Nog geen account of wachtwoord vergeten? Klik hier
achtergrond

Wat maakt een Stradivarius tot een Stradivarius?

door Guido van Oorschot
20 jan. 2022 20 januari 2022

Deze maand zijn er verschillende violen van Antonio ­Stradivari te horen in de Grote Zaal: in handen van solisten Janine Jansen en Simone Lamsma, en van enkele violisten van het Concertgebouworkest. Wat maakt een Stradivarius tot een Stradivarius?

  • Antonio Stradivari in zijn werkplaats, houtsnede uit 1929

    door: Alexey Kravchenko (1889-1940)

    Antonio Stradivari in zijn werkplaats, houtsnede uit 1929

    door: Alexey Kravchenko (1889-1940)

  • Antonio Stradivari in zijn werkplaats, houtsnede uit 1929

    door: Alexey Kravchenko (1889-1940)

    Antonio Stradivari in zijn werkplaats, houtsnede uit 1929

    door: Alexey Kravchenko (1889-1940)

Ik voel me enorm bevoorrecht’, zegt Tjeerd Top. ‘Om te beginnen natuurlijk omdat ik als plaatsvervangend eerste concertmeester in het Concertgebouworkest speel. En dan heb ik via die baan ook nog eens een prachtige Stradivarius in bruikleen. Ik zou hem voor geen goud willen missen.’

Niet alleen de Stradivarius uit 1713 van Top klinkt in de Grote Zaal. Voor sonates van Schubert, Brahms en Beethoven stapt Janine Jansen het podium op met haar ‘Shumsky-Rode’, de bijnaam van een Strad uit 1715. Simone Lamsma speelt Sjostakovitsj op haar ‘Mlynarski’, een instrument dat in 1718 de werkplaats verliet. En in het Concertgebouworkest, zij aan zij met Tjeerd Top, zit concertmeester Liviu Prunaru. Zijn Stradivarius ‘Paschoud’ stamt uit 1694.

Iconische naam natuurlijk, Stradivari, die de instrumentbouwer zelf verlatijnste tot Stradivarius. Maar wat weten we precies van hem? En wat maakt zijn violen zo goed?

Uitmuntende oren

Alles begon met toeval. Je moest, zoals Antonio Stradivari (ca. 1644-1737), maar net worden geboren in Cremona. Dat Noord-Italiaanse stadje ­schitterde al ruim een eeuw in de bouw van strijkinstrumenten. Sterker, de familie Amati had er zo’n beetje de viool zoals wij die kennen uitgevonden. De ster van de dynastie heette Nicola. En die straalde toevallig op z’n felst toen Antonio Stradivari het houtbewerkersvak leerde, als gezel van de beeldhouwer en bouwmeester Francesco Pescaroli.

‘In elk geval had Stradivari uitmuntende oren’

Hoe hij vervolgens in de instrumentenbouw is gerold, blijft een raadsel. Misschien stapte Stradivari op een dag de werkplaats van de Amati’s binnen. Die lag per slot van rekening bij Pescaroli om de hoek. Of wie weet stak hij zijn licht op bij Francesco Rugeri, de Amati-pupil die even verderop voor zichzelf was begonnen.

‘In elk geval had hij uitmuntende oren’, zegt Tjeerd Top. ‘Dat merk je al aan de keuze van het hout waarvan hij de vioolbladen maakte. Ik stel me zo voor dat hij esdoorns beklopte. Dat is een harde houtsoort die je goed kunt verwerken voor het achterblad en de randen. Het voorblad was van vurenhout, dat is zachter en trilt beter. Misschien had hij ook een dosis geluk. Aan het eind van de zeventiende eeuw hadden ze net een Kleine IJstijd achter de rug. Bij kouder weer groeien bomen langzamer, waardoor de jaarringen dichter bij elkaar liggen. Die stevigheid bevordert uiteindelijk de klank.’

Dieprood vernis

Vast staat dat Stradivari tot 1680 onder eigen naam maar een dozijn of wat violen heeft gebouwd. Maar na dat jaar, toen hij voor zichzelf begon, was hij niet meer te houden. Het eerste succes kwam in 1682, toen een Venetiaanse bankier een bundel instrumenten had besteld voor de Engelse koning Jacobus II – een relatiegeschenk. In de decennia daarna stroomden de Stradivariussen de werkplaats uit. In zijn lange leven zaagde, gutste, schuurde en lakte de meester meer dan 1100 instrumenten bij elkaar, waarvan ruim 900 violen. Daarvan resteren er rond de 500.

