Nog geen account of wachtwoord vergeten? Klik hier

Concertgebouworkest en cellist Sol Gabetta spelen Martinů

Concertgebouworkest en cellist Sol Gabetta spelen Martinů

Grote Zaal
15 mei 2026
20.15 uur

Print dit programma

Koninklijk Concertgebouworkest
Santtu-Matias Rouvali dirigent
Sol Gabetta cello

Dit programma maakt deel uit van de series B woensdag en E.

Het concert wordt opgenomen door AVRO­TROS voor radio-uitzending op zondag 24 mei om 14.00 uur via NPO Klassiek.

ANTONÍN DVOŘÁK (1841-1904)

In de natuur, op. 91, B 168 (1891) 

BOHUSLAV MARTINŮ (1890-1959)

Celloconcert nr. 1 in D gr.t., H 196 (1930, rev. 1939 en 1955) 
Allegro moderato 
Andante moderato 
Allegro 

pauze ± 21.00 uur

IGOR STRAVINSKY (1882-1971) 

Jeu de cartes (1936) 
ballet en trois donnes  
Première donne: Alla breve – Meno mosso – Moderato assai – 
    Stringendo – Tranquillo

Deuxième donne: Alla breve – Marcia – Var. I-V – Coda: Più mosso – 
    Marcia – Con moto 
Troisième donne: Alla breve – Valse – Presto – Tempo del principio
    

MAURICE RAVEL (1875-1937)

Suite nr. 2 uit ‘Daphnis et Chloé’ (1909-13)  
Lever du jour 
Pantomime 
Danse générale  

einde ± 22.15 uur

Grote Zaal 15 mei 2026 20.15 uur

Koninklijk Concertgebouworkest
Santtu-Matias Rouvali dirigent
Sol Gabetta cello

Dit programma maakt deel uit van de series B woensdag en E.

Het concert wordt opgenomen door AVRO­TROS voor radio-uitzending op zondag 24 mei om 14.00 uur via NPO Klassiek.

ANTONÍN DVOŘÁK (1841-1904)

In de natuur, op. 91, B 168 (1891) 

BOHUSLAV MARTINŮ (1890-1959)

Celloconcert nr. 1 in D gr.t., H 196 (1930, rev. 1939 en 1955) 
Allegro moderato 
Andante moderato 
Allegro 

pauze ± 21.00 uur

IGOR STRAVINSKY (1882-1971) 

Jeu de cartes (1936) 
ballet en trois donnes  
Première donne: Alla breve – Meno mosso – Moderato assai – 
    Stringendo – Tranquillo

Deuxième donne: Alla breve – Marcia – Var. I-V – Coda: Più mosso – 
    Marcia – Con moto 
Troisième donne: Alla breve – Valse – Presto – Tempo del principio
    

MAURICE RAVEL (1875-1937)

Suite nr. 2 uit ‘Daphnis et Chloé’ (1909-13)  
Lever du jour 
Pantomime 
Danse générale  

einde ± 22.15 uur

Toelichting

Toelichting

door Maarten Beirens

De eerste helft van de twintigste eeuw is zonder twijfel een van de meest fascinerende periodes uit de muziekgeschiedenis. In korte tijd verliezen de klassiek-romantische conventies hun vanzelfsprekendheid en beginnen componisten te experimenteren met andere muzikale invalshoeken. Die vernieuwingsdrang – of het verlangen om buiten de vertrouwde kaders te kijken – is geen exclusieve eigenschap van de muziek. Een deel van de grote muzikale vernieuwers kreeg bijvoorbeeld een stevige impuls vanuit de balletwereld. Twee werken op dit programma vonden hun oorsprong als muziek voor twee van de meest toonaangevende balletgezelschappen.

In 1906 streek Sergej Diaghilev neer in Parijs, aanvankelijk met financiële ondersteuning van de tsaar, om er de Russische cultuur te promoten. ­Diaghilev begon met jaarlijks een ‘Russisch seizoen’ te organiseren, maar handige culturele ondernemer als hij was, besefte hij al gauw dat ballet zijn beste kans was op succes. Hij richtte zijn eigen gezelschap op, Les Ballets Russes, waarvoor hij Russische choreografen zoals Michel Fokine liet overkomen en een uitmuntend corps de ballet samenstelde uit het beste wat Moskou en Sint-Petersburg te bieden hadden, met als absolute sterdanser Vaslav Nijinski. Diaghilev had een uitstekende neus voor muzikale kwaliteit en speelde handig in op de smaak van het Parijse publiek, dat niet enkel dol was op ballet maar ook graag verrast wilde worden. De mengeling van ‘exotische’ Russische stijl en muzikale vernieuwing bleek een perfecte formule. Een jonge en nog onbekende Igor Stravinsky kreeg zo bij Les Ballets Russes de kans met De vuurvogel (1908) en Petroesjka (1910) om uiteindelijk met de Le Sacre du printemps (1913) geschiedenis te schrijven. Diaghilev wist zich verder te omringen met zowat alle artistieke talenten die er in Parijs rondliepen; Erik Satie, Claude Debussy, Jean Cocteau, Pablo Picasso: allemaal werden ze ingeschakeld in Diaghilevs artistieke project.

