst in de archieven. Niet alleen vond hij het originele pamflet dat de actievoerders vanaf de balkons in de Grote Zaal van Het Concertgebouw naar beneden gooiden (‘verkeerd gedateerd omdat de actie aanvankelijk voor een andere avond stond gepland’), de knijpkikker waarmee Louis Andriessen aan de geruchtmakende verstoring had bijgedragen (‘in die stille studiezaal heb ik zogenaamd per ongeluk één keer geknepen’), maar ook de notulen van de discussie in ‘Kras’, door dramaturg Lex Bohlmeijer nu bewerkt tot een libretto.

  • Bram Kortekaas en Celia Swart

    foto: Mladen Pikulic

    Bram Kortekaas en Celia Swart

    foto: Mladen Pikulic

  • Bram Kortekaas en Celia Swart

    foto: Mladen Pikulic

    Bram Kortekaas en Celia Swart

    foto: Mladen Pikulic

  • Bram Kortekaas en Celia Swart

    foto: Mladen Pikulic

    Bram Kortekaas en Celia Swart

    foto: Mladen Pikulic

  • Bram Kortekaas en Celia Swart

    foto: Mladen Pikulic

    Bram Kortekaas en Celia Swart

    foto: Mladen Pikulic

Kortekaas concludeert dat veel thema’s die de Notenkrakers op de agenda zetten nog altijd actueel zijn. Hij destilleert daaruit drie vragen: hoe kan democratie worden vormgegeven? Wat is de maatschappelijke rol van hedendaagse muziek? Hoe bereik je een (jong) publiek voor nieuwe muziek? Een essentieel verschil met toen is dat de inhoudelijke tegenstellingen niet meer zo groot zijn. Dat bepaalt Kortekaas’ keuze voor één sopraan (Katharine Dain) die beide kampen vertegenwoordigt.

Hoe zo’n debat tussen traditionalisten en modernisten op muziek te zetten? Even heeft Kortekaas met de gedachte gespeeld om een meer behoudend klankbeeld tegenover een avantgardistische muziek te zetten. Maar deze opzet achtte hij te karikaturaal. Zijn eigen idioom – iets theatraler aangezet dan doorgaans – vormt nu het uitgangspunt.

Notenkrakers’ notulen begint met een flashback van de Notenkrakersactie in Het Concertgebouw en schakelt dan snel over naar het debat in Krasnapolsky. Het eerste deel van het stuk kenmerkt zich door stevige stellingnamen en provocaties. In het middendeel vliegen de argumenten zo snel over en weer dat niet duidelijk is wie er aan het woord is. Het slotdeel staat in het teken van de verzoening.

Een constante in het stuk is een stem, begeleid door een de tijd wegtikkend klokje, die zegt: ‘Mag ik één kleine opmerking maken?’ Helaas is er geen spreektijd voor deze eenzaam roepende in de zaal – misschien wel het fundamentele probleem van onze democratie.

Andriessen: Tapdance

‘Hi Louis, I hope you are very well. I’m going to play you some Tap Table, I play you now figure 6.’ Met die aanhef opent de Schotse percussievirtuoos Colin Currie een audiofragment dat hij componist Louis Andriessen stuurt tijdens het instuderen van diens Tapdance (2013). Het tekent een van de vernieuwingen die de voormalige Notenkraker Louis Andriessen sinds de jaren zeventig voor ogen staat: een directe artistieke samenwerking tussen componist en musicus, waarbij de expertise en ideeën van de uitvoerder de compositie mogen beïnvloeden.

Andriessen schreef Tapdance speciaal voor Currie, maar besloot – juist vanwege de virtuositeit van deze slagwerkende alleskunner – het notenschrift beperkingen op te leggen. De niet-virtuoze maar wel degelijk dramatische schrijfwijze keek hij af van Darius Milhauds Concerto pour batterie et petit orchestre dat dateert van 1929-1930.

Kortekaas concludeert dat veel thema’s die de Notenkrakers op de agenda zetten nog altijd actueel zijn. Hij destilleert daaruit drie vragen: hoe kan democratie worden vormgegeven? Wat is de maatschappelijke rol van hedendaagse muziek? Hoe bereik je een (jong) publiek voor nieuwe muziek? Een essentieel verschil met toen is dat de inhoudelijke tegenstellingen niet meer zo groot zijn. Dat bepaalt Kortekaas’ keuze voor één sopraan (Katharine Dain) die beide kampen vertegenwoordigt.

Hoe zo’n debat tussen traditionalisten en modernisten op muziek te zetten? Even heeft Kortekaas met de gedachte gespeeld om een meer behoudend klankbeeld tegenover een avantgardistische muziek te zetten. Maar deze opzet achtte hij te karikaturaal. Zijn eigen idioom – iets theatraler aangezet dan doorgaans – vormt nu het uitgangspunt.

