Stéphane Degout & Simon Lepper: Franse meesters
Kleine Zaal 02 juni 2026 20.15 uur
Stéphane Degout bariton
Simon Lepper piano
Dit concert maakt deel uit van de serie Vocaal 1.
Dit concert wordt voorzien van boventiteling.
Gabriel Fauré (1845-1924)
Poème d’un jour, op. 21 (1878)
Rencontre
Toujours
Adieu
Le Secret (1882)
uit ‘Trois mélodies’, op. 23
Danseuse
uit ‘Mirages’, op. 113 (1919)
Au bord de l’eau (1875)
uit ‘Trois mélodies’, op. 8
Mandoline
uit ‘Cinq mélodies ‘de Venise’’, op. 58 (1891)
Claude Debussy (1862-1918)
Fêtes galantes II (1904)
Les Ingénus
Le Faune
Colloque sentimental
Francis Poulenc (1899-1963)
Quatre poèmes de Guillaume Apollinaire (1931)
L’Anguille
Carte postale
Avant le cinéma 1904
Reynaldo Hahn (1874-1947)
Trois jours de vendange (1891)
Néère
uit ‘Études latines’ (1899-1900)
À Chloris (1913)
pauze ± 21.00 uur
Guy Ropartz (1864-1955)
Quatre poèmes d’après l’Intermezzo d’Heinrich Heine (1899)
Prélude
Tendrement enlaces, ma chère bien-aimée
Pourquoi vois-je pâlir la rose parfumée
Ceux qui, parmi les morts d’amour
Depuis que nul rayon de tes yeux bien-aimés
Postlude
Rita Strohl (1865-1941)
Fantôme
Obsession
Madrigal triste
uit ‘Six poésies de Charles Baudelaire’ (1894)
Maurice Ravel (1875-1937)
Deux épigrammes de Clément Marot (1896)
D’Anne qui me jecta de la neige
D’Anne jouant de l’espinette
Don Quichotte à Dulcinée (1932-33)
Chanson romanesque
Chanson épique
Chanson à boire
einde ± 22.00 uur
Stéphane Degout bariton
Simon Lepper piano
Dit concert maakt deel uit van de serie Vocaal 1.
Dit concert wordt voorzien van boventiteling.
Gabriel Fauré (1845-1924)
Poème d’un jour, op. 21 (1878)
Rencontre
Toujours
Adieu
Le Secret (1882)
uit ‘Trois mélodies’, op. 23
Danseuse
uit ‘Mirages’, op. 113 (1919)
Au bord de l’eau (1875)
uit ‘Trois mélodies’, op. 8
Mandoline
uit ‘Cinq mélodies ‘de Venise’’, op. 58 (1891)
Claude Debussy (1862-1918)
Fêtes galantes II (1904)
Les Ingénus
Le Faune
Colloque sentimental
Francis Poulenc (1899-1963)
Quatre poèmes de Guillaume Apollinaire (1931)
L’Anguille
Carte postale
Avant le cinéma 1904
Reynaldo Hahn (1874-1947)
Trois jours de vendange (1891)
Néère
uit ‘Études latines’ (1899-1900)
À Chloris (1913)
pauze ± 21.00 uur
Guy Ropartz (1864-1955)
Quatre poèmes d’après l’Intermezzo d’Heinrich Heine (1899)
Prélude
Tendrement enlaces, ma chère bien-aimée
Pourquoi vois-je pâlir la rose parfumée
Ceux qui, parmi les morts d’amour
Depuis que nul rayon de tes yeux bien-aimés
Postlude
Rita Strohl (1865-1941)
Fantôme
Obsession
Madrigal triste
uit ‘Six poésies de Charles Baudelaire’ (1894)
Maurice Ravel (1875-1937)
Deux épigrammes de Clément Marot (1896)
D’Anne qui me jecta de la neige
D’Anne jouant de l’espinette
Don Quichotte à Dulcinée (1932-33)
Chanson romanesque
Chanson épique
Chanson à boire
einde ± 22.00 uur
Toelichting
Toelichting
Franse meesters
Zoals bij een liedrecital zanger en pianist een gelijkwaardig duo vormen – wie spreekt er nog van pianobegeleiding? – zo leveren ook de componist en de tekstdichter een gelijkgeschakeld aandeel aan het lied, zeker aan het Franse lied. De zeven componisten in dit programma stellen dertien dichters aan u voor; Franse dichters (met uitzondering van de Duitse Heinrich Heine, al treedt hij aan in Franse bewerking). Ze zijn grof genomen tijdgenoten van de componisten: negentiende-eeuwers op twee na. Hun op muziek gezette gedichten vormen samen een klinkend college Franse liefdeslyriek, waarin uiteenlopende emotionele verhoudingen en liefdesverhalen worden geëtaleerd.
