De Grosse Fuge van Ludwig van Beethoven. Volgens Glenn Gould ‘Beethovens grootste werk’, volgens Igor Stravinsky het ‘meest volmaakte wonder van de muziek’ en ‘de meest contemporaine muziek voor altijd’. Louis Spohr vond het ‘onverklaarbare horror’, Anton Schindler omschreef het als ‘het grootste monster van alle strijkkwartetmuziek’. ‘Het lijkt wel Chinees’ meende een recensent van de Allgemeine musikalische Zeitung, er inconsequent aan toevoegend ‘en alleen begrijpelijk voor Marokkanen.’
Vragen
Iedereen heeft een mening over de Grote , en iedereen heeft gelijk (behalve wellicht die recensent). Het is een monster én een meesterwerk, zo mogelijk Beethovens meest controversiële werk op alle fronten, van vormanalyse tot kwaliteitsstempel. Zelfs de plek in zijn oeuvre is betwist. Want is deze ruim een kwartier durende, voortdurend uit zijn voegen barstende fuga het ware afsluitende deel van het strijkkwartet 130? Of doet de muziek door z’n exorbitante karakter alle voorgaande delen van dat strijkkwartet verbleken, en is het ding beter op z’n plaats als zelfstandig opus 133, zoals Beethovens uitgever succesvol wist door te drukken? En dan confronteert de Grosse Fuge de vier uitvoerenden ook nog eens met formidabele keuzes: spelen we de muziek zo beheerst en transparant mogelijk om de luisteraar nog iets van de complexe structuur te kunnen overbrengen? Of geven we ons maar beter over aan de vele fortes, fortissimo’s, en en tempowisselingen, met een emotionele rollercoaster tot gevolg?
Vragen, vragen en zo weinig antwoorden. Talloze analyses zijn op de Grote Fuga losgelaten, heel vaak leidend tot de conclusie dat een bevredigende analyse eigenlijk niet mogelijk is. Want of deze muziek nu wordt uitgelegd langs de formele structuur van de of juist als met diverse onderdelen, een mooi afgerond verhaal wordt het nooit. Deze analyse volgt de lijn ‘Grote Fuga als suite’.
Fugathema’s
En dat terwijl Beethoven het de luisteraar aanvankelijk vrij eenvoudig lijkt te maken. Onder de noemer ‘Overtura’ wordt, na een brutaal openingsgebaar in twee octaven van de noot b, door alle vier instrumenten het acht maten tellende hoofdthema luid en duidelijk uitgesproken.
Fig. 1: Het acht maten tellende hoofdthema wordt gespeeld door alle vier de instrumenten
Fig. 3: De derde cruciale bouwsteen is een heftig gesyncopeerd, springend
Zo zijn de drie belangrijkste motieven geïntroduceerd en lijkt alles duidelijk. Al bevinden we ons wel al middenin een dubbelfuga met twee ’s die wild tegen elkaar worden uitgespeeld. Meteen laat Beethoven zijn spelers genadeloos zwoegen op deze dubbelfuga, en hij verhoogt halverwege deze passage de druk door ook nog een ritmische variant met len toe te voegen, geïntroduceerd door de eerste viool. Als een dolle zwerm wespen vliegen de noten je om de oren, waarbij Beethovens vernuftige gebruik van bijvoorbeeld de omkering van het thema (oftewel de originele noten achterstevoren gespeeld) voor de nietsvermoedende luisteraar verloren gaat in het tumult.
Pas op de plaats
Beethoven had zelf wellicht ook door wat hij van zijn luisteraars én van zijn uitvoerenden vroeg. Vrij abrupt trapt hij op de rem, om ruimte te maken voor het meno mosso in Ges groot. Wie de Grosse Fuge als met verschillende delen opvat, noemt deze passage ‘het langzame deel’. Hier geen dolle maar een kalmer fugato: nog wel uit de losse pols maar geen streng spel van stem en tegenstem. Het motief van zestienden uit de Overtura speelt de hoofdrol, al sluipt het hoofdmotief wel degelijk rond. Lange tijd is de pianissimo. Na een bijna unisono uitgevoerd statement van het zestiendenmotief in forte volgt een mysterieuze overgangspassage die uitmondt in het molto con brio. Het ! Zeggen althans aanhangers van de fuga-als-suite-indeling, al kan daar tegenin worden gebracht dat deze passage wel érg kort is en misschien beter als een soort luchtig intermezzo dient te worden opgevat.
Leuk is de muziek hoe dan ook: het hoofdmotief wordt gecombineerd met een zorgeloos huppelthema en erg veel trillers. Maar natuurlijk duurt de zorgeloosheid niet lang. Het kort-lang-kort- dat dit ‘scherzo’ mede zijn schwung geeft, krijgt in de daarop volgende passage een grimmig karakter als tegenstem bij het hoofdmotief dat door de fortissimo wordt geherintroduceerd en de hel weer doet losbarsten.
Verwarring alom
Fig. 4: De climax van de Tweede wordt gemarkeerd door de terugkeer van de drie motieven
De energie wordt na dit hoogtepunt gekanaliseerd in liggende en onderbroken door pauzes. Dan breekt een lange aan – of volgens sommige analisten de ‘reprise’ – die toch weer verwarring geeft. In plaats van een krachtig slot volgt een episode vol schijnbare willekeur. Het huppelritme van het ‘’ keert terug, maar de lichtvoetigheid wordt ondermijnd door vreemde s en toenemende fragmentatie. Nog één keer wordt het hoofdthema krachtig neergezet door alle vier de instrumenten. De trillers maken daarna een laatste buiging, en het is aan het met de grote sprongen om een toch nog vrij plots eind te breien aan de Grosse Fuge: een ietwat onbevredigend en daarmee zeer gepast slot van een raadselachtig, onevenwichtig, ongeëvenaard meesterwerk.
Preludium is een uitgave van Concertvrienden