Notenkrakers’ notulen begint met een flashback van de Notenkrakersactie in Het Concertgebouw en schakelt dan snel over naar het debat in Krasnapolsky. Het eerste deel van het stuk kenmerkt zich door stevige stellingnamen en provocaties. In het middendeel vliegen de argumenten zo snel over en weer dat niet duidelijk is wie er aan het woord is. Het slotdeel staat in het teken van de verzoening.

Een constante in het stuk is een stem, begeleid door een de tijd wegtikkend klokje, die zegt: ‘Mag ik één kleine opmerking maken?’ Helaas is er geen spreektijd voor deze eenzaam roepende in de zaal – misschien wel het fundamentele probleem van onze democratie.

Andriessen: Tapdance

‘Hi Louis, I hope you are very well. I’m going to play you some Tap Table, I play you now figure 6.’ Met die aanhef opent de Schotse percussievirtuoos Colin Currie een audiofragment dat hij componist Louis Andriessen stuurt tijdens het instuderen van diens Tapdance (2013). Het tekent een van de vernieuwingen die de voormalige Notenkraker Louis Andriessen sinds de jaren zeventig voor ogen staat: een directe artistieke samenwerking tussen componist en musicus, waarbij de expertise en ideeën van de uitvoerder de compositie mogen beïnvloeden.

Andriessen schreef Tapdance speciaal voor Currie, maar besloot – juist vanwege de virtuositeit van deze slagwerkende alleskunner – het notenschrift beperkingen op te leggen. De niet-virtuoze maar wel degelijk dramatische schrijfwijze keek hij af van Darius Milhauds Concerto pour batterie et petit orchestre dat dateert van 1929-1930.

  • Louis Andriessen

    Foto: Francesca Patella

    Louis Andriessen

    Foto: Francesca Patella

  • Louis Andriessen

    foto: Eddy de Jongh

    Louis Andriessen

    foto: Eddy de Jongh

  • Louis Andriessen

    Foto: Francesca Patella

    Louis Andriessen

    Foto: Francesca Patella

  • Louis Andriessen

    foto: Eddy de Jongh

    Louis Andriessen

    foto: Eddy de Jongh

Zoals de titel suggereert, heeft Andriessen een zwak voor tapdance, die hij ‘de ideale combinatie van muziek en beweging’ noemt. Tevens is het stuk een liefdesverklaring aan de jazz, die hoorbaar wordt in een paar toespelingen op jazzmuziek uit de vroege jaren zestig.

De solist in Tapdance – in dit programma Dominique Vleeshouwers – heeft een drievoudige rol: hij speelt de puntige roffels van de tappende danser; hij vertolkt een grote marimbasolo en aan het slot speelt hij een melancholische melodie op pauk. De solist wordt begeleid door een groot ensemble met een eigen percussionist.

Swart: Reflections

Celia Swart studeerde compositie aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag, de afdeling waar Louis Andriessen bijna vijftig jaar lang de toon zette. Ook zij is gewend om te schrijven voor musici die ze kent, zoals voor haar eigen jazzband SWART. De opdracht van het Concertgebouworkest voor een werk voor harpist Remy van Kesteren en orkest wekte meteen haar interesse: Van Kesteren is immers een onorthodoxe instrumentalist die zijn harp heeft uitgebreid met elektronische effecten.

Swart begint haar composities vaak vanuit een eigen ervaring, dat maakt haar werk persoonlijk en authentiek. Dat geldt ook voor dit nieuwe stuk Reflections, waarin ze haar verhouding tot de wereld tot uitdrukking brengt. Het verbeeldt de zoektocht van een (jong) individu, verklankt door de harpist, naar een eigen stem. In het begin is het klankbeeld statisch en harmonieus: het wereldbeeld dat zij in haar jeugd meekreeg. Geleidelijk laten zich steeds meer invloeden van buitenaf gelden: impulsen die als concentrische cirkels door de muziek heen bewegen, zoals de kringen die ontstaan als een vinger een glad wateroppervlak aantikt. De harpist ondergaat een transformatie. Aanvankelijk rustig meespelend, scheurt hij zich tegen het eind los van het orkest, met heftige, elektronisch bewerkte klanken die een radicaal andere visie op de hem omringende wereld symboliseren.

Reflections sluit nauw aan bij de stukken die Swart eerder voor ensemble schreef: een mix van statische lijnen en dromerige akkoorden met lange vloeiende lijnen.

Keuris: Symfonie in D groot

Tristan Keuris, die in 1996 op 50-jarige leeftijd overleed, moest niets hebben van de Notenkrakers en hun muzikale vernieuwingen. ‘Je bent hier in Europa nog steeds een afvallige als je tonaal componeert. Men wantrouwt muziek die goed klinkt’, zei hij in 1995 in een interview met NRC Handelsblad naar aanleiding van de première van zijn Symfonie in D groot. Hij voelde zich te veel verbonden met de traditie om die los te laten.