‘Hij werkte secuur en streefde voortdurend naar verbetering’, zegt Top. ‘Zijn beste jaren lagen tussen 1700 en 1725, de ‘Gouden Periode’. Mijn viool stamt uit 1713, als je hem naast die van Liviu houdt zie je verschillen. ­Liviu’s instrument is wat langer en slanker. Zijn Stradivarius heeft een helderder geluid, de mijne klinkt warmer. Voor het orkest is dat trouwens alleen maar een verrijking: hoe ruimer het klankspectrum, hoe mooier het totaal.’

Naast het hout en het model is er nóg een vaak gehoorde verklaring voor de uitzonderlijke kwaliteit van de violen: het dieprode vernis waarmee Stradivari ze placht af te werken. In chemisch onderzoek naar de verdwenen receptuur is heel wat tijd gestoken, weet Top. ‘Een tijdje terug dook er alweer een nieuwe hypothese op. Het hout zou met metaalzouten zijn geïmpregneerd om houtworm buiten te houden. Dus dan zou niet de lak het geheim zijn, maar de behandeling vooraf.’

Ik voel me enorm bevoorrecht’, zegt Tjeerd Top. ‘Om te beginnen natuurlijk omdat ik als plaatsvervangend eerste concertmeester in het Concertgebouworkest speel. En dan heb ik via die baan ook nog eens een prachtige Stradivarius in bruikleen. Ik zou hem voor geen goud willen missen.’

Niet alleen de Stradivarius uit 1713 van Top klinkt in de Grote Zaal. Voor sonates van Schubert, Brahms en Beethoven stapt Janine Jansen het podium op met haar ‘Shumsky-Rode’, de bijnaam van een Strad uit 1715. Simone Lamsma speelt Sjostakovitsj op haar ‘Mlynarski’, een instrument dat in 1718 de werkplaats verliet. En in het Concertgebouworkest, zij aan zij met Tjeerd Top, zit concertmeester Liviu Prunaru. Zijn Stradivarius ‘Paschoud’ stamt uit 1694.

Iconische naam natuurlijk, Stradivari, die de instrumentbouwer zelf verlatijnste tot Stradivarius. Maar wat weten we precies van hem? En wat maakt zijn violen zo goed?

Uitmuntende oren

Alles begon met toeval. Je moest, zoals Antonio Stradivari (ca. 1644-1737), maar net worden geboren in Cremona. Dat Noord-Italiaanse stadje ­schitterde al ruim een eeuw in de bouw van strijkinstrumenten. Sterker, de familie Amati had er zo’n beetje de viool zoals wij die kennen uitgevonden. De ster van de dynastie heette Nicola. En die straalde toevallig op z’n felst toen Antonio Stradivari het houtbewerkersvak leerde, als gezel van de beeldhouwer en bouwmeester Francesco Pescaroli.

‘In elk geval had Stradivari uitmuntende oren’

Hoe hij vervolgens in de instrumentenbouw is gerold, blijft een raadsel. Misschien stapte Stradivari op een dag de werkplaats van de Amati’s binnen. Die lag per slot van rekening bij Pescaroli om de hoek. Of wie weet stak hij zijn licht op bij Francesco Rugeri, de Amati-pupil die even verderop voor zichzelf was begonnen.

‘In elk geval had hij uitmuntende oren’, zegt Tjeerd Top. ‘Dat merk je al aan de keuze van het hout waarvan hij de vioolbladen maakte. Ik stel me zo voor dat hij esdoorns beklopte. Dat is een harde houtsoort die je goed kunt verwerken voor het achterblad en de randen. Het voorblad was van vurenhout, dat is zachter en trilt beter. Misschien had hij ook een dosis geluk. Aan het eind van de zeventiende eeuw hadden ze net een Kleine IJstijd achter de rug. Bij kouder weer groeien bomen langzamer, waardoor de jaarringen dichter bij elkaar liggen. Die stevigheid bevordert uiteindelijk de klank.’

