Nog geen account of wachtwoord vergeten? Ga dan naar concertgebouw.nl
verhaal

Een wonderlijke ontmoeting in Het Concertgebouw

door Bert Natter
22 apr. 2021 22 april 2021

Hoe zou het zijn om Gustav Mahler te ontmoeten? Schrijver Bert Natter laat zijn fantasie de vrije loop. In een kort verhaal doet hij verslag van een wonderlijke ontmoeting.

Ik heb Gustav Mahler slechts één keer ontmoet, denk ik. Na een uitvoering van zijn Tweede symfonie ‘Auferstehung’ in Het Concertgebouw te Amsterdam was ik na de staande ovatie blijven zitten. Zelfs toen het publiek de Grote Zaal uit schuifelde, kwam ik niet overeind.
Ik werd wakker in een storm, daar leek het althans op. Het bleek een schoonmaker te zijn die de traplopers aan het stofzuigen was. Gehaast verliet ik het balkon, bang om de laatste trein te missen. Het liep tegen middernacht.
Aan het andere eind van de gang meende ik een bekende te herkennen. Het was de componist Robin de Raaff, een vriend van me.
We begroetten elkaar met een handdruk. Robin wilde de dirigent complimenteren en deed de deur van de Antichambre open. Rook kringelde de gang in. De bedwelmende geur van sigaren en kaarsen prikkelde mijn neus.
Waar ik had verwacht de beminnelijke chef-dirigent uit Letland aan te treffen, stond er een heel andere man, een grote kerel die, gestoken in een ouderwets rokkostuum, hartelijk naar ons lachte. Misschien een suppoost.
‘Komm rein, meine Herren,’ sprak de man met een dictie alsof hij het Polygoon-­journaal presenteerde.
Robin liet mij voorgaan en ik kreeg een onaangenaam gevoel in mijn buik. Ik keek om naar mijn vriend, die net over de drempel stapte, maar Robin was Robin niet meer. Het leek of hij aan een bijzonder doeltreffend wonderdieet deed. Zijn embonpoint slonk als een ballon die leegloopt, zijn brede schouders versmalden, zijn ronde gezicht vermagerde, zijn trekken werden scherper, zijn ogen kleiner, zelfs het montuur van zijn bril kromp.
Ik wankelde even. In ongeloof staarde ik naar Gustav Mahler. Het was hem echt, zoals ik hem kende van zwart-wit foto’s, maar nu in kleur. En levend. Hij legde een hand op mijn onderarm en zei: ‘Lieber Freund, ihr Mund ist offen.’
‘Verzeihung’, stamelde ik.
De andere man sloot de deur, en ik begreep dat hij niemand anders kon zijn dan Willem Mengelberg, de beroemde dirigent en goede vriend van Mahler. Met een breed gebaar nodigde hij ons uit te gaan zitten.
De componist liep met kleine pasjes naar een van de zetels. Ik keek uit het raam. Het Museumplein was veranderd in een grote ijsbaan, honderden mensen waren daar op doorlopers aan het zwieren.
Het moest ergens voor 1911 zijn, het sterfjaar van Mahler. En ik was knettergek aan het worden.

Ik heb Gustav Mahler slechts één keer ontmoet, denk ik. Na een uitvoering van zijn Tweede symfonie ‘Auferstehung’ in Het Concertgebouw te Amsterdam was ik na de staande ovatie blijven zitten. Zelfs toen het publiek de Grote Zaal uit schuifelde, kwam ik niet overeind.
Ik werd wakker in een storm, daar leek het althans op. Het bleek een schoonmaker te zijn die de traplopers aan het stofzuigen was. Gehaast verliet ik het balkon, bang om de laatste trein te missen. Het liep tegen middernacht.
Aan het andere eind van de gang meende ik een bekende te herkennen. Het was de componist Robin de Raaff, een vriend van me.
We begroetten elkaar met een handdruk. Robin wilde de dirigent complimenteren en deed de deur van de Antichambre open. Rook kringelde de gang in. De bedwelmende geur van sigaren en kaarsen prikkelde mijn neus.
Waar ik had verwacht de beminnelijke chef-dirigent uit Letland aan te treffen, stond er een heel andere man, een grote kerel die, gestoken in een ouderwets rokkostuum, hartelijk naar ons lachte. Misschien een suppoost.
‘Komm rein, meine Herren,’ sprak de man met een dictie alsof hij het Polygoon-­journaal presenteerde.
Robin liet mij voorgaan en ik kreeg een onaangenaam gevoel in mijn buik. Ik keek om naar mijn vriend, die net over de drempel stapte, maar Robin was Robin niet meer. Het leek of hij aan een bijzonder doeltreffend wonderdieet deed. Zijn embonpoint slonk als een ballon die leegloopt, zijn brede schouders versmalden, zijn ronde gezicht vermagerde, zijn trekken werden scherper, zijn ogen kleiner, zelfs het montuur van zijn bril kromp.
Ik wankelde even. In ongeloof staarde ik naar Gustav Mahler. Het was hem echt, zoals ik hem kende van zwart-wit foto’s, maar nu in kleur. En levend. Hij legde een hand op mijn onderarm en zei: ‘Lieber Freund, ihr Mund ist offen.’
‘Verzeihung’, stamelde ik.
De andere man sloot de deur, en ik begreep dat hij niemand anders kon zijn dan Willem Mengelberg, de beroemde dirigent en goede vriend van Mahler. Met een breed gebaar nodigde hij ons uit te gaan zitten.
De componist liep met kleine pasjes naar een van de zetels. Ik keek uit het raam. Het Museumplein was veranderd in een grote ijsbaan, honderden mensen waren daar op doorlopers aan het zwieren.
Het moest ergens voor 1911 zijn, het sterfjaar van Mahler. En ik was knettergek aan het worden.