Zoals de titel suggereert, heeft Andriessen een zwak voor tapdance, die hij ‘de ideale combinatie van muziek en beweging’ noemt. Tevens is het stuk een liefdesverklaring aan de jazz, die hoorbaar wordt in een paar toespelingen op jazzmuziek uit de vroege jaren zestig.

De solist in Tapdance – in dit programma Dominique Vleeshouwers – heeft een drievoudige rol: hij speelt de puntige roffels van de tappende danser; hij vertolkt een grote marimbasolo en aan het slot speelt hij een melancholische melodie op pauk. De solist wordt begeleid door een groot ensemble met een eigen percussionist.

Swart: Reflections

Celia Swart studeerde compositie aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag, de afdeling waar Louis Andriessen bijna vijftig jaar lang de toon zette. Ook zij is gewend om te schrijven voor musici die ze kent, zoals voor haar eigen jazzband SWART. De opdracht van het Concertgebouworkest voor een werk voor harpist Remy van Kesteren en orkest wekte meteen haar interesse: Van Kesteren is immers een onorthodoxe instrumentalist die zijn harp heeft uitgebreid met elektronische effecten.

Swart begint haar composities vaak vanuit een eigen ervaring, dat maakt haar werk persoonlijk en authentiek. Dat geldt ook voor dit nieuwe stuk Reflections, waarin ze haar verhouding tot de wereld tot uitdrukking brengt. Het verbeeldt de zoektocht van een (jong) individu, verklankt door de harpist, naar een eigen stem. In het begin is het klankbeeld statisch en harmonieus: het wereldbeeld dat zij in haar jeugd meekreeg. Geleidelijk laten zich steeds meer invloeden van buitenaf gelden: impulsen die als concentrische cirkels door de muziek heen bewegen, zoals de kringen die ontstaan als een vinger een glad wateroppervlak aantikt. De harpist ondergaat een transformatie. Aanvankelijk rustig meespelend, scheurt hij zich tegen het eind los van het orkest, met heftige, elektronisch bewerkte klanken die een radicaal andere visie op de hem omringende wereld symboliseren.

Reflections sluit nauw aan bij de stukken die Swart eerder voor ensemble schreef: een mix van statische lijnen en dromerige akkoorden met lange vloeiende lijnen.

Keuris: Symfonie in D groot

Tristan Keuris, die in 1996 op 50-jarige leeftijd overleed, moest niets hebben van de Notenkrakers en hun muzikale vernieuwingen. ‘Je bent hier in Europa nog steeds een afvallige als je tonaal componeert. Men wantrouwt muziek die goed klinkt’, zei hij in 1995 in een interview met NRC Handelsblad naar aanleiding van de première van zijn Symfonie in D groot. Hij voelde zich te veel verbonden met de traditie om die los te laten.

Tristan Keuris

foto: Jorgen Kriele

Tristan Keuris

foto: Jorgen Kriele

Tristan Keuris

foto: Jorgen Kriele

Tristan Keuris

foto: Jorgen Kriele

In de Symfonie in D groot – een titel die volgens Keuris níet provocatief is bedoeld – hanteert hij de klassieke sonatevorm. Hij wil onderzoeken wat je kunt doen met ‘de plattegrond van de klassieke symfonie zonder terug te grijpen op Schubert en Beethoven’. En zo introduceert hij een eerste en tweede thema, een doorwerking en een coda, waarvoor hij het materiaal ontleent aan zijn eigen strijksextet Sestetto d’archi uit 1994. Met zijn buitengewone gave voor prachtige instrumentale kleuren zoekt hij vervolgens ‘de rand van het ravijn’ op, bekent hij niet zonder ironie in 1995 aan Het Parool. ‘Want daar kun je de mooiste bloemen plukken. Je loopt natuurlijk de kans dat je erin valt, maar dat is dan niet anders.’

In de Symfonie in D groot – een titel die volgens Keuris níet provocatief is bedoeld – hanteert hij de klassieke sonatevorm. Hij wil onderzoeken wat je kunt doen met ‘de plattegrond van de klassieke symfonie zonder terug te grijpen op Schubert en Beethoven’. En zo introduceert hij een eerste en tweede thema, een doorwerking en een coda, waarvoor hij het materiaal ontleent aan zijn eigen strijksextet Sestetto d’archi uit 1994. Met zijn buitengewone gave voor prachtige instrumentale kleuren zoekt hij vervolgens ‘de rand van het ravijn’ op, bekent hij niet zonder ironie in 1995 aan Het Parool. ‘Want daar kun je de mooiste bloemen plukken. Je loopt natuurlijk de kans dat je erin valt, maar dat is dan niet anders.’