Fauré en Debussy
Gabriel Fauré, de componist die de mélodie française haar moderne vorm gaf, is ruim vertegenwoordigd. Zijn vroege cyclus Poème d’un jour is een dramatische miniatuur: drie liederen die een complete liefdesgeschiedenis vertellen. In Rencontre gloeit de opwinding van de eerste ontmoeting. In Toujours staat de tijd even stil in een belofte van eeuwigheid, die in Adieu genadeloos wordt neergesabeld. Fauré doet dit zonder grote theatrale gebaren. De tragiek zit in de harmonie die van onderaf begint te schuiven, alsof het fundament van de liefdesemotie langzaam instort.
In Le Secret wordt de geliefde verbeeld in de spanning tussen zeggen en zwijgen. In Au bord de l’eau verschijnt liefde als een stil moment aan de waterkant. Geluk is kwetsbaar. Zelfs in een ogenschijnlijk licht stuk, zoals Mandoline (op een tekst van Paul Verlaine), schuilt melancholie. Danseuse, een laat lied, toont hoe Fauré dwars door het leven heen kijkt: de dans is vreugdevol, maar ook een illusie die verdwijnt.
Franse meesters
Zoals bij een liedrecital zanger en pianist een gelijkwaardig duo vormen – wie spreekt er nog van pianobegeleiding? – zo leveren ook de componist en de tekstdichter een gelijkgeschakeld aandeel aan het lied, zeker aan het Franse lied. De zeven componisten in dit programma stellen dertien dichters aan u voor; Franse dichters (met uitzondering van de Duitse Heinrich Heine, al treedt hij aan in Franse bewerking). Ze zijn grof genomen tijdgenoten van de componisten: negentiende-eeuwers op twee na. Hun op muziek gezette gedichten vormen samen een klinkend college Franse liefdeslyriek, waarin uiteenlopende emotionele verhoudingen en liefdesverhalen worden geëtaleerd.
Fauré en Debussy
Gabriel Fauré, de componist die de mélodie française haar moderne vorm gaf, is ruim vertegenwoordigd. Zijn vroege cyclus Poème d’un jour is een dramatische miniatuur: drie liederen die een complete liefdesgeschiedenis vertellen. In Rencontre gloeit de opwinding van de eerste ontmoeting. In Toujours staat de tijd even stil in een belofte van eeuwigheid, die in Adieu genadeloos wordt neergesabeld. Fauré doet dit zonder grote theatrale gebaren. De tragiek zit in de harmonie die van onderaf begint te schuiven, alsof het fundament van de liefdesemotie langzaam instort.
In Le Secret wordt de geliefde verbeeld in de spanning tussen zeggen en zwijgen. In Au bord de l’eau verschijnt liefde als een stil moment aan de waterkant. Geluk is kwetsbaar. Zelfs in een ogenschijnlijk licht stuk, zoals Mandoline (op een tekst van Paul Verlaine), schuilt melancholie. Danseuse, een laat lied, toont hoe Fauré dwars door het leven heen kijkt: de dans is vreugdevol, maar ook een illusie die verdwijnt.
Met Claude Debussy’s Fêtes galantes verandert het poëtisch perspectief. De liederen, op teksten van Verlaine, openen de deur naar het symbolisme: naar poëzie die niet vertelt, maar suggereert. Les Ingénus roept een jeugdige, ontluikende liefde op. Het onheil wordt aangekondigd in Le Faune. De kille antwoorden in de dialoog van Colloque sentimental roepen een troosteloos gedoofd liefdesleven tevoorschijn. Ook de muziek in deze liederen suggereert meer dan zij zegt; melodieën en harmonieën zweven, ritmes vervagen, cadensen lossen op in verwachtingsvolle stiltes. Zo vormt Debussy klanklandschappen die voortdurend van kleur veranderen.
