Nog geen account of wachtwoord vergeten? Klik hier

Close-up Concertgebouworkest: Sextetten en trio's

Close-up Concertgebouworkest: Sextetten en trio's

Kleine Zaal
14 april 2026
20.15 uur

Print dit programma

musici van het Concertgebouworkest:
Christian van Eggelen viool
Hani Song viool
Jeroen Woudstra altviool
Otoha Tabata altviool
Jérôme Fruchart cello
Izak Hudnik cello

Dit concert maakt deel uit van de serie Close-up: Orkestleden op het Vriendenpodium.

Lees de biografieën van de orkest­leden op concertgebouworkest.nl of in het programmaboekje dat gratis aan de zaal wordt verstrekt.

HENRY PURCELL (1659-1695)

Fantasia in d kl.t., Z. 732
Fantasia in F gr.t., Z. 733
uit ‘Fantasias and In Nomines for Viols, Z. 732-747’ (1680)

ANTONÍN DVOŘÁK (1841-1904)

Strijksextet in A gr.t., op. 48 (1878)
Allegro moderato
Dumka. Poco allegretto
Furiant. Presto
Finale. Tema con variazioni. Allegretto grazioso, quasi andantino 

pauze ± 21.00 uur

ZOLTÁN KODÁLY (1882-1967)

Intermezzo voor strijktrio (ca. 1905)

JOHANNES BRAHMS (1830-1897)

Strijksextet nr. 2 in G gr. t., op. 36 (1865)
Allegro non troppo
Scherzo – Allegro non troppo – Presto giocoso
Adagio
Poco allegro 

einde ± 22.20 uur

Kleine Zaal 14 april 2026 20.15 uur

musici van het Concertgebouworkest:
Christian van Eggelen viool
Hani Song viool
Jeroen Woudstra altviool
Otoha Tabata altviool
Jérôme Fruchart cello
Izak Hudnik cello

Dit concert maakt deel uit van de serie Close-up: Orkestleden op het Vriendenpodium.

Lees de biografieën van de orkest­leden op concertgebouworkest.nl of in het programmaboekje dat gratis aan de zaal wordt verstrekt.

HENRY PURCELL (1659-1695)

Fantasia in d kl.t., Z. 732
Fantasia in F gr.t., Z. 733
uit ‘Fantasias and In Nomines for Viols, Z. 732-747’ (1680)

ANTONÍN DVOŘÁK (1841-1904)

Strijksextet in A gr.t., op. 48 (1878)
Allegro moderato
Dumka. Poco allegretto
Furiant. Presto
Finale. Tema con variazioni. Allegretto grazioso, quasi andantino 

pauze ± 21.00 uur

ZOLTÁN KODÁLY (1882-1967)

Intermezzo voor strijktrio (ca. 1905)

JOHANNES BRAHMS (1830-1897)

Strijksextet nr. 2 in G gr. t., op. 36 (1865)
Allegro non troppo
Scherzo – Allegro non troppo – Presto giocoso
Adagio
Poco allegro 

einde ± 22.20 uur

Toelichting

Toelichting

door Noortje Zanen

Zes strijkers uit het Concert­gebouworkest spelen in wisselende bezettingen kamermuziek van Henry Purcell, Antonín Dvořák, Zoltán Kodály en Johannes Brahms. Het is het eerste programma dat alt­violiste Yoko Kanamaru heeft samengesteld voor deze kamermuziekserie. ‘Er komt veel meer bij kijken dan je denkt!’

Al sinds de jaren 1970 spelen musici uit het Concertgebouworkest zelf ­samengestelde programma’s in de ­Kleine Zaal onder de noemer Close-up: een populaire kamermuziekserie, mogelijk gemaakt door de ­Concertvrienden. Yoko Kanamaru maakt sinds 2003 deel uit van het orkest en presenteert vandaag haar eerste Close-up-­programma. Als lid van de Kamermuziekraad (KAR) programmeert ze de serie samen met de coördinator kamermuziek Jaap Wisselink en twee collega’s uit het orkest, cellist Clément Peigné en violiste Jae-Won Lee. ‘Eigenlijk kwam het voor mij als een verrassing dat ik zelf een programma mocht samenstellen, want ik zit pas één jaar in de KAR’, vertelt Kanamaru. ‘Het proces is complexer dan ik dacht, want het gaat niet alleen om het selecteren van de muziek en de musici, maar bijvoorbeeld ook om de logistiek en de voorkeuren van het publiek.’