De eerste helft van de twintigste eeuw is zonder twijfel een van de meest fascinerende periodes uit de muziekgeschiedenis. In korte tijd verliezen de klassiek-romantische conventies hun vanzelfsprekendheid en beginnen componisten te experimenteren met andere muzikale invalshoeken. Die vernieuwingsdrang – of het verlangen om buiten de vertrouwde kaders te kijken – is geen exclusieve eigenschap van de muziek. Een deel van de grote muzikale vernieuwers kreeg bijvoorbeeld een stevige impuls vanuit de balletwereld. Twee werken op dit programma vonden hun oorsprong als muziek voor twee van de meest toonaangevende balletgezelschappen.

In 1906 streek Sergej Diaghilev neer in Parijs, aanvankelijk met financiële ondersteuning van de tsaar, om er de Russische cultuur te promoten. ­Diaghilev begon met jaarlijks een ‘Russisch seizoen’ te organiseren, maar handige culturele ondernemer als hij was, besefte hij al gauw dat ballet zijn beste kans was op succes. Hij richtte zijn eigen gezelschap op, Les Ballets Russes, waarvoor hij Russische choreografen zoals Michel Fokine liet overkomen en een uitmuntend corps de ballet samenstelde uit het beste wat Moskou en Sint-Petersburg te bieden hadden, met als absolute sterdanser Vaslav Nijinski. Diaghilev had een uitstekende neus voor muzikale kwaliteit en speelde handig in op de smaak van het Parijse publiek, dat niet enkel dol was op ballet maar ook graag verrast wilde worden. De mengeling van ‘exotische’ Russische stijl en muzikale vernieuwing bleek een perfecte formule. Een jonge en nog onbekende Igor Stravinsky kreeg zo bij Les Ballets Russes de kans met De vuurvogel (1908) en Petroesjka (1910) om uiteindelijk met de Le Sacre du printemps (1913) geschiedenis te schrijven. Diaghilev wist zich verder te omringen met zowat alle artistieke talenten die er in Parijs rondliepen; Erik Satie, Claude Debussy, Jean Cocteau, Pablo Picasso: allemaal werden ze ingeschakeld in Diaghilevs artistieke project.

door Maarten Beirens

Maurice Ravel (1875-1937)

Daphnis et Chloé

Zo ook Maurice Ravel, die in 1912 het ballet Daphnis et Chloé voor Les Ballets Russes componeerde, op een Griekse mythologische verhaallijn in een pastorale setting waarvan de dansende nimfen en saters het publiek ongetwijfeld zouden begeesteren. Met decors van Léon Bakst, een choreografie van Fokine en Nijinski in de hoofdrol als Daphnis gooide Diaghilev er al zijn troeven tegenaan. Ravels extreem rijke partituur deed de rest, maar het Parijse publiek reageerde eerder koel, misschien verwend doordat de première slechts tien dagen later kwam dan een andere Ballets-­Russes-productie: Prélude à l’àprès-­midi d’un faune op muziek van Debussy en met misschien wel de meest legendarische solo van Nijinski. 

Nochtans behoort de muziek van Daphnis et Chloé tot het indrukwekkendste wat Ravel heeft gecomponeerd. Stravinsky noemde het zelfs zonder meer ‘een van de mooiste producten van alle Franse muziek’. De Tweede su­ite, die Ravel enkele jaren later als concertwerk uitgaf, bevat vooral materiaal uit het derde bedrijf van het ballet. De eerste scène – de ­dageraad – is zelfs zonder het koor uit het origineel een verbluffende werveling van kleurschakeringen in het orkest, gecombineerd met modernistische, ongewone harmonische wendingen. De kern van de su­ite – de scène waarin de personages in het ballet een pantomime opvoeren waarin het verhaal van Pan en Syrinx wordt uitgebeeld, als voorstelling-in-de-voorstelling – is opgebouwd rond een indrukwekkende fluitsolo die in lange arabesk-achtige lijnen de nimf Syrinx uitbeeldt en zo de vergelijking met Debussy’s fluitsolo aan het begin van de Prélude à l’après-midi d’un faune niet kan ontlopen. (Zou Debussy het zelf als competitie met Ravel hebben opgevat? In elk geval zou Debussy een jaar later op zijn beurt Syrinx voor fluit solo componeren.)

Orkestfeit

De eerste van vele uitvoeringen werd op 7 oktober 1917 geleid door Willem Mengelberg, de ­laatste op 8 oktober 2023 door Iván Fischer.

Zo ook Maurice Ravel, die in 1912 het ballet Daphnis et Chloé voor Les Ballets Russes componeerde, op een Griekse mythologische verhaallijn in een pastorale setting waarvan de dansende nimfen en saters het publiek ongetwijfeld zouden begeesteren. Met decors van Léon Bakst, een choreografie van Fokine en Nijinski in de hoofdrol als Daphnis gooide Diaghilev er al zijn troeven tegenaan. Ravels extreem rijke partituur deed de rest, maar het Parijse publiek reageerde eerder koel, misschien verwend doordat de première slechts tien dagen later kwam dan een andere Ballets-­Russes-productie: Prélude à l’àprès-­midi d’un faune op muziek van Debussy en met misschien wel de meest legendarische solo van Nijinski. 