Poulenc, Hahn en Ropartz
Met de Quatre poèmes de Guillaume Apollinaire van Francis Poulenc, geboren in het voorlaatste jaar van de negentiende eeuw, belanden we in een nieuwe tijd: in een modernistische traditie waarin de poëzie directer, vrijer, vaak ironisch en humoristisch is. De surrealistische taal van Apollinaire is beeldend, abrupt, soms bijna spreektaal. Poulenc volgt dat met muziek die onverwacht kan omslaan: van speels naar ontroerend, van simpel naar schrijnend. Hij combineert zijn gevoel voor melodie met klanken die het twintigste-eeuwse Parijs verraden met cabaret en straatmuziek, en onder de humor een melancholiek hart.
Charles Baudelaire is de dichter van verlangen en verval: van schoonheid die zowel aantrekkelijk is als bedreigend
Met Reynaldo Hahn doen we een stap terug in de tijd. Hahn belichaamt een wereld van verfijnde expressie, van Franse elegantie die bewust naar het verleden grijpt. Over zijn mélodies hangt een zweem van nostalgie: ze kijken al terug op het moment van ontstaan. Trois jours de vendange ademt de warmte van de herinnering. Néère roept de antieke Oudheid tot leven via het aantrekkelijke witmarmeren beeld van de mythologische nimf Neaera. À Chloris is een hommage aan de Barok. De piano zet de toon met zijn brutale verwijzing naar de beroemde Air uit Johann Sebastian Bachs Derde orkestsuite.
Guy Ropartz brengt een andere ernst in het programma. Zijn Quatre poèmes d’après l’Intermezzo op teksten van Heinrich Heine vormen een brug naar een gevoelswereld van donkere melancholie, bitterheid, introspectie. Heines ironie – de glimlach die pijn verbergt – sluit verrassend goed aan bij de mélodie française, maar Ropartz zet er sombere muziek onder vol harmonische spanning. Het gaat in de gedichten om eindigheid, om liefde die niet alleen treurig en weemoedig is maar ook existentiële vragen stelt. De vier liederen worden omarmd door een pre- en een postlude. De prelude begint met vier noten gelijktijdig aangeslagen over vier octaven die sterk doen denken aan het bekende Dies irae-thema uit de requiemmis; het motief speelt een rol in de hele liedcyclus en vormt ook de laatste noten van de postlude.
Strohl en Ravel
De meest bedrukkende liefdesrelaties treffen we aan bij de componiste Rita Strohl in haar Baudelaire-liederen. In Fantôme, Obsession en Madrigal triste krijgt de mélodie een expressionistische intensiteit. Charles Baudelaire is de dichter van verlangen en verval: van schoonheid die zowel aantrekkelijk is als bedreigend. Strohl vertaalt dat in geladen klankvelden, soms broeierig, soms scherp, soms dreigend.
Madrigal triste beschrijft in typische Baudelaire-beelden een liefdesrelatie waarin een sadomasochistisch spel van macht en onderwerping, dominantie en vernedering, angst, pijn en walging uitmondt in liefhebben in gelijkwaardigheid. Verwarrend. Hier barst de Franse elegantie open en wordt, in de mooiste taal, een rauwe sensatie voelbaar.
Met Maurice Ravel keert de lichtheid terug. Zijn Deux épigrammes de Clément Marot zijn twee geestige miniaturen waarin taal en muziek perfect in balans zijn. De taal is die van de vroege renaissancedichter Clément Marot – en zo klinken ook de toonzettingen van Ravel: renaissancistisch.
Ravels Don Quichotte à Dulcinée omvat drie liederen die samen een klein theaterstuk vormen. Don Quichotte bezingt zijn aanbeden Dulcinea in drie gedaanten: als de romantische idealist, als de overtuigd gelovige, en als de drinkende levensgenieter. Ravel toont hier een fascinerend idee: liefde is niet één gevoel, maar een rol die je speelt – soms oprecht, soms komisch, soms tragisch. De drie mélodies zijn gebaseerd op verschillende Spaanse dansvormen, met elk hun eigen sfeerbepalende ritmische structuur.