Champagne

Champagne

Champagne

Champagne

‘Champagne?’ vroeg Mengelberg.
Ik bedankte.
‘Ik heb u nog nooit ‘nee’ horen zeggen tegen een glas. Ik schenk gewoon in, u bekijkt het maar’, zei de dirigent.
Mahler grinnikte.
‘Gaarne, amice’, bracht ik met geknepen stem uit. Ik nam het glas aan en zakte in een stoel.
Drie kristallen coupes gingen de lucht in, naar de kroonluchter vol brandende kaarsen.
‘Auf der Auf... Auf...’, hakkelde ik.
Mengelberg redde me met de woorden: ‘Zum wohl.’
Nadat hij een slokje had genomen wilde Mahler weten wat ik van zijn symfonie vond. Hij boog zich naar me toe en staarde me doordringend aan door de ronde glazen van zijn brilletje.
Ik verslikte me. Wat moest ik zeggen? Apart?
Mengelberg stak een ivoren pijpje met een smeulende sigaarstomp tussen zijn lippen en keek geamuseerd in mijn richting.
Ik werd verondersteld deze muziek niet te kennen en ik probeerde me te herinneren wat ik dacht toen ik de Tweede symfonie voor het eerst hoorde. Concertgebouworkest onder leiding van Haitink, uit de stereotoren, circa 1980. Omstandig legde ik uit dat ik überwältigt was door het stuk en in een poging mijn loftuiting kort te houden besloot ik met: ‘De beste uitvoering van het Scherzo die ik ooit heb gehoord.’
‘Nogal wiedes’, merkte Mengelberg op.
‘Ziemlich klar’, zei Mahler. Hij zakte handenwringend onderuit in zijn stoel. ‘Ist das ein merkwürdiges, ein schauerlich großes Stück! Ich hatte es während des Komponierens nicht dafür gehalten!’
‘Wirklich nicht?’ vroeg ik. Ik kon me moeilijk voorstellen dat hij niet had begrepen dat hij iets enorms aan het maken was. Bekend is de anekdote waarin Mahler met dirigent Bruno Walter in de buurt van Steinbach wandelt en zegt dat zijn vriend geen acht hoeft te slaan op de indrukwekkende bergen: ‘Sie brauchen gar nicht mehr hinzusehen, das habe ich alles schon weg komponiert.’
De man die nu weer op de rand van zijn stoel was gaan zitten had die avond de wereld weg gecomponeerd. De zaal vergat volgens mij dat het buiten koud was, dat trams rinkelden en rolkoffers ratelden, dat pizza’s werden bezorgd, patatjes oorlog besteld en wafels met Nutella gegeten.
Na een stilte begon ik over iets wat me van jongs af aan had verwonderd: het Fern­orchester dat in veel van de symfonieën van Mahler opduikt, ook in zijn Tweede. Zo’n orkestje in de verte, dat buiten de zaal staat te spelen, als een verdwaalde fanfare die in een wandelgang gestrand is en een concert komt versjteren, klonk ‘wie in einem Märchen’, zei ik.
Mahler zette zijn bril af. Het Fernorchester was niet slechts een sprookjesachtig effect. Het werkelijke drama in de toneelstukken waar wij van houden, zei hij terwijl hij langs mijn hoofd in de verte tuurde, vindt meestal niet plaats op het toneel maar ‘hinter der Bühne’.
Mengelberg keek boos naar zijn blijkbaar uitgedoofde sigaar alsof hij hem eens flink de waarheid wilde vertellen. Hij legde het pijpje op de rand van een grote asbak en zei: ‘Ja, en in deze asbak. Daar speelt zich momenteel ook een drama af, heren. Het vuur is gedoofd en zal niet weer opgloeien.’
Mahler zette neuriënd zijn bril weer op. Ik herkende opeens de melodie. Het koor uit het vierde deel van zijn symfonie: ‘Aufersteh’n, ja aufersteh’n, wirst du...’
Glimlachend zei Mengelberg dat het inderdaad tijd was om te vertrekken.
Naar huis, dacht ik, naar huis. Natuurlijk wilde ik Mahler nog van alles vragen, maar ik bedacht dat dit het moment was waarop ik kon ontkomen. Ik had een vrouw en kinderen, vrienden en familie, die wilde ik graag terugzien. Ik hoorde niet thuis in deze tijd.
Ik stond op en dronk snel mijn glas leeg. Willem Mengelberg deed hetzelfde.
Daar waren Hollanders goed aan te herkennen, vond Mahler: ‘Terwijl men zijn jas aantrekt nog het glas ledigen.’
‘Ja, ja,’ zei Mengelberg en hij zong ‘Ja aufersteh’n, wirst du...’
Lachend herrees Gustav Mahler uit zijn stoel. Zijn glas bleef op tafel staan, met een restje champagne.
De vrienden hadden geen oog voor mij, want ze deden een wedstrijdje wie zo snel mogelijk de meeste kaarsen uit kon blazen.
Ik sloop weg, opende de deur en stapte de gang op. In de verte sleepte godzijdank de schoonmaker zijn stofzuiger achter zich aan en toen ik me omdraaide, stond mijn vriend Robin weer naast me, in zijn oorspronkelijke omvang.
De deur stond op een kier, ik snoof de geur op van gedoofde kaarsen en sigaren en ik kreeg tranen in mijn ogen.
‘Vreemd,’ zei Robin naar binnen kijkend. ‘Ze zijn verdwenen.’
Hij legde een hand op mijn schouder en we liepen naar het trappenhuis.
Beneden vroeg hij: ‘Moet jij de trein halen, Bert?’
Ik keek op mijn horloge, middernacht.
Robin wachtte mijn antwoord niet af. ‘Of heb je nog tijd voor een drankje?’
‘Champagne?’ vroeg ik.