Nochtans behoort de muziek van Daphnis et Chloé tot het indrukwekkendste wat Ravel heeft gecomponeerd. Stravinsky noemde het zelfs zonder meer ‘een van de mooiste producten van alle Franse muziek’. De Tweede su­ite, die Ravel enkele jaren later als concertwerk uitgaf, bevat vooral materiaal uit het derde bedrijf van het ballet. De eerste scène – de ­dageraad – is zelfs zonder het koor uit het origineel een verbluffende werveling van kleurschakeringen in het orkest, gecombineerd met modernistische, ongewone harmonische wendingen. De kern van de su­ite – de scène waarin de personages in het ballet een pantomime opvoeren waarin het verhaal van Pan en Syrinx wordt uitgebeeld, als voorstelling-in-de-voorstelling – is opgebouwd rond een indrukwekkende fluitsolo die in lange arabesk-achtige lijnen de nimf Syrinx uitbeeldt en zo de vergelijking met Debussy’s fluitsolo aan het begin van de Prélude à l’après-midi d’un faune niet kan ontlopen. (Zou Debussy het zelf als competitie met Ravel hebben opgevat? In elk geval zou Debussy een jaar later op zijn beurt Syrinx voor fluit solo componeren.)

Orkestfeit

De eerste van vele uitvoeringen werd op 7 oktober 1917 geleid door Willem Mengelberg, de ­laatste op 8 oktober 2023 door Iván Fischer.

Igor Stravinsky (1882-1971)

Jeu de cartes

In 1924 belandt (na een omzwerving via de Verenigde Staten) de jonge Georgische danser George Balanchine in Parijs. Hij wordt meteen een van de spilfiguren van Les Ballets Russes, eerst als danser, maar al gauw ook als choreograaf, onder meer voor Stravinsky’s Apollon musagète (1927-28). Wanneer na de dood van ­Diaghilev (1929) het gezelschap ermee ophoudt, trekt Balanchine naar New York, waar hij de School of American Ballet opricht die uiteindelijk zou opgaan in The New York City Ballet. Het is voor zijn nieuwe Amerikaanse gezelschap dat Balanchine aanklopt bij zijn oude bekende Igor Stravinsky. Jeu de cartes, op scenario van Stravinsky, krijgt de vorm van een kaartspel: in plaats van drie bedrijven wordt er drie keer ‘gedeeld’, telkens aangekondigd door een fanfare-achtige passage. Zoals in zoveel werken uit Stravinsky’s neoclassicistische periode zijn allerlei traditionele vormen (de mars, de wals) duidelijk herkenbaar. Typisch voor de neoklassieke compositietechniek werkt Stravinsky met vertrouwde elementen als drieklanken of netjes afgebakende melodische en ritmische motieven die vooral aansluiten bij modellen uit de Barok en de Klassieke Periode. Maar met die bouwstenen uit het verleden legt Stravinsky heel eigen patronen, inclusief allerlei subtiele wendingen die er een fascinerend vervreemdend effect aan geven. Het verleden klinkt dan wel mee, maar de verwerking ervan is duidelijk eigentijds.

Orkestfeit

Igor Stravinsky gaf zelf met het Concertgebouworkest de Nederlandse première op 28 oktober 1937. De laatste uitvoeringen waren op 14 en 15 december 2016 in Amsterdam en op 16 december in Londen onder leiding van Daniele Gatti.

In 1924 belandt (na een omzwerving via de Verenigde Staten) de jonge Georgische danser George Balanchine in Parijs. Hij wordt meteen een van de spilfiguren van Les Ballets Russes, eerst als danser, maar al gauw ook als choreograaf, onder meer voor Stravinsky’s Apollon musagète (1927-28). Wanneer na de dood van ­Diaghilev (1929) het gezelschap ermee ophoudt, trekt Balanchine naar New York, waar hij de School of American Ballet opricht die uiteindelijk zou opgaan in The New York City Ballet. Het is voor zijn nieuwe Amerikaanse gezelschap dat Balanchine aanklopt bij zijn oude bekende Igor Stravinsky. Jeu de cartes, op scenario van Stravinsky, krijgt de vorm van een kaartspel: in plaats van drie bedrijven wordt er drie keer ‘gedeeld’, telkens aangekondigd door een fanfare-achtige passage. Zoals in zoveel werken uit Stravinsky’s neoclassicistische periode zijn allerlei traditionele vormen (de mars, de wals) duidelijk herkenbaar. Typisch voor de neoklassieke compositietechniek werkt Stravinsky met vertrouwde elementen als drieklanken of netjes afgebakende melodische en ritmische motieven die vooral aansluiten bij modellen uit de Barok en de Klassieke Periode. Maar met die bouwstenen uit het verleden legt Stravinsky heel eigen patronen, inclusief allerlei subtiele wendingen die er een fascinerend vervreemdend effect aan geven. Het verleden klinkt dan wel mee, maar de verwerking ervan is duidelijk eigentijds.

Orkestfeit

Igor Stravinsky gaf zelf met het Concertgebouworkest de Nederlandse première op 28 oktober 1937. De laatste uitvoeringen waren op 14 en 15 december 2016 in Amsterdam en op 16 december in Londen onder leiding van Daniele Gatti.

