Nog geen account of wachtwoord vergeten? Klik hier
orkestlid

Violiste Susanne Niesporek: 'Muziek is voor mij ook communicatie'

door Henriette Posthuma de Boer
01 apr. 2018 01 april 2018

Susanne Niesporek is een vertrouwd gezicht in het Koninklijk Concertgebouworkest, waar ze al bijna 25 jaar haar functie als plaatsvervangend aanvoerder van de tweede violen vervult. In het Close-up-concert van 15 april wijdt zij zich aan haar andere grote liefde, de kamermuziek.

Met haar tweede man, Eric van der Wel, tot zijn pensionering in november 2016 altviolist in het Koninklijk -Concertgebouworkest – ‘en al meer dan twintig jaar mijn zeer geliefde kamermuziekmaatje’ – en haar twee jongste kinderen woont de in Oost-Duitsland geboren Susanne Niesporek in een prettig, licht huis in Amstelveen.

In vlekkeloos Nederlands vertelt ze haar verhaal. Over haar leven als musicus en de verlies-, rouw- en stervensbegeleiding waar ze zich, gemotiveerd door een aantal ingrijpende ervaringen, intensief mee bezighoudt. 

‘Het gaat over verbinding en communicatie’, legt ze uit. ‘Ik leer er veel van en dat verwerk ik ook in het spelen. Muziek is voor mij ook communicatie: iets willen geven of uitdrukken zonder woorden. Het heeft me altijd geboeid hoe het kan dat mensen elkaar begrijpen zonder woorden. Net als bij heel intens kamermuziek spelen gaat het om loslaten, je overgeven, niet overheersen, luisteren. Dat is toch de essentie van samen musiceren. Ook in het orkest.’ 

Met haar tweede man, Eric van der Wel, tot zijn pensionering in november 2016 altviolist in het Koninklijk -Concertgebouworkest – ‘en al meer dan twintig jaar mijn zeer geliefde kamermuziekmaatje’ – en haar twee jongste kinderen woont de in Oost-Duitsland geboren Susanne Niesporek in een prettig, licht huis in Amstelveen.

In vlekkeloos Nederlands vertelt ze haar verhaal. Over haar leven als musicus en de verlies-, rouw- en stervensbegeleiding waar ze zich, gemotiveerd door een aantal ingrijpende ervaringen, intensief mee bezighoudt. 

‘Het gaat over verbinding en communicatie’, legt ze uit. ‘Ik leer er veel van en dat verwerk ik ook in het spelen. Muziek is voor mij ook communicatie: iets willen geven of uitdrukken zonder woorden. Het heeft me altijd geboeid hoe het kan dat mensen elkaar begrijpen zonder woorden. Net als bij heel intens kamermuziek spelen gaat het om loslaten, je overgeven, niet overheersen, luisteren. Dat is toch de essentie van samen musiceren. Ook in het orkest.’ 

Haar leven, bijna vijftig jaar geleden begonnen in de door de oorlog zwaar gehavende Oost-Duitse stad Magdeburg, is niet over rozen gegaan. Ze verloor haar eerste kindje en haar eerste man stierf jong – ze heeft hem tot zijn dood verzorgd en met pijn moeten ervaren hoe met dood en verlies om te gaan. 

Heimwee

‘Thuis was er altijd muziek. Mijn vader speelde heel goed klassiek gitaar – als liefhebberij, hij was programmeur – en had ooit een viool cadeau gekregen. Hij heeft er nog wel op gespeeld, maar zijn hart lag toch bij de gitaar en sindsdien hing die viool aan de muur.

Toen ik een jaar of vier was, hoorde ik een opname van een vioolconcert van Mozart door Arthur Grumiaux. Daar was ik zo verrukt van dat ik die viool per se wilde hebben. Maar ik was heel klein en motorisch erg achter, dus ik kon er niks mee.

Op mijn zesde mocht ik naar de muziekschool, kreeg een achtste viooltje, een fantastische juf, en was in de wolken. Ik had een goed gehoor en kon goed zingen, maar de links-rechtscoördinatie was nog niet in orde. Na een jaar moest je een bepaald niveau hebben gehaald, maar door die achterstand in motoriek haalde ik dat niet.

De juf heeft mij toch gehouden, hoewel ze twijfelde of het ooit wat met mij zou worden. En twee maanden later lukte het opeens, was er in mijn hoofd kennelijk iets aangesloten en begon ik iedereen in te halen. Voor hun steun en geduld ben ik mijn ouders en die eerste juf, Hannelore Gericke, heel dankbaar.’

Barrières

Op het conservatorium in Weimar, gekoppeld aan dat internaat, begonnen de problemen met de Stasi. ‘Ik was solistisch opgeleid en zou naar verschillende concoursen worden gestuurd, maar steeds werden er nieuwe barrières opgeworpen. Als concertmeester van het Kamerorkest van de Hochschule zou ik meegaan op tournee naar Italië.

