Nog geen account of wachtwoord vergeten? Klik hier

Rising Stars: Áron Horváth & Emma Nagy

Rising Stars: Áron Horváth & Emma Nagy

Kleine Zaal
04 februari 2026
20.15 uur

Print dit programma

Áron Horváth cimbalom
Emma Nagy zang

Dit concert maakt deel uit van de serie Rising Stars. De musici zijn voorgedragen door Müpa ­Boedapest en Konzerthaus Wien.

SOLO

Johann Sebastian Bach (1685-1750)

Prelude
uit ‘Suite nr. 2 in d kl.t.’, BWV 1008 (ca. 1717-23)
oorspronkelijk voor cello solo 

Charlotte Bray (1982)

In an Eternal Dusk (2025)
Nederlandse première; in ­opdracht van Müpa Boedapest, ­Konzerthaus Wien en European Concert Hall Organisation 

György Kurtág (1926)

Hommage à Berényi Ferenc 70 (1997)

Johann Sebastian Bach

Fuga: Allegro
uit ‘Sonate nr. 1 in g kl.t.’, BWV 1001 (1720)
oorspronkelijk voor viool solo 

Emma Nagy (1998)

Glass Fragments (2025)

DUO

Emma Nagy

Satellite/Synced (2021)
Száll a Felhő… (2023)

Áron Horváth (2004)

Calm (2025)
Gottes Zeit (2025) 

Emma Nagy

Every Step Further (2021)

er is geen pauze
einde ± 21.30 uur 

Met dank aan het Fonds Hemelbestormers.

Kleine Zaal 04 februari 2026 20.15 uur

Áron Horváth cimbalom
Emma Nagy zang

Dit concert maakt deel uit van de serie Rising Stars. De musici zijn voorgedragen door Müpa ­Boedapest en Konzerthaus Wien.

SOLO

Johann Sebastian Bach (1685-1750)

Prelude
uit ‘Suite nr. 2 in d kl.t.’, BWV 1008 (ca. 1717-23)
oorspronkelijk voor cello solo 

Charlotte Bray (1982)

In an Eternal Dusk (2025)
Nederlandse première; in ­opdracht van Müpa Boedapest, ­Konzerthaus Wien en European Concert Hall Organisation 

György Kurtág (1926)

Hommage à Berényi Ferenc 70 (1997)

Johann Sebastian Bach

Fuga: Allegro
uit ‘Sonate nr. 1 in g kl.t.’, BWV 1001 (1720)
oorspronkelijk voor viool solo 

Emma Nagy (1998)

Glass Fragments (2025)

DUO

Emma Nagy

Satellite/Synced (2021)
Száll a Felhő… (2023)

Áron Horváth (2004)

Calm (2025)
Gottes Zeit (2025) 

Emma Nagy

Every Step Further (2021)

er is geen pauze
einde ± 21.30 uur 

Met dank aan het Fonds Hemelbestormers.

Toelichting

Toelichting

door Michiel Cleij

  • Hongaarse muziek

    Door: Olivia Ettema

    Hongaarse muziek

    Door: Olivia Ettema

  • Hongaarse muziek

    Door: Olivia Ettema

    Hongaarse muziek

    Door: Olivia Ettema

Arm Hongarije. Met een staatshoofd dat regelmatig nieuwe controverses oproept dreig je de muziek van het land te vergeten. Ja, popliefhebbers kennen het jaarlijkse Sziget Festival, maar dat maakt je nog niet veel wijzer over Hongarijes enorme muzikale erfenis. Hoofdstad Boedapest trekt miljoenen bezoekers, maar slechts weinigen daarvan gaan op zoek naar inheemse Roma-musici – al vormen die mobiele ensembles en kunnen ze overal opduiken. Een nog kleiner deel laaft zich aan de klanken van het cimbalom, het nationale snaarinstrument dat buiten Hongarije vooral bekend werd door filmcomponisten die een exotisch geluid zochten. Het lijkt bijna een natuurwet: er is veel muziek van ­Hongaarse origine, maar die hoor je pas via een omweg. 

Dat laatste geldt zeker voor de volksmuziek. In het achterland leven nog altijd authentieke speel- en danstradities voort. Ze hebben minder blootgestaan aan toeristische aandacht dan, bijvoorbeeld, flamencomuziek in Spanje; die werd al in de negentiende eeuw gekoesterd cultuurgoed en een lucratief export­artikel. Er waren een paar succesvolle Roma-­orkesten die door Europa toerden, maar Hongaarse volksmuziek bleef het karakter van een verborgen schatkist houden; men kende de inhoud omdat internationaal fameuze componisten er gretig in graaiden. Thuisblijvers kunnen daar tot op de dag van vandaag hun voordeel mee doen. Je hoort Hongarije in de werken van Franz Liszt, Béla Bartók en Zoltán Kodály – om de bekendsten te noemen – en indirect bij Johannes Brahms, die op jonge leeftijd geïnspireerd raakte door het inheemse repertoire van een bevriende ­Hongaarse violist. 