door Jacqueline Oskamp

toelichting

Speel Nederlands met me

door Jacqueline Oskamp

Nieuwe opdrachtwerken van twee jonge Nederlandse componisten klinken naast werken van hun voorgangers Louis Andriessen en Tristan Keuris. Andriessen was ooit een van de rebelse Notenkrakers, die in november 1969 een concert van het Concertgebouworkest verstoorden om meer vernieuwing en  inspraak in het artistieke beleid te eisen. Tristan Keuris behoort tot de componisten die zich vanaf de jaren zeventig afzetten tegen ‘avant-gardisten’ als Andriessen en werd daar aanvankelijk fel om bekritiseerd. Hij ontwikkelde zich – evenals Andriessen - tot een vooraanstaand componist en docent. Het werk van Celia Swart en Bram Kortekaas laat zien hoe weinig er bij de jongere generatie Nederlandse componisten over is van de vroegere tegenstelling tussen traditionalisten en modernen.

Kortekaas: Notenkrakers’ notulen

Componist/politicoloog Bram Kortekaas heeft zich laten inspireren door het meest iconische moment uit de naoorlogse muziekgeschiedenis, de Notenkrakersactie in 1969, en de openbare discussie op 22 april 1970 die daaruit voortvloeide. In het Amsterdamse hotel Krasnapolsky ging een afvaardiging van het Concertgebouworkest in debat met de Notenkrakers, wat 26 pagina’s aan notulen opleverde.

Om een goed beeld te krijgen van de problematiek dook Kortekaas eerst in de archieven. Niet alleen vond hij het originele pamflet dat de actievoerders vanaf de balkons in de Grote Zaal van Het Concertgebouw naar beneden gooiden (‘verkeerd gedateerd omdat de actie aanvankelijk voor een andere avond stond gepland’), de knijpkikker waarmee Louis Andriessen aan de geruchtmakende verstoring had bijgedragen (‘in die stille studiezaal heb ik zogenaamd per ongeluk één keer geknepen’), maar ook de notulen van de discussie in ‘Kras’, door dramaturg Lex Bohlmeijer nu bewerkt tot een libretto.

Nieuwe opdrachtwerken van twee jonge Nederlandse componisten klinken naast werken van hun voorgangers Louis Andriessen en Tristan Keuris. Andriessen was ooit een van de rebelse Notenkrakers, die in november 1969 een concert van het Concertgebouworkest verstoorden om meer vernieuwing en  inspraak in het artistieke beleid te eisen. Tristan Keuris behoort tot de componisten die zich vanaf de jaren zeventig afzetten tegen ‘avant-gardisten’ als Andriessen en werd daar aanvankelijk fel om bekritiseerd. Hij ontwikkelde zich – evenals Andriessen - tot een vooraanstaand componist en docent. Het werk van Celia Swart en Bram Kortekaas laat zien hoe weinig er bij de jongere generatie Nederlandse componisten over is van de vroegere tegenstelling tussen traditionalisten en modernen.

Kortekaas: Notenkrakers’ notulen

Componist/politicoloog Bram Kortekaas heeft zich laten inspireren door het meest iconische moment uit de naoorlogse muziekgeschiedenis, de Notenkrakersactie in 1969, en de openbare discussie op 22 april 1970 die daaruit voortvloeide. In het Amsterdamse hotel Krasnapolsky ging een afvaardiging van het Concertgebouworkest in debat met de Notenkrakers, wat 26 pagina’s aan notulen opleverde.

Om een goed beeld te krijgen van de problematiek dook Kortekaas eerst in de archieven. Niet alleen vond hij het originele pamflet dat de actievoerders vanaf de balkons in de Grote Zaal van Het Concertgebouw naar beneden gooiden (‘verkeerd gedateerd omdat de actie aanvankelijk voor een andere avond stond gepland’), de knijpkikker waarmee Louis Andriessen aan de geruchtmakende verstoring had bijgedragen (‘in die stille studiezaal heb ik zogenaamd per ongeluk één keer geknepen’), maar ook de notulen van de discussie in ‘Kras’, door dramaturg Lex Bohlmeijer nu bewerkt tot een libretto.

  • Bram Kortekaas en Celia Swart

    foto: Mladen Pikulic

    Bram Kortekaas en Celia Swart

    foto: Mladen Pikulic

  • Bram Kortekaas en Celia Swart

    foto: Mladen Pikulic

    Bram Kortekaas en Celia Swart

    foto: Mladen Pikulic

  • Bram Kortekaas en Celia Swart

    foto: Mladen Pikulic

    Bram Kortekaas en Celia Swart

    foto: Mladen Pikulic

  • Bram Kortekaas en Celia Swart

    foto: Mladen Pikulic

    Bram Kortekaas en Celia Swart

    foto: Mladen Pikulic

Kortekaas concludeert dat veel thema’s die de Notenkrakers op de agenda zetten nog altijd actueel zijn. Hij destilleert daaruit drie vragen: hoe kan democratie worden vormgegeven? Wat is de maatschappelijke rol van hedendaagse muziek? Hoe bereik je een (jong) publiek voor nieuwe muziek? Een essentieel verschil met toen is dat de inhoudelijke tegenstellingen niet meer zo groot zijn. Dat bepaalt Kortekaas’ keuze voor één sopraan (Katharine Dain) die beide kampen vertegenwoordigt.