Dieprood vernis

Vast staat dat Stradivari tot 1680 onder eigen naam maar een dozijn of wat violen heeft gebouwd. Maar na dat jaar, toen hij voor zichzelf begon, was hij niet meer te houden. Het eerste succes kwam in 1682, toen een Venetiaanse bankier een bundel instrumenten had besteld voor de Engelse koning Jacobus II – een relatiegeschenk. In de decennia daarna stroomden de Stradivariussen de werkplaats uit. In zijn lange leven zaagde, gutste, schuurde en lakte de meester meer dan 1100 instrumenten bij elkaar, waarvan ruim 900 violen. Daarvan resteren er rond de 500.

‘Hij werkte secuur en streefde voortdurend naar verbetering’, zegt Top. ‘Zijn beste jaren lagen tussen 1700 en 1725, de ‘Gouden Periode’. Mijn viool stamt uit 1713, als je hem naast die van Liviu houdt zie je verschillen. ­Liviu’s instrument is wat langer en slanker. Zijn Stradivarius heeft een helderder geluid, de mijne klinkt warmer. Voor het orkest is dat trouwens alleen maar een verrijking: hoe ruimer het klankspectrum, hoe mooier het totaal.’

Naast het hout en het model is er nóg een vaak gehoorde verklaring voor de uitzonderlijke kwaliteit van de violen: het dieprode vernis waarmee Stradivari ze placht af te werken. In chemisch onderzoek naar de verdwenen receptuur is heel wat tijd gestoken, weet Top. ‘Een tijdje terug dook er alweer een nieuwe hypothese op. Het hout zou met metaalzouten zijn geïmpregneerd om houtworm buiten te houden. Dus dan zou niet de lak het geheim zijn, maar de behandeling vooraf.’

  • Antonio Stradivari

    Beeld in Cremona

    Antonio Stradivari

    Beeld in Cremona

  • Antonio Stradivari

    Beeld in Cremona

    Antonio Stradivari

    Beeld in Cremona

‘Deze houd ik!’

De beste Stradivariussen dragen de namen van eerdere bespelers of bezitters. Zo zat het instrument van Simone Lamsma rond 1900 onder de kin van de Poolse virtuoos Emil Szymon Mlynarski. Sommige wereldsterren, zoals Janine Jansen, hebben zich ontpopt als grootverbruiker. Eerder in haar loopbaan bespeelde ze de ‘Barrere’ (1727), de ‘Deurbroucq’ (1727) en de ‘Rivaz, baron Gutmann’ (1707). Voor de documentaire Falling for Stradivari (2021) kon ze er liefst twaalf vergelijken. Haar favoriet bleef het instrument dat ze tegenwoordig in bruikleen heeft, de ‘Shumsky-Rode’. ‘Deze houd ik!’, zei ze in een interview. ‘Ik ben nog steeds helemaal verliefd.’

De Stradivarius van Tjeerd Top heeft de bijnaam ‘Pingrillé’, naar een ­negentiende-eeuwse Franse violist. Via via belandde het instrument vanuit Parijs in Baltimore. De voorlaatste eigenaar heette Gabriel Banat. Hij bespeelde hem in het New York Philharmonic Orchestra. De Stichting Donateurs Koninklijk Concertgebouworkest – tegenwoordig de Foundation Concertgebouworkest – verwierf het instrument in 2011. En zo lang hij in het orkest speelt, heeft Tjeerd Top hem in bruikleen.

‘Van zichzelf klinkt mijn viool vrij bescheiden. Maar wat bijzonder is: de toon draagt tot in de verste hoeken van de zaal. De ‘Pingrillé’ is trouwens niet de enige viool die in 1713 uit een bepaald stuk hout is gemaakt. Joshua Bell bespeelt een beroemde Stradivarius, de ‘Gibson ex-Huberman’. Toen hij eens bij ons soleerde, hebben we onze instrumenten vergeleken. En wat bleek: uit de jaarringen viel af te leiden dat de achterbladen uit exact hetzelfde houtblok zijn gesneden.’

‘Een viool blijft het best in conditie als hij wordt bespeeld’

Luistertest

Joshua Bell schafte zijn viool aan voor een dikke drie miljoen euro. De duurste Stradivarius van het moment zou de ‘Messiah’ zijn, een slordige 17 miljoen. Hij is in de loop der eeuwen amper bespeeld en pronkt in een vitrine van het Ashmolean Museum in Oxford. ‘Het is net als met beroemde schilderijen’, zegt Top. ‘Jammer dat de prijzen door het dak gaan. Anderzijds kun je het ook beschouwen als reclame voor de klassieke muziek. Die blijft met zulke bedragen op z’n minst in ieders bewustzijn. En dat sommige Stradivariussen achter slot en grendel zitten, is natuurlijk zonde. Een viool blijft nu eenmaal het best in conditie als hij wordt bespeeld. Gelukkig zijn er mecenassen die hun instrument in bruikleen geven.’