Zes strijkers uit het Concert­gebouworkest spelen in wisselende bezettingen kamermuziek van Henry Purcell, Antonín Dvořák, Zoltán Kodály en Johannes Brahms. Het is het eerste programma dat alt­violiste Yoko Kanamaru heeft samengesteld voor deze kamermuziekserie. ‘Er komt veel meer bij kijken dan je denkt!’

Al sinds de jaren 1970 spelen musici uit het Concertgebouworkest zelf ­samengestelde programma’s in de ­Kleine Zaal onder de noemer Close-up: een populaire kamermuziekserie, mogelijk gemaakt door de ­Concertvrienden. Yoko Kanamaru maakt sinds 2003 deel uit van het orkest en presenteert vandaag haar eerste Close-up-­programma. Als lid van de Kamermuziekraad (KAR) programmeert ze de serie samen met de coördinator kamermuziek Jaap Wisselink en twee collega’s uit het orkest, cellist Clément Peigné en violiste Jae-Won Lee. ‘Eigenlijk kwam het voor mij als een verrassing dat ik zelf een programma mocht samenstellen, want ik zit pas één jaar in de KAR’, vertelt Kanamaru. ‘Het proces is complexer dan ik dacht, want het gaat niet alleen om het selecteren van de muziek en de musici, maar bijvoorbeeld ook om de logistiek en de voorkeuren van het publiek.’

door Noortje Zanen

De keuze van Yoko Kanamaru

  • Yoko Kanamaru

    Foto: Mladen Pikulic

    Yoko Kanamaru

    Foto: Mladen Pikulic

  • Yoko Kanamaru

    Foto: Mladen Pikulic

    Yoko Kanamaru

    Foto: Mladen Pikulic

‘Ik had een duidelijke motivatie om lid te worden van de KAR: het streven naar een gelijkwaardige verdeling van de Close-up-­programma’s onder alle orkestleden. In het verleden kregen vooral de aanvoerders de kans om de hoofdrol te spelen. Ik zou heel graag willen dat álle muzikanten die kans krijgen. Ik ben heel blij dat mijn stem telt en dat ik mijn plan kan realiseren. In dit concert spelen zes strijkers van wie drie al lange tijd orkestlid zijn en drie pas kort. Ze treden in verschillende combinaties op. Mijn KAR-collega’s kiezen regelmatig voor spannende, eigentijdse composities, en daarom lijkt het mij belangrijk om daarnaast ook bekende meesterwerken uit het kamermuziekrepertoire te programmeren. Ik combineer het indrukwekkende Tweede strijksextet van Brahms met Dvořáks speelse Strijk­sextet, en voor de variatie klinken er ook minder bekende korte werken voor strijktrio van Purcell en Kodály.’

‘Ik had een duidelijke motivatie om lid te worden van de KAR: het streven naar een gelijkwaardige verdeling van de Close-up-­programma’s onder alle orkestleden. In het verleden kregen vooral de aanvoerders de kans om de hoofdrol te spelen. Ik zou heel graag willen dat álle muzikanten die kans krijgen. Ik ben heel blij dat mijn stem telt en dat ik mijn plan kan realiseren. In dit concert spelen zes strijkers van wie drie al lange tijd orkestlid zijn en drie pas kort. Ze treden in verschillende combinaties op. Mijn KAR-collega’s kiezen regelmatig voor spannende, eigentijdse composities, en daarom lijkt het mij belangrijk om daarnaast ook bekende meesterwerken uit het kamermuziekrepertoire te programmeren. Ik combineer het indrukwekkende Tweede strijksextet van Brahms met Dvořáks speelse Strijk­sextet, en voor de variatie klinken er ook minder bekende korte werken voor strijktrio van Purcell en Kodály.’

Antonín Dvořák (1841-1904)

Strijksextet

Antonín Dvořák schreef zijn Strijksextet in A groot in 1878 aan het begin van zijn carrière, net nadat hij zijn succesvolle eerste serie Slavische dansen had voltooid. De eminente componist Johannes Brahms was zó onder de indruk van Dvořák, dat hij hem introduceerde bij zijn Duitse uitgever Simrock. Dit was het begin van Dvořáks internationale doorbraak. Het Strijksextet was zijn eerste compositie die in het buitenland in première ging: de eer was aan de legendarische violist Joseph Joachim, die het werk voor het eerst uitvoerde in Berlijn in 1879 met zijn eigen strijkkwartet en twee bevriende musici. De muziek is rijk van klank dankzij de extra ­altviool en cello en zit vol met Slavische invloeden zoals markante, gepuncteerde ritmes, zigeunerachtige melodieën en onverwachte harmonieën. Het succes was groot. Nadat Joachim het strijksextet in 1880 ook in Londen had gespeeld schreef een recensent: ‘We moeten veel meer Dvořák leren kennen, en snel een beetje!’

