Nog geen account of wachtwoord vergeten? Ga dan naar concertgebouw.nl
Terugblik

Zo startte Het Concertgebouw een eigen kamermuziekserie

door door Johan Giskes
20 mei 2020 20 mei 2020

Het succesvolle kamermuziekfestival tijdens het Mahler-Feest 1920, georganiseerd door de vooraanstaande violist Alexander Schmuller, inspireerde Het Concertgebouw om nog in hetzelfde jaar een eigen kamermuziekserie te starten. Een initiatief met groots gevolg.

Tot 1920 had het zelf programmeren van kamermuziek in de Kleine Zaal voor Het Concertgebouw geen prioriteit. Sinds de oprichting van het Concertgebouworkest eind 1888 klonk er soms wel kamermuziek in de Grote Zaal tijdens de symfonische concerten.

Dirigenten en solisten konden daarmee nog andere capaciteiten tonen, zoals Willem Kes en Willem Mengelberg, ­Richard Strauss en zijn echtgenote sopraan Pauline de Ahna, de componist, dirigent en pianist Ferruccio Busoni, Claude Debussy en de fameuze violisten Pablo de Sarasate en Eugène Ysaÿe lieten zien en horen. Ook orkest­leden presenteerden zich daar soms met kamermuziek.

De gebeurtenissen in de laatste maanden van 1920 zorgden voor een veranderende visie. Dat was belangrijk, omdat muziekliefhebbers in die tijd eigenlijk maar weinig mogelijkheden hadden om hoogwaardige kamermuziekuitvoeringen te horen. De techniek voor radio-uitzendingen en geluidsopnamen stond immers nog in de kinderschoenen.

Groots

In dat najaar herdacht Het Concertgebouw de geboorte van Ludwig van Beethoven in 1770 met een dubbele cyclus: een reeks concerten in de Grote Zaal en een ­kamermuziekserie in de Kleine Zaal. De manifestatie begon in oktober en eindigde in december. De kamermuziekserie werd tevens in Den Haag als deel van het Beethoven-­festival gegeven.

 

Ook in Rotterdam werden enkele concerten gegeven. De volledige cyclus omvatte veertien concerten, waarvan zes geprogrammeerd met strijkkwartetten, drie met piano­trio’s, drie met sonates voor piano en viool en twee met sonates voor piano en cello. Tijdens een van deze twee laatste concerten klonken ook de liederen­cyclus An die ferne Geliebte en de Variaties in G groot, WOO 45.

Er werkten Nederlandse en buitenlandse musici mee aan de serie. Om enkele uitvoerenden te noemen: de concertmeester Louis Zimmermann en solocellist Marix Loevensohn, Alexander Schmuller, de befaamde tenor Jac. Urlus met Julius Röntgen als begeleider, de pia­nisten Willem Andriessen en Leonid Kreutzer. De strijkkwartetten waren afkomst uit Nederland, Frankrijk, Hongarije, Oostenrijk en Tsjechoslowakije. Een aantal musici had eerder opgetreden in de kamer­muziekserie tijdens het Mahler-Feest.

Voortreffelijk

De Amsterdammer van 13 ­november 1920 maakt duidelijk dat het niet alleen een ‘gelukkig initiatief’ van Het Concertgebouw bleek te zijn, maar ook dat de cyclus ‘voortreffelijk’ was voorbereid. Zowel wat betreft de vertegenwoordiging van ‘de onderscheiden perioden in de scheppingswerkzaamheid’ van Beethoven, als van de van veel beleid getuigende keuze van composities uit diens omvangrijke oeuvre, de uitvoeringen door kunstenaars en ensembles van naam en, over het algemeen, het programmaboek.

 

Niet steeds werd een top-uitvoeringsniveau bereikt; de recensent was echter lovend over het optreden van het Rosé-kwartet. ‘Arnold Rosé [die gehuwd was met Justine Mahler, een zuster van de componist] en de zijnen, gedurende vele jaren in onzen kring zéér gemist, brachten kunst van den allereersten rang. Samenspel, beantwoordende aan de hoogste technische eischen, en van een uiterst zeldzame gevoeligheid.

Welk een schitterend violist is de leider, maar hoe voortreffelijk ook secondeert Paul Fischer ; wat weet hij zijn beteekenisvolle trekjes met fijnen smaak op den voorgrond te brengen, en met wat voornamen toon ! Anton Rusitzka voorts doet bijzonder mooie dingen als altist, en Friedrich Buxbaum’s cello-spel, op zichzelf reeds zéér hoogstaand, is bepaald een wonder van aanpassingsvermogen.’

Gevolgen

De Beethoven-uitvoeringen in de Kleine Zaal vormden het begin van de zogenoemde Concertgebouw-­Kamermuziek. Net als in de Grote Zaal werd ook daar een zo hoog mogelijk niveau nagestreefd. Programma’s uit de periode 1920-30 vermelden naast het optreden van Nederlandse musici de medewerking van onder anderen Nadia Boulanger, Ravel, Schönberg, Richard Strauss, Stravinsky, Bruno Walter, ­Korngold, Prokofjev, Respighi en Kreisler.

Het Poulet- en Rosé-kwartet, die aan de Beethoven-cyclus hadden meegewerkt, keerden al in het seizoen 1922/23 terug, het Boheems strijkkwartet in 1925. Ook andere belangrijke ensembles verschenen op de programma’s. Paul Hindemith trad onder meer op als altviolist van zijn Amar-kwartet.

Hoewel tijdens de concerten van het Concertgebouworkest al steeds minder kamermuziek klonk, betekende de start van de Concertgebouw-Kamermuziek nagenoeg het einde van het uitvoeren van kamer­muziek tijdens de orkestoptredens. Met slechts een beperkt aantal concerten per seizoen werd in de Kleine Zaal een solide basis gelegd voor een hoogwaardige, interessante traditie die tot op de dag van vandaag voortduurt.

Dit artikel wordt u gratis aangeboden door Preludium. Meer lezen? Abonneer dan nu.