Bohuslav Martinů (1890-1959) en Antonín Dvořák (1841-1904)

Martinů en Dvořák

Zulke fascinatie voor ­muzikale modellen uit de Barok (of andere pre-romantische muziek) is een kenmerk dat in veel muziek uit de eerste helft van de twintigste eeuw opduikt. Ook Bohuslav Martinů, geboren in Tsjechië maar vanaf 1923 actief in Parijs, raakte in de ban van barokmuziek, allicht aangemoedigd door het neoclassicisme dat in zijn nieuwe woonplaats zo sterk aanwezig was. Het Eerste cel­loconcert draagt daar de eerste sporen van, het duidelijkst in de toccata-achtige motorische ritmiek van het laatste deel. Tegelijk toont het werk hoe die modernistische esthetiek niet noodzakelijk tabula rasa maakt met de traditie. De thema’s van het eerste deel ademen een Tsjechische sfeer – de vergelijking met Dvořák is nooit ver weg – en de tedere uitgesponnen melodische lijnen van de solist en de houtblazers in het tweede deel stellen emotionele (romantische) expressie duidelijk nog boven neoclassicistische ironie. Het maakt van het concert een werk dat de hand reikt naar een modernistische taal, maar nog met één been in de traditie staat. En dan vooral de Boheemse traditie van Antonín Dvořák. In de natuur is het eerste van drie ­concertouvertures die de natuur, het leven en de ­liefde moesten uitbeelden, samen met ­Carnaval en Othello. De combinatie met het werk van Martinů verbindt Dvořáks oerromantische evocatie van de natuur met het twintigste-eeuwse programma.

Orkestfeiten

Dvořák: In de natuur  
Sinds de eerste uitvoering door het Concertgebouworkest op 17 juni 1894 onder leiding van Willem Kes was de ouverture een vaak ­terugkerend programmaonderdeel. Na 1913 heeft ze echter nog maar een paar keer geklonken, voor het laatst op 11 september 1941 onder Eduard van Beinum. 

Martinů: Eerste cell­oconcert 
Tot nu toe voerde het Concert­gebouworkest dit werk viermaal uit, alle keren met cellist Pierre ­Fournier: op 12 en 13 januari 1952 onder leiding van Rafael Kubelík en op 6 en 7 februari 1974 onder ­Bernard Haitink. Op 8 januari jl. was het 40 jaar geleden dat ­Fournier overleed.

Zulke fascinatie voor ­muzikale modellen uit de Barok (of andere pre-romantische muziek) is een kenmerk dat in veel muziek uit de eerste helft van de twintigste eeuw opduikt. Ook Bohuslav Martinů, geboren in Tsjechië maar vanaf 1923 actief in Parijs, raakte in de ban van barokmuziek, allicht aangemoedigd door het neoclassicisme dat in zijn nieuwe woonplaats zo sterk aanwezig was. Het Eerste cel­loconcert draagt daar de eerste sporen van, het duidelijkst in de toccata-achtige motorische ritmiek van het laatste deel. Tegelijk toont het werk hoe die modernistische esthetiek niet noodzakelijk tabula rasa maakt met de traditie. De thema’s van het eerste deel ademen een Tsjechische sfeer – de vergelijking met Dvořák is nooit ver weg – en de tedere uitgesponnen melodische lijnen van de solist en de houtblazers in het tweede deel stellen emotionele (romantische) expressie duidelijk nog boven neoclassicistische ironie. Het maakt van het concert een werk dat de hand reikt naar een modernistische taal, maar nog met één been in de traditie staat. En dan vooral de Boheemse traditie van Antonín Dvořák. In de natuur is het eerste van drie ­concertouvertures die de natuur, het leven en de ­liefde moesten uitbeelden, samen met ­Carnaval en Othello. De combinatie met het werk van Martinů verbindt Dvořáks oerromantische evocatie van de natuur met het twintigste-eeuwse programma.

Orkestfeiten

Dvořák: In de natuur  
Sinds de eerste uitvoering door het Concertgebouworkest op 17 juni 1894 onder leiding van Willem Kes was de ouverture een vaak ­terugkerend programmaonderdeel. Na 1913 heeft ze echter nog maar een paar keer geklonken, voor het laatst op 11 september 1941 onder Eduard van Beinum. 

Martinů: Eerste cell­oconcert 
Tot nu toe voerde het Concert­gebouworkest dit werk viermaal uit, alle keren met cellist Pierre ­Fournier: op 12 en 13 januari 1952 onder leiding van Rafael Kubelík en op 6 en 7 februari 1974 onder ­Bernard Haitink. Op 8 januari jl. was het 40 jaar geleden dat ­Fournier overleed.

Toelichting

door Maarten Beirens

De eerste helft van de twintigste eeuw is zonder twijfel een van de meest fascinerende periodes uit de muziekgeschiedenis. In korte tijd verliezen de klassiek-romantische conventies hun vanzelfsprekendheid en beginnen componisten te experimenteren met andere muzikale invalshoeken. Die vernieuwingsdrang – of het verlangen om buiten de vertrouwde kaders te kijken – is geen exclusieve eigenschap van de muziek. Een deel van de grote muzikale vernieuwers kreeg bijvoorbeeld een stevige impuls vanuit de balletwereld. Twee werken op dit programma vonden hun oorsprong als muziek voor twee van de meest toonaangevende balletgezelschappen.

