cadens
Hoe gaat een cadens in zijn werk?
Een cadens (of 'cadenza') is meestal de climax van een soloconcert, bijvoorbeeld een vioolconcert of pianoconcert. Het komt daarom meestal vóór het slotdeel, als een soort ontknoping. De solist wordt eventjes niet begeleid en kan zijn virtuositeit de vrije loop laten.
De 'vrijheid' van de solist is hierin stijl- en tijdgebonden, en relatief. Het is bijvoorbeeld gangbaar om 's uit de compositie te gebruiken, en in de tonale muziek valt de cadens uiteindelijk altijd terug naar de grondtoon of . Het Latijnse cadere betekent dan ook ‘vallen’. Aan het einde van de voegt het orkest zich weer bij de solist.
Waarom wordt een cadens soms uitgeschreven?
Niet alle componisten laten hun solist evenveel vrijheid. Zo spelen pianisten meestal de cadensen die Beethoven zelf voor zijn pianoconcerten uitschreef. Voor Beethovens Vioolconcert zijn geen cadensen van zijn eigen hand overgeleverd, maar wel van legendarische violisten die het stuk groot hebben gemaakt: Joseph Joachim (1831-1907) en Fritz Kreisler (1875-1962).
Het eerste deel uit Beethovens Vioolconcert met de cadens van Kreisler
Mozart componeerde voor zijn Klarinetconcert geen cadensen, al voorzag hij wel op drie plekken in een gelegenheid tot . Hij deed dat door in de solopartij uitnodigende s (noten die naar eigen inzicht mogen worden aangehouden) te noteren vlak voor de toonval terug naar de grondtoon of . Dat is dus hét moment voor de solist om zijn vrijheid te grijpen.
Het eerste deel uit Mozarts Klarinetconcert, met op ca. 4:13 minuten een mini-cadens
Cadens in de harmonieleer
Het woord (slot-)cadens wordt in de ook gebruikt voor opeenvolgingen of akkoordprogressies die de muzikale frase naar een einde sturen.