Met Claude Debussy’s Fêtes galantes verandert het poëtisch perspectief. De liederen, op teksten van Verlaine, openen de deur naar het symbolisme: naar poëzie die niet vertelt, maar suggereert. Les Ingénus roept een jeugdige, ontluikende liefde op. Het onheil wordt aangekondigd in Le Faune. De kille antwoorden in de dialoog van Colloque sentimental roepen een troosteloos gedoofd liefdesleven tevoorschijn. Ook de muziek in deze liederen suggereert meer dan zij zegt; melodieën en harmonieën zweven, ritmes vervagen, cadensen lossen op in verwachtingsvolle stiltes. Zo vormt Debussy klanklandschappen die voortdurend van kleur veranderen.
Poulenc, Hahn en Ropartz
Met de Quatre poèmes de Guillaume Apollinaire van Francis Poulenc, geboren in het voorlaatste jaar van de negentiende eeuw, belanden we in een nieuwe tijd: in een modernistische traditie waarin de poëzie directer, vrijer, vaak ironisch en humoristisch is. De surrealistische taal van Apollinaire is beeldend, abrupt, soms bijna spreektaal. Poulenc volgt dat met muziek die onverwacht kan omslaan: van speels naar ontroerend, van simpel naar schrijnend. Hij combineert zijn gevoel voor melodie met klanken die het twintigste-eeuwse Parijs verraden met cabaret en straatmuziek, en onder de humor een melancholiek hart.
Charles Baudelaire is de dichter van verlangen en verval: van schoonheid die zowel aantrekkelijk is als bedreigend
Met Reynaldo Hahn doen we een stap terug in de tijd. Hahn belichaamt een wereld van verfijnde expressie, van Franse elegantie die bewust naar het verleden grijpt. Over zijn mélodies hangt een zweem van nostalgie: ze kijken al terug op het moment van ontstaan. Trois jours de vendange ademt de warmte van de herinnering. Néère roept de antieke Oudheid tot leven via het aantrekkelijke witmarmeren beeld van de mythologische nimf Neaera. À Chloris is een hommage aan de Barok. De piano zet de toon met zijn brutale verwijzing naar de beroemde Air uit Johann Sebastian Bachs Derde orkestsuite.
Guy Ropartz brengt een andere ernst in het programma. Zijn Quatre poèmes d’après l’Intermezzo op teksten van Heinrich Heine vormen een brug naar een gevoelswereld van donkere melancholie, bitterheid, introspectie. Heines ironie – de glimlach die pijn verbergt – sluit verrassend goed aan bij de mélodie française, maar Ropartz zet er sombere muziek onder vol harmonische spanning. Het gaat in de gedichten om eindigheid, om liefde die niet alleen treurig en weemoedig is maar ook existentiële vragen stelt. De vier liederen worden omarmd door een pre- en een postlude. De prelude begint met vier noten gelijktijdig aangeslagen over vier octaven die sterk doen denken aan het bekende Dies irae-thema uit de requiemmis; het motief speelt een rol in de hele liedcyclus en vormt ook de laatste noten van de postlude.
Strohl en Ravel
De meest bedrukkende liefdesrelaties treffen we aan bij de componiste Rita Strohl in haar Baudelaire-liederen. In Fantôme, Obsession en Madrigal triste krijgt de mélodie een expressionistische intensiteit. Charles Baudelaire is de dichter van verlangen en verval: van schoonheid die zowel aantrekkelijk is als bedreigend. Strohl vertaalt dat in geladen klankvelden, soms broeierig, soms scherp, soms dreigend.
Madrigal triste beschrijft in typische Baudelaire-beelden een liefdesrelatie waarin een sadomasochistisch spel van macht en onderwerping, dominantie en vernedering, angst, pijn en walging uitmondt in liefhebben in gelijkwaardigheid. Verwarrend. Hier barst de Franse elegantie open en wordt, in de mooiste taal, een rauwe sensatie voelbaar.
Met Maurice Ravel keert de lichtheid terug. Zijn Deux épigrammes de Clément Marot zijn twee geestige miniaturen waarin taal en muziek perfect in balans zijn. De taal is die van de vroege renaissancedichter Clément Marot – en zo klinken ook de toonzettingen van Ravel: renaissancistisch.