Bert Natter (1968) debuteerde in 2008 met Begeerte heeft ons aangeraakt, dat werd bekroond met de Selexyz Debuutprijs en de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs. Zijn roman Goldberg (2015) belandde op de shortlist van de ECI Literatuurprijs. Als verteller deelde hij het podium met Camerata RCO, Menno van Delft, Hannes Minnaar en Willem Brons. Voor Preludium schreef hij eerder een verhaal over Beethoven, en maakte hij de podcastserie Bach tot op het bot.

‘Champagne?’ vroeg Mengelberg.
Ik bedankte.
‘Ik heb u nog nooit ‘nee’ horen zeggen tegen een glas. Ik schenk gewoon in, u bekijkt het maar’, zei de dirigent.
Mahler grinnikte.
‘Gaarne, amice’, bracht ik met geknepen stem uit. Ik nam het glas aan en zakte in een stoel.
Drie kristallen coupes gingen de lucht in, naar de kroonluchter vol brandende kaarsen.
‘Auf der Auf... Auf...’, hakkelde ik.
Mengelberg redde me met de woorden: ‘Zum wohl.’
Nadat hij een slokje had genomen wilde Mahler weten wat ik van zijn symfonie vond. Hij boog zich naar me toe en staarde me doordringend aan door de ronde glazen van zijn brilletje.
Ik verslikte me. Wat moest ik zeggen? Apart?
Mengelberg stak een ivoren pijpje met een smeulende sigaarstomp tussen zijn lippen en keek geamuseerd in mijn richting.
Ik werd verondersteld deze muziek niet te kennen en ik probeerde me te herinneren wat ik dacht toen ik de Tweede symfonie voor het eerst hoorde. Concertgebouworkest onder leiding van Haitink, uit de stereotoren, circa 1980. Omstandig legde ik uit dat ik überwältigt was door het stuk en in een poging mijn loftuiting kort te houden besloot ik met: ‘De beste uitvoering van het Scherzo die ik ooit heb gehoord.’
‘Nogal wiedes’, merkte Mengelberg op.
‘Ziemlich klar’, zei Mahler. Hij zakte handenwringend onderuit in zijn stoel. ‘Ist das ein merkwürdiges, ein schauerlich großes Stück! Ich hatte es während des Komponierens nicht dafür gehalten!’
‘Wirklich nicht?’ vroeg ik. Ik kon me moeilijk voorstellen dat hij niet had begrepen dat hij iets enorms aan het maken was. Bekend is de anekdote waarin Mahler met dirigent Bruno Walter in de buurt van Steinbach wandelt en zegt dat zijn vriend geen acht hoeft te slaan op de indrukwekkende bergen: ‘Sie brauchen gar nicht mehr hinzusehen, das habe ich alles schon weg komponiert.’
De man die nu weer op de rand van zijn stoel was gaan zitten had die avond de wereld weg gecomponeerd. De zaal vergat volgens mij dat het buiten koud was, dat trams rinkelden en rolkoffers ratelden, dat pizza’s werden bezorgd, patatjes oorlog besteld en wafels met Nutella gegeten.
Na een stilte begon ik over iets wat me van jongs af aan had verwonderd: het Fern­orchester dat in veel van de symfonieën van Mahler opduikt, ook in zijn Tweede. Zo’n orkestje in de verte, dat buiten de zaal staat te spelen, als een verdwaalde fanfare die in een wandelgang gestrand is en een concert komt versjteren, klonk ‘wie in einem Märchen’, zei ik.