Hoe zo’n debat tussen traditionalisten en modernisten op muziek te zetten? Even heeft Kortekaas met de gedachte gespeeld om een meer behoudend klankbeeld tegenover een avantgardistische muziek te zetten. Maar deze opzet achtte hij te karikaturaal. Zijn eigen idioom – iets theatraler aangezet dan doorgaans – vormt nu het uitgangspunt.

Notenkrakers’ notulen begint met een flashback van de Notenkrakersactie in Het Concertgebouw en schakelt dan snel over naar het debat in Krasnapolsky. Het eerste deel van het stuk kenmerkt zich door stevige stellingnamen en provocaties. In het middendeel vliegen de argumenten zo snel over en weer dat niet duidelijk is wie er aan het woord is. Het slotdeel staat in het teken van de verzoening.

Een constante in het stuk is een stem, begeleid door een de tijd wegtikkend klokje, die zegt: ‘Mag ik één kleine opmerking maken?’ Helaas is er geen spreektijd voor deze eenzaam roepende in de zaal – misschien wel het fundamentele probleem van onze democratie.

Andriessen: Tapdance

‘Hi Louis, I hope you are very well. I’m going to play you some Tap Table, I play you now figure 6.’ Met die aanhef opent de Schotse percussievirtuoos Colin Currie een audiofragment dat hij componist Louis Andriessen stuurt tijdens het instuderen van diens Tapdance (2013). Het tekent een van de vernieuwingen die de voormalige Notenkraker Louis Andriessen sinds de jaren zeventig voor ogen staat: een directe artistieke samenwerking tussen componist en musicus, waarbij de expertise en ideeën van de uitvoerder de compositie mogen beïnvloeden.

Andriessen schreef Tapdance speciaal voor Currie, maar besloot – juist vanwege de virtuositeit van deze slagwerkende alleskunner – het notenschrift beperkingen op te leggen. De niet-virtuoze maar wel degelijk dramatische schrijfwijze keek hij af van Darius Milhauds Concerto pour batterie et petit orchestre dat dateert van 1929-1930.

Kortekaas concludeert dat veel thema’s die de Notenkrakers op de agenda zetten nog altijd actueel zijn. Hij destilleert daaruit drie vragen: hoe kan democratie worden vormgegeven? Wat is de maatschappelijke rol van hedendaagse muziek? Hoe bereik je een (jong) publiek voor nieuwe muziek? Een essentieel verschil met toen is dat de inhoudelijke tegenstellingen niet meer zo groot zijn. Dat bepaalt Kortekaas’ keuze voor één sopraan (Katharine Dain) die beide kampen vertegenwoordigt.

Hoe zo’n debat tussen traditionalisten en modernisten op muziek te zetten? Even heeft Kortekaas met de gedachte gespeeld om een meer behoudend klankbeeld tegenover een avantgardistische muziek te zetten. Maar deze opzet achtte hij te karikaturaal. Zijn eigen idioom – iets theatraler aangezet dan doorgaans – vormt nu het uitgangspunt.

Notenkrakers’ notulen begint met een flashback van de Notenkrakersactie in Het Concertgebouw en schakelt dan snel over naar het debat in Krasnapolsky. Het eerste deel van het stuk kenmerkt zich door stevige stellingnamen en provocaties. In het middendeel vliegen de argumenten zo snel over en weer dat niet duidelijk is wie er aan het woord is. Het slotdeel staat in het teken van de verzoening.

Een constante in het stuk is een stem, begeleid door een de tijd wegtikkend klokje, die zegt: ‘Mag ik één kleine opmerking maken?’ Helaas is er geen spreektijd voor deze eenzaam roepende in de zaal – misschien wel het fundamentele probleem van onze democratie.

Andriessen: Tapdance

‘Hi Louis, I hope you are very well. I’m going to play you some Tap Table, I play you now figure 6.’ Met die aanhef opent de Schotse percussievirtuoos Colin Currie een audiofragment dat hij componist Louis Andriessen stuurt tijdens het instuderen van diens Tapdance (2013). Het tekent een van de vernieuwingen die de voormalige Notenkraker Louis Andriessen sinds de jaren zeventig voor ogen staat: een directe artistieke samenwerking tussen componist en musicus, waarbij de expertise en ideeën van de uitvoerder de compositie mogen beïnvloeden.