Ravels Don Quichotte à Dulcinée omvat drie liederen die samen een klein theaterstuk vormen. Don Quichotte bezingt zijn aanbeden Dulcinea in drie gedaanten: als de romantische idealist, als de overtuigd gelovige, en als de drinkende levensgenieter. Ravel toont hier een fascinerend idee: liefde is niet één gevoel, maar een rol die je speelt – soms oprecht, soms komisch, soms tragisch. De drie mélodies zijn gebaseerd op verschillende Spaanse dansvormen, met elk hun eigen sfeerbepalende ritmische structuur.
Toelichting
Franse meesters
Zoals bij een liedrecital zanger en pianist een gelijkwaardig duo vormen – wie spreekt er nog van pianobegeleiding? – zo leveren ook de componist en de tekstdichter een gelijkgeschakeld aandeel aan het lied, zeker aan het Franse lied. De zeven componisten in dit programma stellen dertien dichters aan u voor; Franse dichters (met uitzondering van de Duitse Heinrich Heine, al treedt hij aan in Franse bewerking). Ze zijn grof genomen tijdgenoten van de componisten: negentiende-eeuwers op twee na. Hun op muziek gezette gedichten vormen samen een klinkend college Franse liefdeslyriek, waarin uiteenlopende emotionele verhoudingen en liefdesverhalen worden geëtaleerd.
Fauré en Debussy
Gabriel Fauré, de componist die de mélodie française haar moderne vorm gaf, is ruim vertegenwoordigd. Zijn vroege cyclus Poème d’un jour is een dramatische miniatuur: drie liederen die een complete liefdesgeschiedenis vertellen. In Rencontre gloeit de opwinding van de eerste ontmoeting. In Toujours staat de tijd even stil in een belofte van eeuwigheid, die in Adieu genadeloos wordt neergesabeld. Fauré doet dit zonder grote theatrale gebaren. De tragiek zit in de harmonie die van onderaf begint te schuiven, alsof het fundament van de liefdesemotie langzaam instort.
In Le Secret wordt de geliefde verbeeld in de spanning tussen zeggen en zwijgen. In Au bord de l’eau verschijnt liefde als een stil moment aan de waterkant. Geluk is kwetsbaar. Zelfs in een ogenschijnlijk licht stuk, zoals Mandoline (op een tekst van Paul Verlaine), schuilt melancholie. Danseuse, een laat lied, toont hoe Fauré dwars door het leven heen kijkt: de dans is vreugdevol, maar ook een illusie die verdwijnt.
Franse meesters
Zoals bij een liedrecital zanger en pianist een gelijkwaardig duo vormen – wie spreekt er nog van pianobegeleiding? – zo leveren ook de componist en de tekstdichter een gelijkgeschakeld aandeel aan het lied, zeker aan het Franse lied. De zeven componisten in dit programma stellen dertien dichters aan u voor; Franse dichters (met uitzondering van de Duitse Heinrich Heine, al treedt hij aan in Franse bewerking). Ze zijn grof genomen tijdgenoten van de componisten: negentiende-eeuwers op twee na. Hun op muziek gezette gedichten vormen samen een klinkend college Franse liefdeslyriek, waarin uiteenlopende emotionele verhoudingen en liefdesverhalen worden geëtaleerd.
Fauré en Debussy
Gabriel Fauré, de componist die de mélodie française haar moderne vorm gaf, is ruim vertegenwoordigd. Zijn vroege cyclus Poème d’un jour is een dramatische miniatuur: drie liederen die een complete liefdesgeschiedenis vertellen. In Rencontre gloeit de opwinding van de eerste ontmoeting. In Toujours staat de tijd even stil in een belofte van eeuwigheid, die in Adieu genadeloos wordt neergesabeld. Fauré doet dit zonder grote theatrale gebaren. De tragiek zit in de harmonie die van onderaf begint te schuiven, alsof het fundament van de liefdesemotie langzaam instort.
In Le Secret wordt de geliefde verbeeld in de spanning tussen zeggen en zwijgen. In Au bord de l’eau verschijnt liefde als een stil moment aan de waterkant. Geluk is kwetsbaar. Zelfs in een ogenschijnlijk licht stuk, zoals Mandoline (op een tekst van Paul Verlaine), schuilt melancholie. Danseuse, een laat lied, toont hoe Fauré dwars door het leven heen kijkt: de dans is vreugdevol, maar ook een illusie die verdwijnt.