Antonín Dvořák schreef zijn Strijksextet in A groot in 1878 aan het begin van zijn carrière, net nadat hij zijn succesvolle eerste serie Slavische dansen had voltooid. De eminente componist Johannes Brahms was zó onder de indruk van Dvořák, dat hij hem introduceerde bij zijn Duitse uitgever Simrock. Dit was het begin van Dvořáks internationale doorbraak. Het Strijksextet was zijn eerste compositie die in het buitenland in première ging: de eer was aan de legendarische violist Joseph Joachim, die het werk voor het eerst uitvoerde in Berlijn in 1879 met zijn eigen strijkkwartet en twee bevriende musici. De muziek is rijk van klank dankzij de extra ­altviool en cello en zit vol met Slavische invloeden zoals markante, gepuncteerde ritmes, zigeunerachtige melodieën en onverwachte harmonieën. Het succes was groot. Nadat Joachim het strijksextet in 1880 ook in Londen had gespeeld schreef een recensent: ‘We moeten veel meer Dvořák leren kennen, en snel een beetje!’

Henry Purcell (1659-1695) en Zoltán Kodály (1882-1967)

Purcell en Kodály

Als prelude op Dvořáks Strijk­sextet klinken twee verrassend originele Fantasias van de zeventiende-eeuwse componist Henry Purcell, oorspronkelijk bedoeld als consortmuziek [voor een ­ensemble bestaande uit instrumenten van dezelfde familie, red.] voor viola da gamba’s. Ook in de moderne bezetting van viool, altviool en cello spreekt deze fantasierijke muziek vol onverwachte dissonanten tot de verbeelding. Het uitnodigende Intermezzo voor strijktrio van Zoltán Kodály kijkt met zijn Hongaarse volksmelodieën zowel terug naar Dvořáks Slavisch getinte Strijksextet als vooruit naar het Tweede strijksextet van Brahms, die zich ook regelmatig liet inspireren door Hongaarse volksmuziek.

Als prelude op Dvořáks Strijk­sextet klinken twee verrassend originele Fantasias van de zeventiende-eeuwse componist Henry Purcell, oorspronkelijk bedoeld als consortmuziek [voor een ­ensemble bestaande uit instrumenten van dezelfde familie, red.] voor viola da gamba’s. Ook in de moderne bezetting van viool, altviool en cello spreekt deze fantasierijke muziek vol onverwachte dissonanten tot de verbeelding. Het uitnodigende Intermezzo voor strijktrio van Zoltán Kodály kijkt met zijn Hongaarse volksmelodieën zowel terug naar Dvořáks Slavisch getinte Strijksextet als vooruit naar het Tweede strijksextet van Brahms, die zich ook regelmatig liet inspireren door Hongaarse volksmuziek.

Johannes Brahms (1830-1897)

Tweede strijksextet

Johannes Brahms schreef in zijn jonge jaren twee strijksextetten, nog voordat hij zich had gewaagd aan de meer traditionele vormen van strijkkwartet en strijkkwintet. Beide sextetten klinken veel zonniger dan zijn latere, melancholische kamer­muziekwerken. Waar Brahms in zijn eerste sextet nog onbevangen verliefd is op de sopraan Agathe von ­Siebold, is hij in zijn tweede sextet juist opgelucht dat hij deze mislukte liefde eindelijk heeft verwerkt. Vlak nadat hij het Tweede strijksextet had voltooid schreef hij aan een vriend: ‘Hier heb ik mezelf eindelijk bevrijd van mijn laatste liefde.’ En daarmee verwees de componist naar het muzikale monogram in het tweede lyrische thema van het eerste deel, waarin hij de voornaam Agathe heeft verklankt: hier klinken de noten A­ G­ A­ H­ E (de letter H is de Duitse benaming voor de muzieknoot B). Het tweede deel is voor een Scherzo eigenlijk aan de treurige kant, totdat het speelse Trio begint. In het ­derde deel met variaties klinkt Brahms opvallend volwassen. De muziek is rijk aan originele ideeën en de harmonieën zijn doorwrocht. In het laatste deel tovert de componist kunstig met twee contrasterende thema’s die elkaar steeds afwisselen of juist doorkruisen.

