Dmitri Sjostakovitsj’ Eerste vioolconcert behoort tot zijn ‘bureaulacomposities’: werken die hij schreef in tijden van grote politieke onzekerheid, daarna toch maar in een lade verborg en pas jaren later durfde te openbaren. Het bekendste voorbeeld is zijn kolossale Vierde symfonie uit 1935-36, waarvan de een kwart eeuw ondergedoken bleef. Het Eerste vioolconcert hoefde ‘slechts’ zeven jaar te wachten op betere tijden. Sjostakovitsj voltooide het werk in 1948 vlak na de beruchte resolutie van partijbons Andrei Zjdanov, waarin de componist met enkele collega’s werd beschuldigd van het vage maar levensgevaarlijke begrip ‘formalisme’. Pas tweeënhalf jaar na de dood van Josef Stalin, op 29 oktober 1955, gaf David Oistrach in Leningrad de eerste uitvoering van het vioolconcert.
Die huiveringwekkende omstandigheden zullen zeker van invloed zijn geweest op de partituur. Zo werkte Sjostakovitsj tijdens Zdjanovs conferentie in januari 1948 aan het intens e en klagende derde deel. Maar ook zonder de buitenmuzikale context is zijn Eerste vioolconcert een meesterwerk en een hoogtepunt in de muziekliteratuur: origineel van vorm, zeer hecht van inhoud, eigenwijs georkestreerd en met een perfecte balans tussen melancholie, bijtende humor en razende virtuositeit. Zelfs de meest wilde passages blijken doorwrocht geconstrueerd, hoofd en hart gaan nauw samen.
Sjostakovitsj koos niet voor de gebruikelijke driedelige constructie snel-langzaam-snel, maar goot de noten in een vier (of vijf?) delen tellende . De namen van de delen verwijzen deels naar de , deels naar karakterstukken uit de : , , Passacaglia, (Cadenza), Burleske. Die vierdelige vorm geeft het vioolconcert het karakter van een symfonie, zij het met een atypische . Sjostakovitsj schrijft een tuba voor, maar laat opmerkelijk genoeg de ten en trombones achterwege (net als Prokofjev in 1915-17 had gedaan in zijn Eerste vioolconcert). Een belangrijke rol is weggelegd voor s en , en dan met name de contrafagot, die het kleurpalet voortdurend vertroebelt. De twee harpen en de celesta worden alléén in het eerste deel ingezet, als mysterieuze sterren die deze Nocturne enige twinkeling geven. Het omfloerste timbre van het orkest wordt nog benadrukt door het zwijgen van de drie hobo’s; wanneer zij tijdens de climax op tweederde van de Nocturne eindelijk inzetten, klinkt die passage des te schriller.
Staat dit openingsdeel in een licht afwijkende , of is er eerder sprake van een geïmproviseerde reeks variaties op twee basale muzikale ideeën? Voor beide opvattingen is iets te zeggen. Hoe dan ook staat het hoekige dat wordt geïntroduceerd in de lage strijkers in voortdurend met de meer e lijn die allereerst in de soloviool klinkt. Weliswaar komt de zelden tot fortissimo en lijkt het orkest soms bijna apathisch, de veelvuldige aanwijzingen ‘espressivo’ en ‘’ laten geen misverstand over het gepassioneerde karakter van de solopartij.
Duizelingwekkend
Hard is de overgang naar het alsmaar doordravende Scherzo, dat ondanks het monomane karakter liefst vijf ’s bevat. Het tweede thema wordt vaak geroemd als de primeur van Sjostakovitsj’ befaamde muzikale handtekening, maar is het bij nadere inspectie nét niet. Die handtekening bestaat uit de noten d, es, c en b, waarbij de b in Duitse muzieknotering als H wordt gespeld, resulterend in – eveneens in Duitse spelling – Dmitri SCHostakowitsch.
Fig. 1 Sjostakovitsj’ muzikale handtekening bestaat uit de noten d, es, c en b
Fig. 2 Het d-s-c-h- verschijnt in het in licht gewijzigde vorm
Daarna biedt een opzwepend klezmerthema in tweekwartsmaat een voorproefje van Sjostakovitsj’ groeiende fascinatie met joodse muziek. Een dubbelfuga, gebouwd met veel van het voorafgaande materiaal, sluit het deel op duizelingwekkende wijze af.