Met Claude Debussy’s Fêtes galantes verandert het poëtisch perspectief. De liederen, op teksten van Verlaine, openen de deur naar het symbolisme: naar poëzie die niet vertelt, maar suggereert. Les Ingénus roept een jeugdige, ontluikende liefde op. Het onheil wordt aangekondigd in Le Faune. De kille antwoorden in de dialoog van Colloque sentimental roepen een troosteloos gedoofd liefdesleven tevoorschijn. Ook de muziek in deze liederen suggereert meer dan zij zegt; melodieën en harmonieën zweven, ritmes vervagen, cadensen lossen op in verwachtingsvolle stiltes. Zo vormt Debussy klanklandschappen die voortdurend van kleur veranderen.
Poulenc, Hahn en Ropartz
Met de Quatre poèmes de Guillaume Apollinaire van Francis Poulenc, geboren in het voorlaatste jaar van de negentiende eeuw, belanden we in een nieuwe tijd: in een modernistische traditie waarin de poëzie directer, vrijer, vaak ironisch en humoristisch is. De surrealistische taal van Apollinaire is beeldend, abrupt, soms bijna spreektaal. Poulenc volgt dat met muziek die onverwacht kan omslaan: van speels naar ontroerend, van simpel naar schrijnend. Hij combineert zijn gevoel voor melodie met klanken die het twintigste-eeuwse Parijs verraden met cabaret en straatmuziek, en onder de humor een melancholiek hart.
Charles Baudelaire is de dichter van verlangen en verval: van schoonheid die zowel aantrekkelijk is als bedreigend
Met Reynaldo Hahn doen we een stap terug in de tijd. Hahn belichaamt een wereld van verfijnde expressie, van Franse elegantie die bewust naar het verleden grijpt. Over zijn mélodies hangt een zweem van nostalgie: ze kijken al terug op het moment van ontstaan. Trois jours de vendange ademt de warmte van de herinnering. Néère roept de antieke Oudheid tot leven via het aantrekkelijke witmarmeren beeld van de mythologische nimf Neaera. À Chloris is een hommage aan de Barok. De piano zet de toon met zijn brutale verwijzing naar de beroemde Air uit Johann Sebastian Bachs Derde orkestsuite.
Guy Ropartz brengt een andere ernst in het programma. Zijn Quatre poèmes d’après l’Intermezzo op teksten van Heinrich Heine vormen een brug naar een gevoelswereld van donkere melancholie, bitterheid, introspectie. Heines ironie – de glimlach die pijn verbergt – sluit verrassend goed aan bij de mélodie française, maar Ropartz zet er sombere muziek onder vol harmonische spanning. Het gaat in de gedichten om eindigheid, om liefde die niet alleen treurig en weemoedig is maar ook existentiële vragen stelt. De vier liederen worden omarmd door een pre- en een postlude. De prelude begint met vier noten gelijktijdig aangeslagen over vier octaven die sterk doen denken aan het bekende Dies irae-thema uit de requiemmis; het motief speelt een rol in de hele liedcyclus en vormt ook de laatste noten van de postlude.
Strohl en Ravel
De meest bedrukkende liefdesrelaties treffen we aan bij de componiste Rita Strohl in haar Baudelaire-liederen. In Fantôme, Obsession en Madrigal triste krijgt de mélodie een expressionistische intensiteit. Charles Baudelaire is de dichter van verlangen en verval: van schoonheid die zowel aantrekkelijk is als bedreigend. Strohl vertaalt dat in geladen klankvelden, soms broeierig, soms scherp, soms dreigend.
Madrigal triste beschrijft in typische Baudelaire-beelden een liefdesrelatie waarin een sadomasochistisch spel van macht en onderwerping, dominantie en vernedering, angst, pijn en walging uitmondt in liefhebben in gelijkwaardigheid. Verwarrend. Hier barst de Franse elegantie open en wordt, in de mooiste taal, een rauwe sensatie voelbaar.
Met Maurice Ravel keert de lichtheid terug. Zijn Deux épigrammes de Clément Marot zijn twee geestige miniaturen waarin taal en muziek perfect in balans zijn. De taal is die van de vroege renaissancedichter Clément Marot – en zo klinken ook de toonzettingen van Ravel: renaissancistisch.