Johannes Brahms schreef in zijn jonge jaren twee strijksextetten, nog voordat hij zich had gewaagd aan de meer traditionele vormen van strijkkwartet en strijkkwintet. Beide sextetten klinken veel zonniger dan zijn latere, melancholische kamer­muziekwerken. Waar Brahms in zijn eerste sextet nog onbevangen verliefd is op de sopraan Agathe von ­Siebold, is hij in zijn tweede sextet juist opgelucht dat hij deze mislukte liefde eindelijk heeft verwerkt. Vlak nadat hij het Tweede strijksextet had voltooid schreef hij aan een vriend: ‘Hier heb ik mezelf eindelijk bevrijd van mijn laatste liefde.’ En daarmee verwees de componist naar het muzikale monogram in het tweede lyrische thema van het eerste deel, waarin hij de voornaam Agathe heeft verklankt: hier klinken de noten A­ G­ A­ H­ E (de letter H is de Duitse benaming voor de muzieknoot B). Het tweede deel is voor een Scherzo eigenlijk aan de treurige kant, totdat het speelse Trio begint. In het ­derde deel met variaties klinkt Brahms opvallend volwassen. De muziek is rijk aan originele ideeën en de harmonieën zijn doorwrocht. In het laatste deel tovert de componist kunstig met twee contrasterende thema’s die elkaar steeds afwisselen of juist doorkruisen.

Toelichting

door Noortje Zanen

Zes strijkers uit het Concert­gebouworkest spelen in wisselende bezettingen kamermuziek van Henry Purcell, Antonín Dvořák, Zoltán Kodály en Johannes Brahms. Het is het eerste programma dat alt­violiste Yoko Kanamaru heeft samengesteld voor deze kamermuziekserie. ‘Er komt veel meer bij kijken dan je denkt!’

Al sinds de jaren 1970 spelen musici uit het Concertgebouworkest zelf ­samengestelde programma’s in de ­Kleine Zaal onder de noemer Close-up: een populaire kamermuziekserie, mogelijk gemaakt door de ­Concertvrienden. Yoko Kanamaru maakt sinds 2003 deel uit van het orkest en presenteert vandaag haar eerste Close-up-­programma. Als lid van de Kamermuziekraad (KAR) programmeert ze de serie samen met de coördinator kamermuziek Jaap Wisselink en twee collega’s uit het orkest, cellist Clément Peigné en violiste Jae-Won Lee. ‘Eigenlijk kwam het voor mij als een verrassing dat ik zelf een programma mocht samenstellen, want ik zit pas één jaar in de KAR’, vertelt Kanamaru. ‘Het proces is complexer dan ik dacht, want het gaat niet alleen om het selecteren van de muziek en de musici, maar bijvoorbeeld ook om de logistiek en de voorkeuren van het publiek.’

Zes strijkers uit het Concert­gebouworkest spelen in wisselende bezettingen kamermuziek van Henry Purcell, Antonín Dvořák, Zoltán Kodály en Johannes Brahms. Het is het eerste programma dat alt­violiste Yoko Kanamaru heeft samengesteld voor deze kamermuziekserie. ‘Er komt veel meer bij kijken dan je denkt!’

Al sinds de jaren 1970 spelen musici uit het Concertgebouworkest zelf ­samengestelde programma’s in de ­Kleine Zaal onder de noemer Close-up: een populaire kamermuziekserie, mogelijk gemaakt door de ­Concertvrienden. Yoko Kanamaru maakt sinds 2003 deel uit van het orkest en presenteert vandaag haar eerste Close-up-­programma. Als lid van de Kamermuziekraad (KAR) programmeert ze de serie samen met de coördinator kamermuziek Jaap Wisselink en twee collega’s uit het orkest, cellist Clément Peigné en violiste Jae-Won Lee. ‘Eigenlijk kwam het voor mij als een verrassing dat ik zelf een programma mocht samenstellen, want ik zit pas één jaar in de KAR’, vertelt Kanamaru. ‘Het proces is complexer dan ik dacht, want het gaat niet alleen om het selecteren van de muziek en de musici, maar bijvoorbeeld ook om de logistiek en de voorkeuren van het publiek.’