Andriessen schreef Tapdance speciaal voor Currie, maar besloot – juist vanwege de virtuositeit van deze slagwerkende alleskunner – het notenschrift beperkingen op te leggen. De niet-virtuoze maar wel degelijk dramatische schrijfwijze keek hij af van Darius Milhauds Concerto pour batterie et petit orchestre dat dateert van 1929-1930.

  • Louis Andriessen

    Foto: Francesca Patella

    Louis Andriessen

    Foto: Francesca Patella

  • Louis Andriessen

    foto: Eddy de Jongh

    Louis Andriessen

    foto: Eddy de Jongh

  • Louis Andriessen

    Foto: Francesca Patella

    Louis Andriessen

    Foto: Francesca Patella

  • Louis Andriessen

    foto: Eddy de Jongh

    Louis Andriessen

    foto: Eddy de Jongh

Zoals de titel suggereert, heeft Andriessen een zwak voor tapdance, die hij ‘de ideale combinatie van muziek en beweging’ noemt. Tevens is het stuk een liefdesverklaring aan de jazz, die hoorbaar wordt in een paar toespelingen op jazzmuziek uit de vroege jaren zestig.

De solist in Tapdance – in dit programma Dominique Vleeshouwers – heeft een drievoudige rol: hij speelt de puntige roffels van de tappende danser; hij vertolkt een grote marimbasolo en aan het slot speelt hij een melancholische melodie op pauk. De solist wordt begeleid door een groot ensemble met een eigen percussionist.

Swart: Reflections

Celia Swart studeerde compositie aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag, de afdeling waar Louis Andriessen bijna vijftig jaar lang de toon zette. Ook zij is gewend om te schrijven voor musici die ze kent, zoals voor haar eigen jazzband SWART. De opdracht van het Concertgebouworkest voor een werk voor harpist Remy van Kesteren en orkest wekte meteen haar interesse: Van Kesteren is immers een onorthodoxe instrumentalist die zijn harp heeft uitgebreid met elektronische effecten.

Swart begint haar composities vaak vanuit een eigen ervaring, dat maakt haar werk persoonlijk en authentiek. Dat geldt ook voor dit nieuwe stuk Reflections, waarin ze haar verhouding tot de wereld tot uitdrukking brengt. Het verbeeldt de zoektocht van een (jong) individu, verklankt door de harpist, naar een eigen stem. In het begin is het klankbeeld statisch en harmonieus: het wereldbeeld dat zij in haar jeugd meekreeg. Geleidelijk laten zich steeds meer invloeden van buitenaf gelden: impulsen die als concentrische cirkels door de muziek heen bewegen, zoals de kringen die ontstaan als een vinger een glad wateroppervlak aantikt. De harpist ondergaat een transformatie. Aanvankelijk rustig meespelend, scheurt hij zich tegen het eind los van het orkest, met heftige, elektronisch bewerkte klanken die een radicaal andere visie op de hem omringende wereld symboliseren.

Reflections sluit nauw aan bij de stukken die Swart eerder voor ensemble schreef: een mix van statische lijnen en dromerige akkoorden met lange vloeiende lijnen.

Keuris: Symfonie in D groot

Tristan Keuris, die in 1996 op 50-jarige leeftijd overleed, moest niets hebben van de Notenkrakers en hun muzikale vernieuwingen. ‘Je bent hier in Europa nog steeds een afvallige als je tonaal componeert. Men wantrouwt muziek die goed klinkt’, zei hij in 1995 in een interview met NRC Handelsblad naar aanleiding van de première van zijn Symfonie in D groot. Hij voelde zich te veel verbonden met de traditie om die los te laten.

Zoals de titel suggereert, heeft Andriessen een zwak voor tapdance, die hij ‘de ideale combinatie van muziek en beweging’ noemt. Tevens is het stuk een liefdesverklaring aan de jazz, die hoorbaar wordt in een paar toespelingen op jazzmuziek uit de vroege jaren zestig.

De solist in Tapdance – in dit programma Dominique Vleeshouwers – heeft een drievoudige rol: hij speelt de puntige roffels van de tappende danser; hij vertolkt een grote marimbasolo en aan het slot speelt hij een melancholische melodie op pauk. De solist wordt begeleid door een groot ensemble met een eigen percussionist.

Swart: Reflections

Celia Swart studeerde compositie aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag, de afdeling waar Louis Andriessen bijna vijftig jaar lang de toon zette. Ook zij is gewend om te schrijven voor musici die ze kent, zoals voor haar eigen jazzband SWART. De opdracht van het Concertgebouworkest voor een werk voor harpist Remy van Kesteren en orkest wekte meteen haar interesse: Van Kesteren is immers een onorthodoxe instrumentalist die zijn harp heeft uitgebreid met elektronische effecten.