Plotseling werd me dat verboden, zonder opgaaf van redenen. Ik denk dat de Stasi mij een gevaar vond, te kritisch. Ik had contact met mensen uit het imperialistische buitenland – ik had inmiddels op weg naar Praag mijn Nederlandse man leren kennen – er was familie in het Westen. Ze waren bang dat ik daar zou blijven. En dáárvoor hadden ze niet in me geïnvesteerd! 

Toen was het genoeg en heb ik een schriftelijke aanvraag ingediend om het land te mogen verlaten, met als argument dat ik me ernstig gehinderd voelde in mijn opleiding. Met als resultaat dat ik niet mocht afstuderen en mijn eigen schorsing moest schrijven. Einde opleiding.

In november 1987 was ik vogelvrij en wachtte op een uitreisvisum. Tot die tijd speelde ik in het orkest van Gera, met zeker tien collega’s die op datzelfde visum zaten te wachten. We besloten in Gera te trouwen – wat ook niet zonder slag of stoot ging – zodat ik in 1989 naar Nederland kon.’

In nederland

Haar eerste baan in Nederland was bij het Orkest van het Oosten, toen nog het Forum Filharmonisch Orkest, waar ze uiteindelijk concertmeester werd. Ze kreeg haar eerste kind, Emma, dat maar drie maanden oud is geworden.

‘Daarna was ik een tijdlang tot niets meer in staat. Op advies van mijn therapeut ben ik toch weer gaan spelen. Om een doel te hebben deed ik audities, onder meer voor het Chamber Orchestra of Europe, maar omdat inmiddels mijn tweede kind was geboren, kon ik niet zo lang naar het buitenland.’ 

Toen ze in 1994 werd gewezen op een vacature bij het Concertgebouworkest, aarzelde ze nog even. ‘Ik was zwanger van mijn derde kind en we gingen net verhuizen. Maar zo’n baan krijg je niet zomaar, dus ik heb de proefspelen gedaan en werd aangenomen. Overweldigend! Technisch en muzikaal. Ik was wel wat gewend, want ik was waanzinnig goed opgeleid, maar dit niveau! Ja, dacht ik, zo moet het!’

Wensen

Ze heeft het orkest in de loop der jaren ingrijpend zien veranderen. ‘Het is razendsnel verjongd, waardoor de verhouding ouderen-jongeren wat in disbalans is geraakt. Hoe geven we nu onze traditie door? Waar blijft de ervaring van de ouderen? Er is de orkestacademie, waarvoor ik me indertijd sterk heb gemaakt, maar ik ben niet snel tevreden, zou meer willen.

Bijvoorbeeld dat het orkest een eigen opleidingsschool in het leven zou roepen – wat natuurlijk alles te maken heeft met mijn interesse in educatie en lesgeven. Ik zou ook graag zien dat het orkest meer in Nederland speelt, vooral omdat er op het gebied van de kunsten zo verschrikkelijk is huisgehouden. Ik heb sinds ik in Nederland woon helaas alleen maar orkesten zien verdwijnen!’

Nog een wens heeft ze: dat de orkestleden meer zouden rouleren. Inclusief de aanvoerders. ‘Dat zou de flexibiliteit ten goede komen, en dan zijn we meteen ook af van dat rangen en standen-gedoe. Vroeger was dat trouwens nog sterker. Oudere collega’s weten nog dat je vroeger altijd bij de tweede violen begon en dan mocht doorstromen naar de eerste.

Die hiërarchie is er niet meer: je kunt nu ook als eerste violist beginnen. Ik kwam binnen als tweede en ben dat graag gebleven. Het is ingewikkelder, je moet oren naar alle kanten hebben en heel flexibel zijn. Juist daarom vind ik het leuker.’

Haar leven, bijna vijftig jaar geleden begonnen in de door de oorlog zwaar gehavende Oost-Duitse stad Magdeburg, is niet over rozen gegaan. Ze verloor haar eerste kindje en haar eerste man stierf jong – ze heeft hem tot zijn dood verzorgd en met pijn moeten ervaren hoe met dood en verlies om te gaan. 

Heimwee

‘Thuis was er altijd muziek. Mijn vader speelde heel goed klassiek gitaar – als liefhebberij, hij was programmeur – en had ooit een viool cadeau gekregen. Hij heeft er nog wel op gespeeld, maar zijn hart lag toch bij de gitaar en sindsdien hing die viool aan de muur.

Toen ik een jaar of vier was, hoorde ik een opname van een vioolconcert van Mozart door Arthur Grumiaux. Daar was ik zo verrukt van dat ik die viool per se wilde hebben. Maar ik was heel klein en motorisch erg achter, dus ik kon er niks mee.