Emoties
Wat dan volgt behoort tot het aangrijpendste dat Sjostakovitsj ooit componeerde. Waar emoties in de nog deels in het duister schuilgaan, laat de componist hier alle schroom varen. Tegelijkertijd blijft de constructie zeer hecht, dankzij de alsmaar herhalende baslijn waar het principe van de passacaglia op is gebaseerd.
Fig. 3 In het derde deel zorgt de zich steeds herhalende baslijn voor een hechte constructie
De baslijn heeft een ongebruikelijke asymmetrische lengte van zeventien maten, waardoor het hoekige een wat onvoorspelbaar karakter krijgt. Het hoge spel dat Sjostakovitsj met speelt, blijkt ook uit de dialoog die het basthema onmiddellijk aangaat met een statige fanfare in de s; dit thema weeft zich voortdurend door diverse instrumentgroepen. Een derde, thema wordt door de violist geïntroduceerd in de derde variatie, wint aan kracht in de vierde, wordt dan overgenomen door de lage strijkers terwijl de violist het betoog nog alsmaar intensiveert. Dit komt tot een hoogtepunt in de zevende en meest gepassioneerde variatie, frappant genoeg alleen door de solist en het strijkorkest uitgevoerd: afgezet tegen twee neventhema’s in respectievelijk contrabassen/’s en altviolen/violen laat de solist het passacagliathema in machtige en fortissimo uitzingen. Daarop nemen tuba en het thema over terwijl het vuur langzaam dooft.
Of toch niet helemaal: smeulend zet de solist een lange solocadens in, officieel als onderdeel van de Passacaglia maar met zo’n vijf minuten eigenlijk een zelfstandig deel, te vergelijken met de grote van het Eerste celloconcert (1959). De viool blijft wat mijmeren over het fanfarethema, komt langzaam en dreigend weer op stoom en verwerkt gaandeweg meerdere thema’s van het afgelopen half uur, waaronder het klezmerthema en de ‘variant op DSCH’. Na hallucinerend glissanderende dubbelgrepen in houdt het orkest het niet langer en zet de bonte Burleske in.
Fig. 4 De soloviool besluit zijn met hallucinerend glissanderende dubbelgrepen
Zweet op het voorhoofd
Volgens oorspronkelijk plan draafde ook de solist in één ruk door. Maar hoewel Sjostakovitsj zijn Eerste vioolconcert in 1955 eindelijk onthulde onder het nieuwe nummer 99, had hij de oorspronkelijke grotendeels ongewijzigd gelaten op een belangrijk moment na: in de eerste 28 maten van de finale mag de violist kort op adem komen, kennelijk op dringend verzoek van Oistrach die na de veeleisende Passacaglia plus Cadenza graag even het zweet van het voorhoofd wilde deppen. Sjostakovitsj toont zich vervolgens alsnog genadeloos, want dan gaat het con brio tot zonder ontsnappingsmogelijkheden. Het ooit zo rustige hoofdthema uit de wordt gemangeld door xylofoon en , en zelfs de baslijn uit de Passacaglia krijgt een sarcastische tronie.
Op de wereldpremière in Leningrad volgde een bijna oorverdovende stilte in de sovjetpers. Pas toen Oistrach eind december 1955 de Amerikaanse première verzorgde met Dmitri Mitropoulos in Carnegie Hall, bleek het muzikale succes zó groot en de politieke betekenis van een eindelijk ‘bevrijde’ partituur zo overduidelijk, dat een zegetocht in de Sovjet-Unie begon en publicatie officieel werd toegestaan.
Janine Jansen is de soliste in Sjostakovitsj’ Eerste vioolconcert tijdens een livestream van het Concertgebouworkest op 20 december 2020. Het concert staat onder leiding van Valery Gergiev, het openingswerk is Het betoverde meer van Anatoli Ljadov.
Preludium is een uitgave van Concertvrienden