In 1906 streek Sergej Diaghilev neer in Parijs, aanvankelijk met financiële ondersteuning van de tsaar, om er de Russische cultuur te promoten. ­Diaghilev begon met jaarlijks een ‘Russisch seizoen’ te organiseren, maar handige culturele ondernemer als hij was, besefte hij al gauw dat ballet zijn beste kans was op succes. Hij richtte zijn eigen gezelschap op, Les Ballets Russes, waarvoor hij Russische choreografen zoals Michel Fokine liet overkomen en een uitmuntend corps de ballet samenstelde uit het beste wat Moskou en Sint-Petersburg te bieden hadden, met als absolute sterdanser Vaslav Nijinski. Diaghilev had een uitstekende neus voor muzikale kwaliteit en speelde handig in op de smaak van het Parijse publiek, dat niet enkel dol was op ballet maar ook graag verrast wilde worden. De mengeling van ‘exotische’ Russische stijl en muzikale vernieuwing bleek een perfecte formule. Een jonge en nog onbekende Igor Stravinsky kreeg zo bij Les Ballets Russes de kans met De vuurvogel (1908) en Petroesjka (1910) om uiteindelijk met de Le Sacre du printemps (1913) geschiedenis te schrijven. Diaghilev wist zich verder te omringen met zowat alle artistieke talenten die er in Parijs rondliepen; Erik Satie, Claude Debussy, Jean Cocteau, Pablo Picasso: allemaal werden ze ingeschakeld in Diaghilevs artistieke project.

De eerste helft van de twintigste eeuw is zonder twijfel een van de meest fascinerende periodes uit de muziekgeschiedenis. In korte tijd verliezen de klassiek-romantische conventies hun vanzelfsprekendheid en beginnen componisten te experimenteren met andere muzikale invalshoeken. Die vernieuwingsdrang – of het verlangen om buiten de vertrouwde kaders te kijken – is geen exclusieve eigenschap van de muziek. Een deel van de grote muzikale vernieuwers kreeg bijvoorbeeld een stevige impuls vanuit de balletwereld. Twee werken op dit programma vonden hun oorsprong als muziek voor twee van de meest toonaangevende balletgezelschappen.

In 1906 streek Sergej Diaghilev neer in Parijs, aanvankelijk met financiële ondersteuning van de tsaar, om er de Russische cultuur te promoten. ­Diaghilev begon met jaarlijks een ‘Russisch seizoen’ te organiseren, maar handige culturele ondernemer als hij was, besefte hij al gauw dat ballet zijn beste kans was op succes. Hij richtte zijn eigen gezelschap op, Les Ballets Russes, waarvoor hij Russische choreografen zoals Michel Fokine liet overkomen en een uitmuntend corps de ballet samenstelde uit het beste wat Moskou en Sint-Petersburg te bieden hadden, met als absolute sterdanser Vaslav Nijinski. Diaghilev had een uitstekende neus voor muzikale kwaliteit en speelde handig in op de smaak van het Parijse publiek, dat niet enkel dol was op ballet maar ook graag verrast wilde worden. De mengeling van ‘exotische’ Russische stijl en muzikale vernieuwing bleek een perfecte formule. Een jonge en nog onbekende Igor Stravinsky kreeg zo bij Les Ballets Russes de kans met De vuurvogel (1908) en Petroesjka (1910) om uiteindelijk met de Le Sacre du printemps (1913) geschiedenis te schrijven. Diaghilev wist zich verder te omringen met zowat alle artistieke talenten die er in Parijs rondliepen; Erik Satie, Claude Debussy, Jean Cocteau, Pablo Picasso: allemaal werden ze ingeschakeld in Diaghilevs artistieke project.

door Maarten Beirens

Maurice Ravel (1875-1937)

Daphnis et Chloé

Zo ook Maurice Ravel, die in 1912 het ballet Daphnis et Chloé voor Les Ballets Russes componeerde, op een Griekse mythologische verhaallijn in een pastorale setting waarvan de dansende nimfen en saters het publiek ongetwijfeld zouden begeesteren. Met decors van Léon Bakst, een choreografie van Fokine en Nijinski in de hoofdrol als Daphnis gooide Diaghilev er al zijn troeven tegenaan. Ravels extreem rijke partituur deed de rest, maar het Parijse publiek reageerde eerder koel, misschien verwend doordat de première slechts tien dagen later kwam dan een andere Ballets-­Russes-productie: Prélude à l’àprès-­midi d’un faune op muziek van Debussy en met misschien wel de meest legendarische solo van Nijinski. 