Ravels Don Quichotte à Dulcinée omvat drie liederen die samen een klein theaterstuk vormen. Don Quichotte bezingt zijn aanbeden Dulcinea in drie gedaanten: als de romantische idealist, als de overtuigd gelovige, en als de drinkende levensgenieter. Ravel toont hier een fascinerend idee: liefde is niet één gevoel, maar een rol die je speelt – soms oprecht, soms komisch, soms tragisch. De drie mélodies zijn gebaseerd op verschillende Spaanse dansvormen, met elk hun eigen sfeerbepalende ritmische structuur.
Met Claude Debussy’s Fêtes galantes verandert het poëtisch perspectief. De liederen, op teksten van Verlaine, openen de deur naar het symbolisme: naar poëzie die niet vertelt, maar suggereert. Les Ingénus roept een jeugdige, ontluikende liefde op. Het onheil wordt aangekondigd in Le Faune. De kille antwoorden in de dialoog van Colloque sentimental roepen een troosteloos gedoofd liefdesleven tevoorschijn. Ook de muziek in deze liederen suggereert meer dan zij zegt; melodieën en harmonieën zweven, ritmes vervagen, cadensen lossen op in verwachtingsvolle stiltes. Zo vormt Debussy klanklandschappen die voortdurend van kleur veranderen.
Poulenc, Hahn en Ropartz
Met de Quatre poèmes de Guillaume Apollinaire van Francis Poulenc, geboren in het voorlaatste jaar van de negentiende eeuw, belanden we in een nieuwe tijd: in een modernistische traditie waarin de poëzie directer, vrijer, vaak ironisch en humoristisch is. De surrealistische taal van Apollinaire is beeldend, abrupt, soms bijna spreektaal. Poulenc volgt dat met muziek die onverwacht kan omslaan: van speels naar ontroerend, van simpel naar schrijnend. Hij combineert zijn gevoel voor melodie met klanken die het twintigste-eeuwse Parijs verraden met cabaret en straatmuziek, en onder de humor een melancholiek hart.
Charles Baudelaire is de dichter van verlangen en verval: van schoonheid die zowel aantrekkelijk is als bedreigend
Met Reynaldo Hahn doen we een stap terug in de tijd. Hahn belichaamt een wereld van verfijnde expressie, van Franse elegantie die bewust naar het verleden grijpt. Over zijn mélodies hangt een zweem van nostalgie: ze kijken al terug op het moment van ontstaan. Trois jours de vendange ademt de warmte van de herinnering. Néère roept de antieke Oudheid tot leven via het aantrekkelijke witmarmeren beeld van de mythologische nimf Neaera. À Chloris is een hommage aan de Barok. De piano zet de toon met zijn brutale verwijzing naar de beroemde Air uit Johann Sebastian Bachs Derde orkestsuite.
Guy Ropartz brengt een andere ernst in het programma. Zijn Quatre poèmes d’après l’Intermezzo op teksten van Heinrich Heine vormen een brug naar een gevoelswereld van donkere melancholie, bitterheid, introspectie. Heines ironie – de glimlach die pijn verbergt – sluit verrassend goed aan bij de mélodie française, maar Ropartz zet er sombere muziek onder vol harmonische spanning. Het gaat in de gedichten om eindigheid, om liefde die niet alleen treurig en weemoedig is maar ook existentiële vragen stelt. De vier liederen worden omarmd door een pre- en een postlude. De prelude begint met vier noten gelijktijdig aangeslagen over vier octaven die sterk doen denken aan het bekende Dies irae-thema uit de requiemmis; het motief speelt een rol in de hele liedcyclus en vormt ook de laatste noten van de postlude.
Strohl en Ravel
De meest bedrukkende liefdesrelaties treffen we aan bij de componiste Rita Strohl in haar Baudelaire-liederen. In Fantôme, Obsession en Madrigal triste krijgt de mélodie een expressionistische intensiteit. Charles Baudelaire is de dichter van verlangen en verval: van schoonheid die zowel aantrekkelijk is als bedreigend. Strohl vertaalt dat in geladen klankvelden, soms broeierig, soms scherp, soms dreigend.
Madrigal triste beschrijft in typische Baudelaire-beelden een liefdesrelatie waarin een sadomasochistisch spel van macht en onderwerping, dominantie en vernedering, angst, pijn en walging uitmondt in liefhebben in gelijkwaardigheid. Verwarrend. Hier barst de Franse elegantie open en wordt, in de mooiste taal, een rauwe sensatie voelbaar.