Het is niet uitzonderlijk dat componisten van de ­Romantiek zich op die folklore stortten; hetzelfde gebeurde tezelfdertijd in andere landen die hun nationale karakter wilden uitdragen. Volksmuziek gaf aan al dat vlagvertoon de pakkendste kleuren. Daardoor lijkt de Hongaarse muziekcultuur eenzijdiger dan die is, want het land excelleerde ook enige tijd in vroegchristelijke gezangen, schiep in de negentiende eeuw een nationale vorm van opera, en legde de basis voor een unieke klavierschool die vele internationale pianisten voortbracht. In de twintigste eeuw leverde Hongarije met György Ligeti (1923-2006) en György Kurtág (op 19 februari wordt hij honderd!) twee invloedrijke naoorlogse modernisten. Er valt dus heel wat te luisteren als je een complete indruk wilt krijgen. Logisch ook, gezien Hongarijes complexe  – om niet te zeggen chaotische – geschiedenis.

Bij de vorming van het Konink­rijk Hongarije in het jaar 1000 had het land al een voor Europa volstrekt uniek karakter, door de versmelting van Oegrische volkeren uit het noorden met de bewoners van oostelijk Turkije. Het idee van een eigen volksaard en een eigen cultuur zat er dan ook al vroeg in. Dat veranderde niet toen het land eerst door het Ottomaanse Rijk en vervolgens door het Habsburgse huis werd ingelijfd; nationalistische gevoelens werden veeleer aangewakkerd dan getemperd. Toch was het uiteindelijk de Oostenrijks-­Hongaarse dubbelmonarchie die de glorietijd bracht. Hongarije werd in 1867 een goeddeels zelfstandige, federale staat en kwam tot ongekende bloei; Boedapest kon in cultureel opzicht wedijveren met Wenen. Muzikaal was dat een win-win-situatie, omdat beide partijen elkaars muziekcultuur verrijkten. Hongaarse componisten volgden de klassieke voorbeelden die ze uit Oostenrijk aangereikt kregen en voegden daar hun eigen couleur locale aan toe. De meest ambitieuze was ­Ferenc Erkel, die de basis legde voor een Hongaarse operacultuur vol romantische verheerlijking van de nationale geschiedenis en tradities.

Op dat moment had zijn landgenoot Franz Liszt, de internationaal ­actieve pianovirtuoos, reeds het nodige ambassadeurswerk gedaan met zijn Hongaarse rapsodieën: flamboyante, exotisch gekruide muziek die in het buitenland onmiddellijk aansloeg. ­Johannes Brahms haakte er prompt op in met zijn Hongaarse dansen en overtrof daarmee zelfs het succes van Liszt. Om een idee te krijgen van Hongaarse volksdansen hoefde je niet verder te reizen dan de concertzaal om de hoek. En dat was maar een topje van de ijsberg, want in Hongarije zelf waren intussen aardig wat vergeetbare ­saloncomponisten opgestaan en vlogen de folkloristisch getinte ‘zigeuner­fantasieën’ je om de oren. Daarbij werd gemakshalve geen onderscheid meer gemaakt tussen, bijvoorbeeld, de ­verbunkos (een achttiende-eeuwse rekruteringsdans van het Hongaarse leger), de csárdás en traditionele Roma-­muziek; het stadse publiek hoorde het verschil toch niet. 

Wie de verschillen wél hoorden waren Zoltán Kodály en Béla Bartók, twee jonge componisten die vanaf 1908 musicologisch veldwerk verrichtten. In de ­Hongaarse provincies registreerden ze traditionele dansen en liederen, wat behalve academisch nut ook inspiratie­waarde had. Vooral Bartók ontwikkelde een volstrekt eigen componeertrant waarin oeroude folklore en ­modernisme samengingen; geen enkele andere componist was hem daarin voorgegaan. Helaas werd hij slachtoffer van de politieke instabiliteit na de Eerste Wereldoorlog. Bartóks aandacht voor de culturele verwantschap met buurlanden viel in het ultranationalistische Hongarije niet goed. Erkenning kwam voor Bartók pas postuum, toen hij als immigrant in Amerika was overleden.

Ook zijn navolgelingen Ligeti en Kurtág weken om politieke reden uit. In hun composities hoor je niet het Hongarije dat men gewend was. Wel resoneren de recente trauma’s van het land mee: het nazibewind, de Russische invasie en de Hongaarse opstand. Niet toevallig gebruikte regisseur Stanley Kubrick muziek van Bartók en Ligeti bij een aantal van zijn beklemmendste filmscènes. En zo kennen sommige mensen Hongaarse muziek alleen ­vanuit horrorperspectief.

En toch bereikt één staaltje oude Hongaarse glorie ons nog altijd in een directe, ongebroken lijn. Pianisten onderscheiden een specifieke ‘Hongaarse school’ waarvan Liszt de grondlegger was. Zijn opvattingen over partituurtrouw en voordracht zijn van generatie op generatie overgeleverd. András Schiff en Dénes Várjon behoren tot de fakkeldragers, evenals legendarische grootheden als György Sándor, Lili Kraus, Géza Anda en  – recenter –  Zoltán Kocsis. De laatste zei ooit dat je een discipel van de Hongaarse school al kon herkennen aan de manier waarop die achter de piano ging zitten. Van zo’n pianist wordt niet alleen technische perfectie verwacht –  iets waarop de Russische school nadruk legt –  maar ook een diep respect voor de intenties van de componist en kennis van diens historische achtergrond. Het gevolg is dat je als luisteraar de muziek dichter benadert dan ooit. En dat is mooi voor een land dat zich muzikaal vaak via omwegen presenteert.