Nochtans behoort de muziek van Daphnis et Chloé tot het indrukwekkendste wat Ravel heeft gecomponeerd. Stravinsky noemde het zelfs zonder meer ‘een van de mooiste producten van alle Franse muziek’. De Tweede su­ite, die Ravel enkele jaren later als concertwerk uitgaf, bevat vooral materiaal uit het derde bedrijf van het ballet. De eerste scène – de ­dageraad – is zelfs zonder het koor uit het origineel een verbluffende werveling van kleurschakeringen in het orkest, gecombineerd met modernistische, ongewone harmonische wendingen. De kern van de su­ite – de scène waarin de personages in het ballet een pantomime opvoeren waarin het verhaal van Pan en Syrinx wordt uitgebeeld, als voorstelling-in-de-voorstelling – is opgebouwd rond een indrukwekkende fluitsolo die in lange arabesk-achtige lijnen de nimf Syrinx uitbeeldt en zo de vergelijking met Debussy’s fluitsolo aan het begin van de Prélude à l’après-midi d’un faune niet kan ontlopen. (Zou Debussy het zelf als competitie met Ravel hebben opgevat? In elk geval zou Debussy een jaar later op zijn beurt Syrinx voor fluit solo componeren.)

Orkestfeit

De eerste van vele uitvoeringen werd op 7 oktober 1917 geleid door Willem Mengelberg, de ­laatste op 8 oktober 2023 door Iván Fischer.

Zo ook Maurice Ravel, die in 1912 het ballet Daphnis et Chloé voor Les Ballets Russes componeerde, op een Griekse mythologische verhaallijn in een pastorale setting waarvan de dansende nimfen en saters het publiek ongetwijfeld zouden begeesteren. Met decors van Léon Bakst, een choreografie van Fokine en Nijinski in de hoofdrol als Daphnis gooide Diaghilev er al zijn troeven tegenaan. Ravels extreem rijke partituur deed de rest, maar het Parijse publiek reageerde eerder koel, misschien verwend doordat de première slechts tien dagen later kwam dan een andere Ballets-­Russes-productie: Prélude à l’àprès-­midi d’un faune op muziek van Debussy en met misschien wel de meest legendarische solo van Nijinski. 

Nochtans behoort de muziek van Daphnis et Chloé tot het indrukwekkendste wat Ravel heeft gecomponeerd. Stravinsky noemde het zelfs zonder meer ‘een van de mooiste producten van alle Franse muziek’. De Tweede su­ite, die Ravel enkele jaren later als concertwerk uitgaf, bevat vooral materiaal uit het derde bedrijf van het ballet. De eerste scène – de ­dageraad – is zelfs zonder het koor uit het origineel een verbluffende werveling van kleurschakeringen in het orkest, gecombineerd met modernistische, ongewone harmonische wendingen. De kern van de su­ite – de scène waarin de personages in het ballet een pantomime opvoeren waarin het verhaal van Pan en Syrinx wordt uitgebeeld, als voorstelling-in-de-voorstelling – is opgebouwd rond een indrukwekkende fluitsolo die in lange arabesk-achtige lijnen de nimf Syrinx uitbeeldt en zo de vergelijking met Debussy’s fluitsolo aan het begin van de Prélude à l’après-midi d’un faune niet kan ontlopen. (Zou Debussy het zelf als competitie met Ravel hebben opgevat? In elk geval zou Debussy een jaar later op zijn beurt Syrinx voor fluit solo componeren.)

Orkestfeit

De eerste van vele uitvoeringen werd op 7 oktober 1917 geleid door Willem Mengelberg, de ­laatste op 8 oktober 2023 door Iván Fischer.

Igor Stravinsky (1882-1971)

Jeu de cartes

In 1924 belandt (na een omzwerving via de Verenigde Staten) de jonge Georgische danser George Balanchine in Parijs. Hij wordt meteen een van de spilfiguren van Les Ballets Russes, eerst als danser, maar al gauw ook als choreograaf, onder meer voor Stravinsky’s Apollon musagète (1927-28). Wanneer na de dood van ­Diaghilev (1929) het gezelschap ermee ophoudt, trekt Balanchine naar New York, waar hij de School of American Ballet opricht die uiteindelijk zou opgaan in The New York City Ballet. Het is voor zijn nieuwe Amerikaanse gezelschap dat Balanchine aanklopt bij zijn oude bekende Igor Stravinsky. Jeu de cartes, op scenario van Stravinsky, krijgt de vorm van een kaartspel: in plaats van drie bedrijven wordt er drie keer ‘gedeeld’, telkens aangekondigd door een fanfare-achtige passage. Zoals in zoveel werken uit Stravinsky’s neoclassicistische periode zijn allerlei traditionele vormen (de mars, de wals) duidelijk herkenbaar. Typisch voor de neoklassieke compositietechniek werkt Stravinsky met vertrouwde elementen als drieklanken of netjes afgebakende melodische en ritmische motieven die vooral aansluiten bij modellen uit de Barok en de Klassieke Periode. Maar met die bouwstenen uit het verleden legt Stravinsky heel eigen patronen, inclusief allerlei subtiele wendingen die er een fascinerend vervreemdend effect aan geven. Het verleden klinkt dan wel mee, maar de verwerking ervan is duidelijk eigentijds.

Orkestfeit

Igor Stravinsky gaf zelf met het Concertgebouworkest de Nederlandse première op 28 oktober 1937. De laatste uitvoeringen waren op 14 en 15 december 2016 in Amsterdam en op 16 december in Londen onder leiding van Daniele Gatti.