Met Maurice Ravel keert de lichtheid terug. Zijn Deux épigrammes de Clément Marot zijn twee geestige miniaturen waarin taal en muziek perfect in balans zijn. De taal is die van de vroege renaissancedichter Clément Marot – en zo klinken ook de toonzettingen van Ravel: renaissancistisch.
Ravels Don Quichotte à Dulcinée omvat drie liederen die samen een klein theaterstuk vormen. Don Quichotte bezingt zijn aanbeden Dulcinea in drie gedaanten: als de romantische idealist, als de overtuigd gelovige, en als de drinkende levensgenieter. Ravel toont hier een fascinerend idee: liefde is niet één gevoel, maar een rol die je speelt – soms oprecht, soms komisch, soms tragisch. De drie mélodies zijn gebaseerd op verschillende Spaanse dansvormen, met elk hun eigen sfeerbepalende ritmische structuur.
Biografie
Stéphane Degout, bariton
Stéphane Degout studeerde aan het Conservatoire National Supérieur de Musique de Lyon en werd vervolgens lid van het ensemble van de Opéra de Lyon en de Académie du Festival d’Aix en-Provence. Zijn debuut als Papageno in Die Zauberflöte van Mozart aldaar in 1999 lanceerde zijn internationale operacarrière.
Inmiddels treedt de Franse bariton op op de belangrijkste operapodia van Europa en de Verenigde Staten, en bij de International Opera Awards 2022 werd hij uitgeroepen tot ‘Male Singer of the Year’.
Hoogtepunten in het lopende seizoen waren de rollen van Wolfram in Wagners Tannhäuser met het Orchestre de la Suisse Romande in Genève en van Almaviva in Mozarts Le nozze di Figaro aan het Opernhaus Zürich. Stéphane Degout soleerde bij onder meer het Chicago Symphony Orchestra, de Los Angeles Philharmonic, het Orchestre National de France en het London Philharmonic Orchestra. In de Grote Zaal was hij recent te beluisteren in twee verschillende programma’s onder leiding van Raphaël Pichon: in Bachs Matthäus-Passion met diens gezelschap Pygmalion (31 maart) en in werken van Rameau en Gluck met het Concertgebouworkest (1 en 3 mei).
Als liedzanger studeerde Stéphane Degout bij Ruben Lifschitz en gaf hij recitals met de pianisten Alain Planès, Simon Lepper en Cédric Tiberghien. Recentelijk bracht hij Schumanns Dichterliebe op het Lausitz Festival met Martha Argerich. De meeste van de lied-cd’s die de zanger uitbracht betreffen het Franse repertoire. Het Concertgebouwdebuut van Stéphane Degout was op 20 april 2010 een recital in de Kleine Zaal; hij zong toen liederen van Dvořák, Liszt, Schubert, Hahn, Ravel en Chabrier.
Simon Lepper, piano
De Britse pianist Simon Lepper studeerde bij Michael Dussek aan de Royal Academy of Music in Londen en bij Ruben Lifschitz aan de Fondation Royaumont nabij Parijs. Momenteel is hij verbonden aan het Royal College of Music, waar hij onder meer vocaal repertoire coacht. Daarnaast is hij sinds 2003 vaste begeleider bij de BBC Cardiff Singer of the World Competition.
Simon Lepper gaf masterclasses aan het Mozarteum in Salzburg, de Fondation Royaumont, het Samling Institute for Young Artists en de Koningin Elisabeth Muziekkapel in Brussel. Als liedbegeleider werkte hij met zangers als Benjamin Appl, Stéphane Degout, Karen Cargill, Sally Matthews en Christiane Karg, met optredens in concertzalen als Wigmore Hall in Londen en Carnegie Hall in New York en in operahuizen als de Oper Frankfurt en De Munt in Brussel.
Andere hoogtepunten waren festivaluitvoeringen van de liedcycli van Schubert met Gerald Finley en Mark Padmore. Simon Leppers uitgebreide discografie leverde hem meerdere prijzen op, waaronder twee Opus Klassik Awards voor het Schubert-album The Path of Life met tenor Ilker Arcayürek en een Diapason d’Or voor Phantasy of Spring met violiste Carolin Widmann. Het vorige optreden van de pianist in de Kleine Zaal was een recital met sopraan Elizabeth Watts op 25 maart 2014.