Swart begint haar composities vaak vanuit een eigen ervaring, dat maakt haar werk persoonlijk en authentiek. Dat geldt ook voor dit nieuwe stuk Reflections, waarin ze haar verhouding tot de wereld tot uitdrukking brengt. Het verbeeldt de zoektocht van een (jong) individu, verklankt door de harpist, naar een eigen stem. In het begin is het klankbeeld statisch en harmonieus: het wereldbeeld dat zij in haar jeugd meekreeg. Geleidelijk laten zich steeds meer invloeden van buitenaf gelden: impulsen die als concentrische cirkels door de muziek heen bewegen, zoals de kringen die ontstaan als een vinger een glad wateroppervlak aantikt. De harpist ondergaat een transformatie. Aanvankelijk rustig meespelend, scheurt hij zich tegen het eind los van het orkest, met heftige, elektronisch bewerkte klanken die een radicaal andere visie op de hem omringende wereld symboliseren.

Reflections sluit nauw aan bij de stukken die Swart eerder voor ensemble schreef: een mix van statische lijnen en dromerige akkoorden met lange vloeiende lijnen.

Keuris: Symfonie in D groot

Tristan Keuris, die in 1996 op 50-jarige leeftijd overleed, moest niets hebben van de Notenkrakers en hun muzikale vernieuwingen. ‘Je bent hier in Europa nog steeds een afvallige als je tonaal componeert. Men wantrouwt muziek die goed klinkt’, zei hij in 1995 in een interview met NRC Handelsblad naar aanleiding van de première van zijn Symfonie in D groot. Hij voelde zich te veel verbonden met de traditie om die los te laten.

Tristan Keuris

foto: Jorgen Kriele

Tristan Keuris

foto: Jorgen Kriele

Tristan Keuris

foto: Jorgen Kriele

Tristan Keuris

foto: Jorgen Kriele

In de Symfonie in D groot – een titel die volgens Keuris níet provocatief is bedoeld – hanteert hij de klassieke sonatevorm. Hij wil onderzoeken wat je kunt doen met ‘de plattegrond van de klassieke symfonie zonder terug te grijpen op Schubert en Beethoven’. En zo introduceert hij een eerste en tweede thema, een doorwerking en een coda, waarvoor hij het materiaal ontleent aan zijn eigen strijksextet Sestetto d’archi uit 1994. Met zijn buitengewone gave voor prachtige instrumentale kleuren zoekt hij vervolgens ‘de rand van het ravijn’ op, bekent hij niet zonder ironie in 1995 aan Het Parool. ‘Want daar kun je de mooiste bloemen plukken. Je loopt natuurlijk de kans dat je erin valt, maar dat is dan niet anders.’

In de Symfonie in D groot – een titel die volgens Keuris níet provocatief is bedoeld – hanteert hij de klassieke sonatevorm. Hij wil onderzoeken wat je kunt doen met ‘de plattegrond van de klassieke symfonie zonder terug te grijpen op Schubert en Beethoven’. En zo introduceert hij een eerste en tweede thema, een doorwerking en een coda, waarvoor hij het materiaal ontleent aan zijn eigen strijksextet Sestetto d’archi uit 1994. Met zijn buitengewone gave voor prachtige instrumentale kleuren zoekt hij vervolgens ‘de rand van het ravijn’ op, bekent hij niet zonder ironie in 1995 aan Het Parool. ‘Want daar kun je de mooiste bloemen plukken. Je loopt natuurlijk de kans dat je erin valt, maar dat is dan niet anders.’

door Jacqueline Oskamp

Biografie

Antony Hermus, dirigent

Antony Hermus studeerde orkestdirectie bij Jac van Steen en Georg Fritzsch aan het Fontys Conservatorium in Tilburg. Hij is vaste gastdirigent van het Noord Nederlands Orkest en sinds kort ook van Opera North, waar hij zeer succesvol debuteerde met Puccini’s Tosca.

Antony Hermus is niet alleen een gevestigde naam in eigen land, maar staat als gastdirigent ook met regelmaat voor orkesten als het Royal Philharmonic Orchestra, het Melbourne Symphony Orchestra, het Seoul Philharmonic Orchestra en de Bamberger Symphoniker.

Hij bouwde een breed repertoire op, waaronder vele hedendaagse composities. Zo werkt hij nauw samen met de Koreaanse componiste Unsuk Chin, wier Pianoconcert hij uitvoerde met het Filharmonisch Orkest van Helsinki en het Zweeds Radio Symfonieorkest. De Nederlandse dirigent leidde vele producties in Europese operahuizen, met name in Stuttgart, Parijs, Göteborg, bij de Komische Oper Berlin en de Nederlandse Reisopera.

Vanaf 2009 was hij Generalmusikdirektor in Dessau, waar hij bij zijn afscheid in 2015 Wagners complete Ring des Nibelungen dirigeerde en werd benoemd tot eredirigent.