In 1924 belandt (na een omzwerving via de Verenigde Staten) de jonge Georgische danser George Balanchine in Parijs. Hij wordt meteen een van de spilfiguren van Les Ballets Russes, eerst als danser, maar al gauw ook als choreograaf, onder meer voor Stravinsky’s Apollon musagète (1927-28). Wanneer na de dood van ­Diaghilev (1929) het gezelschap ermee ophoudt, trekt Balanchine naar New York, waar hij de School of American Ballet opricht die uiteindelijk zou opgaan in The New York City Ballet. Het is voor zijn nieuwe Amerikaanse gezelschap dat Balanchine aanklopt bij zijn oude bekende Igor Stravinsky. Jeu de cartes, op scenario van Stravinsky, krijgt de vorm van een kaartspel: in plaats van drie bedrijven wordt er drie keer ‘gedeeld’, telkens aangekondigd door een fanfare-achtige passage. Zoals in zoveel werken uit Stravinsky’s neoclassicistische periode zijn allerlei traditionele vormen (de mars, de wals) duidelijk herkenbaar. Typisch voor de neoklassieke compositietechniek werkt Stravinsky met vertrouwde elementen als drieklanken of netjes afgebakende melodische en ritmische motieven die vooral aansluiten bij modellen uit de Barok en de Klassieke Periode. Maar met die bouwstenen uit het verleden legt Stravinsky heel eigen patronen, inclusief allerlei subtiele wendingen die er een fascinerend vervreemdend effect aan geven. Het verleden klinkt dan wel mee, maar de verwerking ervan is duidelijk eigentijds.

Orkestfeit

Igor Stravinsky gaf zelf met het Concertgebouworkest de Nederlandse première op 28 oktober 1937. De laatste uitvoeringen waren op 14 en 15 december 2016 in Amsterdam en op 16 december in Londen onder leiding van Daniele Gatti.

Bohuslav Martinů (1890-1959) en Antonín Dvořák (1841-1904)

Martinů en Dvořák

Zulke fascinatie voor ­muzikale modellen uit de Barok (of andere pre-romantische muziek) is een kenmerk dat in veel muziek uit de eerste helft van de twintigste eeuw opduikt. Ook Bohuslav Martinů, geboren in Tsjechië maar vanaf 1923 actief in Parijs, raakte in de ban van barokmuziek, allicht aangemoedigd door het neoclassicisme dat in zijn nieuwe woonplaats zo sterk aanwezig was. Het Eerste cel­loconcert draagt daar de eerste sporen van, het duidelijkst in de toccata-achtige motorische ritmiek van het laatste deel. Tegelijk toont het werk hoe die modernistische esthetiek niet noodzakelijk tabula rasa maakt met de traditie. De thema’s van het eerste deel ademen een Tsjechische sfeer – de vergelijking met Dvořák is nooit ver weg – en de tedere uitgesponnen melodische lijnen van de solist en de houtblazers in het tweede deel stellen emotionele (romantische) expressie duidelijk nog boven neoclassicistische ironie. Het maakt van het concert een werk dat de hand reikt naar een modernistische taal, maar nog met één been in de traditie staat. En dan vooral de Boheemse traditie van Antonín Dvořák. In de natuur is het eerste van drie ­concertouvertures die de natuur, het leven en de ­liefde moesten uitbeelden, samen met ­Carnaval en Othello. De combinatie met het werk van Martinů verbindt Dvořáks oerromantische evocatie van de natuur met het twintigste-eeuwse programma.

Orkestfeiten

Dvořák: In de natuur  
Sinds de eerste uitvoering door het Concertgebouworkest op 17 juni 1894 onder leiding van Willem Kes was de ouverture een vaak ­terugkerend programmaonderdeel. Na 1913 heeft ze echter nog maar een paar keer geklonken, voor het laatst op 11 september 1941 onder Eduard van Beinum. 

Martinů: Eerste cell­oconcert 
Tot nu toe voerde het Concert­gebouworkest dit werk viermaal uit, alle keren met cellist Pierre ­Fournier: op 12 en 13 januari 1952 onder leiding van Rafael Kubelík en op 6 en 7 februari 1974 onder ­Bernard Haitink. Op 8 januari jl. was het 40 jaar geleden dat ­Fournier overleed.

Zulke fascinatie voor ­muzikale modellen uit de Barok (of andere pre-romantische muziek) is een kenmerk dat in veel muziek uit de eerste helft van de twintigste eeuw opduikt. Ook Bohuslav Martinů, geboren in Tsjechië maar vanaf 1923 actief in Parijs, raakte in de ban van barokmuziek, allicht aangemoedigd door het neoclassicisme dat in zijn nieuwe woonplaats zo sterk aanwezig was. Het Eerste cel­loconcert draagt daar de eerste sporen van, het duidelijkst in de toccata-achtige motorische ritmiek van het laatste deel. Tegelijk toont het werk hoe die modernistische esthetiek niet noodzakelijk tabula rasa maakt met de traditie. De thema’s van het eerste deel ademen een Tsjechische sfeer – de vergelijking met Dvořák is nooit ver weg – en de tedere uitgesponnen melodische lijnen van de solist en de houtblazers in het tweede deel stellen emotionele (romantische) expressie duidelijk nog boven neoclassicistische ironie. Het maakt van het concert een werk dat de hand reikt naar een modernistische taal, maar nog met één been in de traditie staat. En dan vooral de Boheemse traditie van Antonín Dvořák. In de natuur is het eerste van drie ­concertouvertures die de natuur, het leven en de ­liefde moesten uitbeelden, samen met ­Carnaval en Othello. De combinatie met het werk van Martinů verbindt Dvořáks oerromantische evocatie van de natuur met het twintigste-eeuwse programma.