door Noortje Zanen

De keuze van Yoko Kanamaru

  • Yoko Kanamaru

    Foto: Mladen Pikulic

    Yoko Kanamaru

    Foto: Mladen Pikulic

  • Yoko Kanamaru

    Foto: Mladen Pikulic

    Yoko Kanamaru

    Foto: Mladen Pikulic

‘Ik had een duidelijke motivatie om lid te worden van de KAR: het streven naar een gelijkwaardige verdeling van de Close-up-­programma’s onder alle orkestleden. In het verleden kregen vooral de aanvoerders de kans om de hoofdrol te spelen. Ik zou heel graag willen dat álle muzikanten die kans krijgen. Ik ben heel blij dat mijn stem telt en dat ik mijn plan kan realiseren. In dit concert spelen zes strijkers van wie drie al lange tijd orkestlid zijn en drie pas kort. Ze treden in verschillende combinaties op. Mijn KAR-collega’s kiezen regelmatig voor spannende, eigentijdse composities, en daarom lijkt het mij belangrijk om daarnaast ook bekende meesterwerken uit het kamermuziekrepertoire te programmeren. Ik combineer het indrukwekkende Tweede strijksextet van Brahms met Dvořáks speelse Strijk­sextet, en voor de variatie klinken er ook minder bekende korte werken voor strijktrio van Purcell en Kodály.’

‘Ik had een duidelijke motivatie om lid te worden van de KAR: het streven naar een gelijkwaardige verdeling van de Close-up-­programma’s onder alle orkestleden. In het verleden kregen vooral de aanvoerders de kans om de hoofdrol te spelen. Ik zou heel graag willen dat álle muzikanten die kans krijgen. Ik ben heel blij dat mijn stem telt en dat ik mijn plan kan realiseren. In dit concert spelen zes strijkers van wie drie al lange tijd orkestlid zijn en drie pas kort. Ze treden in verschillende combinaties op. Mijn KAR-collega’s kiezen regelmatig voor spannende, eigentijdse composities, en daarom lijkt het mij belangrijk om daarnaast ook bekende meesterwerken uit het kamermuziekrepertoire te programmeren. Ik combineer het indrukwekkende Tweede strijksextet van Brahms met Dvořáks speelse Strijk­sextet, en voor de variatie klinken er ook minder bekende korte werken voor strijktrio van Purcell en Kodály.’

Antonín Dvořák (1841-1904)

Strijksextet

Antonín Dvořák schreef zijn Strijksextet in A groot in 1878 aan het begin van zijn carrière, net nadat hij zijn succesvolle eerste serie Slavische dansen had voltooid. De eminente componist Johannes Brahms was zó onder de indruk van Dvořák, dat hij hem introduceerde bij zijn Duitse uitgever Simrock. Dit was het begin van Dvořáks internationale doorbraak. Het Strijksextet was zijn eerste compositie die in het buitenland in première ging: de eer was aan de legendarische violist Joseph Joachim, die het werk voor het eerst uitvoerde in Berlijn in 1879 met zijn eigen strijkkwartet en twee bevriende musici. De muziek is rijk van klank dankzij de extra ­altviool en cello en zit vol met Slavische invloeden zoals markante, gepuncteerde ritmes, zigeunerachtige melodieën en onverwachte harmonieën. Het succes was groot. Nadat Joachim het strijksextet in 1880 ook in Londen had gespeeld schreef een recensent: ‘We moeten veel meer Dvořák leren kennen, en snel een beetje!’

Antonín Dvořák schreef zijn Strijksextet in A groot in 1878 aan het begin van zijn carrière, net nadat hij zijn succesvolle eerste serie Slavische dansen had voltooid. De eminente componist Johannes Brahms was zó onder de indruk van Dvořák, dat hij hem introduceerde bij zijn Duitse uitgever Simrock. Dit was het begin van Dvořáks internationale doorbraak. Het Strijksextet was zijn eerste compositie die in het buitenland in première ging: de eer was aan de legendarische violist Joseph Joachim, die het werk voor het eerst uitvoerde in Berlijn in 1879 met zijn eigen strijkkwartet en twee bevriende musici. De muziek is rijk van klank dankzij de extra ­altviool en cello en zit vol met Slavische invloeden zoals markante, gepuncteerde ritmes, zigeunerachtige melodieën en onverwachte harmonieën. Het succes was groot. Nadat Joachim het strijksextet in 1880 ook in Londen had gespeeld schreef een recensent: ‘We moeten veel meer Dvořák leren kennen, en snel een beetje!’