Antony Hermus draagt de jeugd een warm hart toe: hij is als dirigent en artistiek adviseur verbonden aan het Nationaal Jeugd Orkest. Het Concertgebouworkest leidde Antony Hermus voor het eerst in 2014 in een Familieconcert met Prokofjevs Assepoester.

Dominique Vleeshouwers, slagwerk

Dominique Vleeshouwers was winnaar van de prestigieuze Nederlandse Muziekprijs in 2020 als eerste slagwerker ooit. In 2014 won hij de eerste prijs, de persprijs en de publieksprijs op het internationale TROMP slagwerkconcours in Eindhoven.

In 2013 studeerde Dominique Vleeshouwers af aan het Conservatorium van Amsterdam met de voorstelling Kindsoldaat, waarvoor hij de AHK-eindwerkprijs ontving. Vleeshouwers staat bekend om zijn veelzijdigheid, unieke performances en het realiseren van out-of-the-box producties. Voor de serie Jonge Nederlanders van Het Concertgebouw creëerde hij in 2016 samen met Arend Bruijn een vernieuwende cross-over tussen digitale en akoestische muziek, getiteld Playground. Marching & Breakin’ was een cross-over tussen slagwerksolisten, een breakdancecrew en een blaasorkest voor het openingsconcert van TROMP in 2018.

Als solist trad Dominique Vleeshouwers bijvoorbeeld op met Asko|Schönberg, Tokyo Sinfonietta, het Nederlands Kamerorkest en het Filharmonisch Orkest van Nizjni Novgorod (Rusland). Kamermuziek speelde hij onder meer met het Moscow Contemporary Music Ensemble en het Nederlands Blazers Ensemble.

De slagwerker is een Adams Artist en kreeg voor zijn instrumentarium ondersteuning van het Prins Bernhard Cultuurfonds en Stichting Eigen Muziekinstrument.

Dominique Vleeshouwers maakt zijn debuut bij het Concertgebouworkest.

Remy van Kesteren, harp

De Nederlandse harpist Remy van Kesteren is oprichter en artistiek directeur van het Dutch Harp Festival. In 2016 won hij de Nederlandse Muziekprijs.

Van Kesteren studeerde bij Erika Waardenburg aan het Utrechts Conservatorium en bij Isabelle Moretti aan het Conservatoire national supérieur de musique de Paris. In 2012 behaalde hij ‘summa cum laude’ zijn masterdiploma aan het Conservatorium van Amsterdam.

Op zijn zestiende debuteerde Van Kesteren al in Het Concertgebouw met het Nederlands Kamerorkest. Een jaar daarvoor speelde hij ter gelegenheid van de doop van Prinses Amalia en trad hij op in Carnegie Hall, New York.

De vele prijzen die hij op binnen- en buitenlandse concoursen won, leidden tot concerten over de hele wereld, van Europa tot de Verenigde Staten, Japan en Afrika.

Vanaf 2015 ging Van Kesteren tevens op ontdekkingstocht naar andere genres, zoals pop, procesmuziek en improvisatie. Hij creëerde zijn eigen muzikale wereld met eigen composities: een mengeling van neoklassieke minimal music, elektronica en jazz. Samen met de harpbouwer Salvi ontwikkelde hij een nieuw instrument, de Réus 49; het heeft 49 in plaats van 47 snaren en kan zowel akoestisch als elektrisch versterkt worden bespeeld.

Remy van Kesteren is voor het eerst te gast bij het Concertgebouworkest.

Katharine Dain, sopraan

Katharine Dain werd opgeleid aan de Harvard Univerity, de Guildhall School of Music and Drama in Londen en het Mannes College of Music in New York. De Nederlands-Amerikaanse sopraan heeft bekendheid verworven als opera-, concert- en recitalzangeres met een onstilbare nieuwsgierigheid.

In 2017 won ze het zangconcours van Clermont-Ferrand, waarna ze in de pers een ‘openbaring’ werd genoemd. In 2018 kreeg ze veel lof voor haar roldebuut als Konstanze in Mozarts Die Entführung aus dem Serail, waarna vele operasuccessen volgden.

Haar repertoire is breed. Naast Bachs Matthäus-Passion, het Stabat Mater van Dvořák en Stravinsky’s Les noces zingt ze muziek van meer hedendaagse componisten als Stockhausen, Nono, Goebaidoelina, Reich en Tavener. Ze werkte mee aan de uitvoering van nieuwe werken van Jan van de Putte, waaronder een deel uit diens Pessoa-cyclus onder leiding van Reinbert de Leeuw. In het kader van het talentontwikkelingsprogramma van De Nationale Opera zong ze in Viviers Kopernikus.

Katharine Dain richtte onder meer het Damask Vocal Quartet op. Daarmee maakte ze in 2018 het album O schöne Nacht met werken van Brahms en tijdgenoten, dat een Choc de Classica won.

Katharine Dain maakt haar debuut bij het Concertgebouworkest.