En ja, Top kent ze, de meewarige nieuwsberichten die om de zoveel tijd opduiken. Dan is er weer eens een blinde luistertest geweest waarbij beroemde dure violen werden vergeleken met goedkopere moderne. En wat blijkt? Zelfs beroepsluisteraars horen lang niet altijd het verschil. ‘Haha, ja, geweldig is dat. Maar ik kan het wel verklaren. Ook in onze tijd wordt er nu eenmaal ontzettend goed gebouwd.’

‘Deze houd ik!’

De beste Stradivariussen dragen de namen van eerdere bespelers of bezitters. Zo zat het instrument van Simone Lamsma rond 1900 onder de kin van de Poolse virtuoos Emil Szymon Mlynarski. Sommige wereldsterren, zoals Janine Jansen, hebben zich ontpopt als grootverbruiker. Eerder in haar loopbaan bespeelde ze de ‘Barrere’ (1727), de ‘Deurbroucq’ (1727) en de ‘Rivaz, baron Gutmann’ (1707). Voor de documentaire Falling for Stradivari (2021) kon ze er liefst twaalf vergelijken. Haar favoriet bleef het instrument dat ze tegenwoordig in bruikleen heeft, de ‘Shumsky-Rode’. ‘Deze houd ik!’, zei ze in een interview. ‘Ik ben nog steeds helemaal verliefd.’

De Stradivarius van Tjeerd Top heeft de bijnaam ‘Pingrillé’, naar een ­negentiende-eeuwse Franse violist. Via via belandde het instrument vanuit Parijs in Baltimore. De voorlaatste eigenaar heette Gabriel Banat. Hij bespeelde hem in het New York Philharmonic Orchestra. De Stichting Donateurs Koninklijk Concertgebouworkest – tegenwoordig de Foundation Concertgebouworkest – verwierf het instrument in 2011. En zo lang hij in het orkest speelt, heeft Tjeerd Top hem in bruikleen.

‘Van zichzelf klinkt mijn viool vrij bescheiden. Maar wat bijzonder is: de toon draagt tot in de verste hoeken van de zaal. De ‘Pingrillé’ is trouwens niet de enige viool die in 1713 uit een bepaald stuk hout is gemaakt. Joshua Bell bespeelt een beroemde Stradivarius, de ‘Gibson ex-Huberman’. Toen hij eens bij ons soleerde, hebben we onze instrumenten vergeleken. En wat bleek: uit de jaarringen viel af te leiden dat de achterbladen uit exact hetzelfde houtblok zijn gesneden.’

‘Een viool blijft het best in conditie als hij wordt bespeeld’

Luistertest

Joshua Bell schafte zijn viool aan voor een dikke drie miljoen euro. De duurste Stradivarius van het moment zou de ‘Messiah’ zijn, een slordige 17 miljoen. Hij is in de loop der eeuwen amper bespeeld en pronkt in een vitrine van het Ashmolean Museum in Oxford. ‘Het is net als met beroemde schilderijen’, zegt Top. ‘Jammer dat de prijzen door het dak gaan. Anderzijds kun je het ook beschouwen als reclame voor de klassieke muziek. Die blijft met zulke bedragen op z’n minst in ieders bewustzijn. En dat sommige Stradivariussen achter slot en grendel zitten, is natuurlijk zonde. Een viool blijft nu eenmaal het best in conditie als hij wordt bespeeld. Gelukkig zijn er mecenassen die hun instrument in bruikleen geven.’

En ja, Top kent ze, de meewarige nieuwsberichten die om de zoveel tijd opduiken. Dan is er weer eens een blinde luistertest geweest waarbij beroemde dure violen werden vergeleken met goedkopere moderne. En wat blijkt? Zelfs beroepsluisteraars horen lang niet altijd het verschil. ‘Haha, ja, geweldig is dat. Maar ik kan het wel verklaren. Ook in onze tijd wordt er nu eenmaal ontzettend goed gebouwd.’

Dit artikel wordt u gratis aangeboden door Preludium. Meer lezen? Abonneer dan nu.