Henry Purcell (1659-1695) en Zoltán Kodály (1882-1967)

Purcell en Kodály

Als prelude op Dvořáks Strijk­sextet klinken twee verrassend originele Fantasias van de zeventiende-eeuwse componist Henry Purcell, oorspronkelijk bedoeld als consortmuziek [voor een ­ensemble bestaande uit instrumenten van dezelfde familie, red.] voor viola da gamba’s. Ook in de moderne bezetting van viool, altviool en cello spreekt deze fantasierijke muziek vol onverwachte dissonanten tot de verbeelding. Het uitnodigende Intermezzo voor strijktrio van Zoltán Kodály kijkt met zijn Hongaarse volksmelodieën zowel terug naar Dvořáks Slavisch getinte Strijksextet als vooruit naar het Tweede strijksextet van Brahms, die zich ook regelmatig liet inspireren door Hongaarse volksmuziek.

Als prelude op Dvořáks Strijk­sextet klinken twee verrassend originele Fantasias van de zeventiende-eeuwse componist Henry Purcell, oorspronkelijk bedoeld als consortmuziek [voor een ­ensemble bestaande uit instrumenten van dezelfde familie, red.] voor viola da gamba’s. Ook in de moderne bezetting van viool, altviool en cello spreekt deze fantasierijke muziek vol onverwachte dissonanten tot de verbeelding. Het uitnodigende Intermezzo voor strijktrio van Zoltán Kodály kijkt met zijn Hongaarse volksmelodieën zowel terug naar Dvořáks Slavisch getinte Strijksextet als vooruit naar het Tweede strijksextet van Brahms, die zich ook regelmatig liet inspireren door Hongaarse volksmuziek.

Johannes Brahms (1830-1897)

Tweede strijksextet

Johannes Brahms schreef in zijn jonge jaren twee strijksextetten, nog voordat hij zich had gewaagd aan de meer traditionele vormen van strijkkwartet en strijkkwintet. Beide sextetten klinken veel zonniger dan zijn latere, melancholische kamer­muziekwerken. Waar Brahms in zijn eerste sextet nog onbevangen verliefd is op de sopraan Agathe von ­Siebold, is hij in zijn tweede sextet juist opgelucht dat hij deze mislukte liefde eindelijk heeft verwerkt. Vlak nadat hij het Tweede strijksextet had voltooid schreef hij aan een vriend: ‘Hier heb ik mezelf eindelijk bevrijd van mijn laatste liefde.’ En daarmee verwees de componist naar het muzikale monogram in het tweede lyrische thema van het eerste deel, waarin hij de voornaam Agathe heeft verklankt: hier klinken de noten A­ G­ A­ H­ E (de letter H is de Duitse benaming voor de muzieknoot B). Het tweede deel is voor een Scherzo eigenlijk aan de treurige kant, totdat het speelse Trio begint. In het ­derde deel met variaties klinkt Brahms opvallend volwassen. De muziek is rijk aan originele ideeën en de harmonieën zijn doorwrocht. In het laatste deel tovert de componist kunstig met twee contrasterende thema’s die elkaar steeds afwisselen of juist doorkruisen.

Johannes Brahms schreef in zijn jonge jaren twee strijksextetten, nog voordat hij zich had gewaagd aan de meer traditionele vormen van strijkkwartet en strijkkwintet. Beide sextetten klinken veel zonniger dan zijn latere, melancholische kamer­muziekwerken. Waar Brahms in zijn eerste sextet nog onbevangen verliefd is op de sopraan Agathe von ­Siebold, is hij in zijn tweede sextet juist opgelucht dat hij deze mislukte liefde eindelijk heeft verwerkt. Vlak nadat hij het Tweede strijksextet had voltooid schreef hij aan een vriend: ‘Hier heb ik mezelf eindelijk bevrijd van mijn laatste liefde.’ En daarmee verwees de componist naar het muzikale monogram in het tweede lyrische thema van het eerste deel, waarin hij de voornaam Agathe heeft verklankt: hier klinken de noten A­ G­ A­ H­ E (de letter H is de Duitse benaming voor de muzieknoot B). Het tweede deel is voor een Scherzo eigenlijk aan de treurige kant, totdat het speelse Trio begint. In het ­derde deel met variaties klinkt Brahms opvallend volwassen. De muziek is rijk aan originele ideeën en de harmonieën zijn doorwrocht. In het laatste deel tovert de componist kunstig met twee contrasterende thema’s die elkaar steeds afwisselen of juist doorkruisen.