Orkestfeiten

Dvořák: In de natuur  
Sinds de eerste uitvoering door het Concertgebouworkest op 17 juni 1894 onder leiding van Willem Kes was de ouverture een vaak ­terugkerend programmaonderdeel. Na 1913 heeft ze echter nog maar een paar keer geklonken, voor het laatst op 11 september 1941 onder Eduard van Beinum. 

Martinů: Eerste cell­oconcert 
Tot nu toe voerde het Concert­gebouworkest dit werk viermaal uit, alle keren met cellist Pierre ­Fournier: op 12 en 13 januari 1952 onder leiding van Rafael Kubelík en op 6 en 7 februari 1974 onder ­Bernard Haitink. Op 8 januari jl. was het 40 jaar geleden dat ­Fournier overleed.

Biografie

Koninklijk Concertgebouworkest, orkest

Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouw­orkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande dirigenten en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.

Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concert­gebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.

Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende dirigenten zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Ha­itink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.

Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, ­fondsen en donateurs wereldwijd.

Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest

Santtu-Matias Rouvali, dirigent

Santtu-Matias Rouvali is chef­dirigent van Philharmonia (sinds 2021) en was dat ook acht seizoenen lang (van 2017 tot 2025) van het Göteborg Symfonieorkest. Van het Tampere Philharmonisch Orkest in zijn thuisland Finland is hij eredirigent. In 2022 maakte Santtu-Matias Rouvali met Philharmonia zijn BBC Proms-debuut, en jaarlijks reizen dirigent en orkest naar het Mikkeli Festival in Finland.

In september 2025 leidde Santtu-Matias Rouvali het tachtigjarige Philharmonia in een grote tournee, uitmondend in een concert in Carnegie Hall in New York; ook Het Concertgebouw werd aangedaan, met onder meer een wereldpremière van composer in residence Gabriela Ortiz.

De Finse dirigent was te gast bij gezelschappen als de Berliner en de Münchner Philharmoniker, de Wiener Symphoniker, het Orchestre Philharmonique de Radio France, het Orchestra dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia en de orkesten van New York, Cleveland, Chicago en Los Angeles. Sinds zijn overtuigende debuut bij het Concertgebouworkest in januari 2020 keerde hij er jaarlijks terug; de laatste keer, in maart 2025, dirigeerde hij werken van Clyne, Rachmaninoff en Sibelius.

Santtu-Matias Rouvali bouwt gestaag aan een uitgebreide discografie met zijn orkesten in Londen en Tampere, en met het Göteborg Symfonieorkest voltooide hij een Sibelius-cyclus die goed was voor onder meer een Gramophone Editor’s Choice, een Preis der deutschen Schallplattenkritik en een Diapason d’Or. Santtu-Matias Rouvali, van oorsprong slagwerker, studeerde directie aan de Sibelius-Academie in Helsinki bij onder anderen Jorma Panula, Leif Segerstam en Hannu Lintu.

Sol Gabetta, cello

Sol Gabetta begon haar cello­studie in Buenos Aires en Madrid en zette haar opleiding voort bij David Geringas aan de Hochschule für Musik in Berlijn. In 2004 vestigde ze haar naam definitief door het winnen van de Credit Suisse Young Artist Award en een aansluitend optreden met de Wiener Philharmoniker.

Inmiddels is de Argentijnse celliste van Frans-Russische afkomst onder meer gelauwerd met een Grammy Award, vijf keer een Echo Klassik en de Herbert von Karajan Preis.

Componisten als Peteris Vasks en Wolfgang Rihm droegen nieuw werk aan haar op. Sol Gabetta trad onder meer op met de Berliner en de Wiener Philharmoniker, het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks, het BBC Symphony ­Orchestra (Proms), het Orchestre National de France en de Los Angeles Philharmonic.

Na recente residencies bij het Wiener Konzerthaus, de Bamberger Symphoniker en het Orchestre Philharmonique de Radio France is ze in het huidige seizoen focus artist bij het Tonhalle-Orchester Zürich en artist in residence in zowel het Konzerthaus Dortmund als Bozar in Brussel. De celliste is oprichter en artistiek leider van het Solsberg Festival in Zwitserland en geeft sinds 2005 les aan de Musik-Akademie Basel.

Sol Gabetta was sinds 2011 meermaals te gast bij het Concertgebouworkest, zoals in mei 2019 met het dubbelconcert akin dat Michel van der Aa schreef voor haar en violiste Patricia Kopatchinskaja, en in januari 2023 met Blochs Schelomo onder leiding van Klaus Mäkelä. Sol Gabetta bespeelt een cello van Matteo Goffriller (Venetië, 1730).