Op mijn zesde mocht ik naar de muziekschool, kreeg een achtste viooltje, een fantastische juf, en was in de wolken. Ik had een goed gehoor en kon goed zingen, maar de links-rechtscoördinatie was nog niet in orde. Na een jaar moest je een bepaald niveau hebben gehaald, maar door die achterstand in motoriek haalde ik dat niet.

De juf heeft mij toch gehouden, hoewel ze twijfelde of het ooit wat met mij zou worden. En twee maanden later lukte het opeens, was er in mijn hoofd kennelijk iets aangesloten en begon ik iedereen in te halen. Voor hun steun en geduld ben ik mijn ouders en die eerste juf, Hannelore Gericke, heel dankbaar.’

Barrières

Op het conservatorium in Weimar, gekoppeld aan dat internaat, begonnen de problemen met de Stasi. ‘Ik was solistisch opgeleid en zou naar verschillende concoursen worden gestuurd, maar steeds werden er nieuwe barrières opgeworpen. Als concertmeester van het Kamerorkest van de Hochschule zou ik meegaan op tournee naar Italië.

Plotseling werd me dat verboden, zonder opgaaf van redenen. Ik denk dat de Stasi mij een gevaar vond, te kritisch. Ik had contact met mensen uit het imperialistische buitenland – ik had inmiddels op weg naar Praag mijn Nederlandse man leren kennen – er was familie in het Westen. Ze waren bang dat ik daar zou blijven. En dáárvoor hadden ze niet in me geïnvesteerd! 

Toen was het genoeg en heb ik een schriftelijke aanvraag ingediend om het land te mogen verlaten, met als argument dat ik me ernstig gehinderd voelde in mijn opleiding. Met als resultaat dat ik niet mocht afstuderen en mijn eigen schorsing moest schrijven. Einde opleiding.

In november 1987 was ik vogelvrij en wachtte op een uitreisvisum. Tot die tijd speelde ik in het orkest van Gera, met zeker tien collega’s die op datzelfde visum zaten te wachten. We besloten in Gera te trouwen – wat ook niet zonder slag of stoot ging – zodat ik in 1989 naar Nederland kon.’

In nederland

Haar eerste baan in Nederland was bij het Orkest van het Oosten, toen nog het Forum Filharmonisch Orkest, waar ze uiteindelijk concertmeester werd. Ze kreeg haar eerste kind, Emma, dat maar drie maanden oud is geworden.

‘Daarna was ik een tijdlang tot niets meer in staat. Op advies van mijn therapeut ben ik toch weer gaan spelen. Om een doel te hebben deed ik audities, onder meer voor het Chamber Orchestra of Europe, maar omdat inmiddels mijn tweede kind was geboren, kon ik niet zo lang naar het buitenland.’ 

Toen ze in 1994 werd gewezen op een vacature bij het Concertgebouworkest, aarzelde ze nog even. ‘Ik was zwanger van mijn derde kind en we gingen net verhuizen. Maar zo’n baan krijg je niet zomaar, dus ik heb de proefspelen gedaan en werd aangenomen. Overweldigend! Technisch en muzikaal. Ik was wel wat gewend, want ik was waanzinnig goed opgeleid, maar dit niveau! Ja, dacht ik, zo moet het!’

Wensen

Ze heeft het orkest in de loop der jaren ingrijpend zien veranderen. ‘Het is razendsnel verjongd, waardoor de verhouding ouderen-jongeren wat in disbalans is geraakt. Hoe geven we nu onze traditie door? Waar blijft de ervaring van de ouderen? Er is de orkestacademie, waarvoor ik me indertijd sterk heb gemaakt, maar ik ben niet snel tevreden, zou meer willen.

Bijvoorbeeld dat het orkest een eigen opleidingsschool in het leven zou roepen – wat natuurlijk alles te maken heeft met mijn interesse in educatie en lesgeven. Ik zou ook graag zien dat het orkest meer in Nederland speelt, vooral omdat er op het gebied van de kunsten zo verschrikkelijk is huisgehouden. Ik heb sinds ik in Nederland woon helaas alleen maar orkesten zien verdwijnen!’

Nog een wens heeft ze: dat de orkestleden meer zouden rouleren. Inclusief de aanvoerders. ‘Dat zou de flexibiliteit ten goede komen, en dan zijn we meteen ook af van dat rangen en standen-gedoe. Vroeger was dat trouwens nog sterker. Oudere collega’s weten nog dat je vroeger altijd bij de tweede violen begon en dan mocht doorstromen naar de eerste.

Die hiërarchie is er niet meer: je kunt nu ook als eerste violist beginnen. Ik kwam binnen als tweede en ben dat graag gebleven. Het is ingewikkelder, je moet oren naar alle kanten hebben en heel flexibel zijn. Juist daarom vind ik het leuker.’

Dit artikel wordt u gratis aangeboden door Preludium. Meer lezen? Abonneer dan nu.