Mahler zette zijn bril af. Het Fernorchester was niet slechts een sprookjesachtig effect. Het werkelijke drama in de toneelstukken waar wij van houden, zei hij terwijl hij langs mijn hoofd in de verte tuurde, vindt meestal niet plaats op het toneel maar ‘hinter der Bühne’.
Mengelberg keek boos naar zijn blijkbaar uitgedoofde sigaar alsof hij hem eens flink de waarheid wilde vertellen. Hij legde het pijpje op de rand van een grote asbak en zei: ‘Ja, en in deze asbak. Daar speelt zich momenteel ook een drama af, heren. Het vuur is gedoofd en zal niet weer opgloeien.’
Mahler zette neuriënd zijn bril weer op. Ik herkende opeens de melodie. Het koor uit het vierde deel van zijn symfonie: ‘Aufersteh’n, ja aufersteh’n, wirst du...’
Glimlachend zei Mengelberg dat het inderdaad tijd was om te vertrekken.
Naar huis, dacht ik, naar huis. Natuurlijk wilde ik Mahler nog van alles vragen, maar ik bedacht dat dit het moment was waarop ik kon ontkomen. Ik had een vrouw en kinderen, vrienden en familie, die wilde ik graag terugzien. Ik hoorde niet thuis in deze tijd.
Ik stond op en dronk snel mijn glas leeg. Willem Mengelberg deed hetzelfde.
Daar waren Hollanders goed aan te herkennen, vond Mahler: ‘Terwijl men zijn jas aantrekt nog het glas ledigen.’
‘Ja, ja,’ zei Mengelberg en hij zong ‘Ja aufersteh’n, wirst du...’
Lachend herrees Gustav Mahler uit zijn stoel. Zijn glas bleef op tafel staan, met een restje champagne.
De vrienden hadden geen oog voor mij, want ze deden een wedstrijdje wie zo snel mogelijk de meeste kaarsen uit kon blazen.
Ik sloop weg, opende de deur en stapte de gang op. In de verte sleepte godzijdank de schoonmaker zijn stofzuiger achter zich aan en toen ik me omdraaide, stond mijn vriend Robin weer naast me, in zijn oorspronkelijke omvang.
De deur stond op een kier, ik snoof de geur op van gedoofde kaarsen en sigaren en ik kreeg tranen in mijn ogen.
‘Vreemd,’ zei Robin naar binnen kijkend. ‘Ze zijn verdwenen.’
Hij legde een hand op mijn schouder en we liepen naar het trappenhuis.
Beneden vroeg hij: ‘Moet jij de trein halen, Bert?’
Ik keek op mijn horloge, middernacht.
Robin wachtte mijn antwoord niet af. ‘Of heb je nog tijd voor een drankje?’
‘Champagne?’ vroeg ik.


Bert Natter (1968) debuteerde in 2008 met Begeerte heeft ons aangeraakt, dat werd bekroond met de Selexyz Debuutprijs en de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs. Zijn roman Goldberg (2015) belandde op de shortlist van de ECI Literatuurprijs. Als verteller deelde hij het podium met Camerata RCO, Menno van Delft, Hannes Minnaar en Willem Brons. Voor Preludium schreef hij eerder een verhaal over Beethoven, en maakte hij de podcastserie Bach tot op het bot.

Dit artikel wordt u gratis aangeboden door Preludium. Meer lezen? Abonneer dan nu.