Arm Hongarije. Met een staatshoofd dat regelmatig nieuwe controverses oproept dreig je de muziek van het land te vergeten. Ja, popliefhebbers kennen het jaarlijkse Sziget Festival, maar dat maakt je nog niet veel wijzer over Hongarijes enorme muzikale erfenis. Hoofdstad Boedapest trekt miljoenen bezoekers, maar slechts weinigen daarvan gaan op zoek naar inheemse Roma-musici – al vormen die mobiele ensembles en kunnen ze overal opduiken. Een nog kleiner deel laaft zich aan de klanken van het cimbalom, het nationale snaarinstrument dat buiten Hongarije vooral bekend werd door filmcomponisten die een exotisch geluid zochten. Het lijkt bijna een natuurwet: er is veel muziek van ­Hongaarse origine, maar die hoor je pas via een omweg. 

Dat laatste geldt zeker voor de volksmuziek. In het achterland leven nog altijd authentieke speel- en danstradities voort. Ze hebben minder blootgestaan aan toeristische aandacht dan, bijvoorbeeld, flamencomuziek in Spanje; die werd al in de negentiende eeuw gekoesterd cultuurgoed en een lucratief export­artikel. Er waren een paar succesvolle Roma-­orkesten die door Europa toerden, maar Hongaarse volksmuziek bleef het karakter van een verborgen schatkist houden; men kende de inhoud omdat internationaal fameuze componisten er gretig in graaiden. Thuisblijvers kunnen daar tot op de dag van vandaag hun voordeel mee doen. Je hoort Hongarije in de werken van Franz Liszt, Béla Bartók en Zoltán Kodály – om de bekendsten te noemen – en indirect bij Johannes Brahms, die op jonge leeftijd geïnspireerd raakte door het inheemse repertoire van een bevriende ­Hongaarse violist. 

Het is niet uitzonderlijk dat componisten van de ­Romantiek zich op die folklore stortten; hetzelfde gebeurde tezelfdertijd in andere landen die hun nationale karakter wilden uitdragen. Volksmuziek gaf aan al dat vlagvertoon de pakkendste kleuren. Daardoor lijkt de Hongaarse muziekcultuur eenzijdiger dan die is, want het land excelleerde ook enige tijd in vroegchristelijke gezangen, schiep in de negentiende eeuw een nationale vorm van opera, en legde de basis voor een unieke klavierschool die vele internationale pianisten voortbracht. In de twintigste eeuw leverde Hongarije met György Ligeti (1923-2006) en György Kurtág (op 19 februari wordt hij honderd!) twee invloedrijke naoorlogse modernisten. Er valt dus heel wat te luisteren als je een complete indruk wilt krijgen. Logisch ook, gezien Hongarijes complexe  – om niet te zeggen chaotische – geschiedenis.

Bij de vorming van het Konink­rijk Hongarije in het jaar 1000 had het land al een voor Europa volstrekt uniek karakter, door de versmelting van Oegrische volkeren uit het noorden met de bewoners van oostelijk Turkije. Het idee van een eigen volksaard en een eigen cultuur zat er dan ook al vroeg in. Dat veranderde niet toen het land eerst door het Ottomaanse Rijk en vervolgens door het Habsburgse huis werd ingelijfd; nationalistische gevoelens werden veeleer aangewakkerd dan getemperd. Toch was het uiteindelijk de Oostenrijks-­Hongaarse dubbelmonarchie die de glorietijd bracht. Hongarije werd in 1867 een goeddeels zelfstandige, federale staat en kwam tot ongekende bloei; Boedapest kon in cultureel opzicht wedijveren met Wenen. Muzikaal was dat een win-win-situatie, omdat beide partijen elkaars muziekcultuur verrijkten. Hongaarse componisten volgden de klassieke voorbeelden die ze uit Oostenrijk aangereikt kregen en voegden daar hun eigen couleur locale aan toe. De meest ambitieuze was ­Ferenc Erkel, die de basis legde voor een Hongaarse operacultuur vol romantische verheerlijking van de nationale geschiedenis en tradities.

Op dat moment had zijn landgenoot Franz Liszt, de internationaal ­actieve pianovirtuoos, reeds het nodige ambassadeurswerk gedaan met zijn Hongaarse rapsodieën: flamboyante, exotisch gekruide muziek die in het buitenland onmiddellijk aansloeg. ­Johannes Brahms haakte er prompt op in met zijn Hongaarse dansen en overtrof daarmee zelfs het succes van Liszt. Om een idee te krijgen van Hongaarse volksdansen hoefde je niet verder te reizen dan de concertzaal om de hoek. En dat was maar een topje van de ijsberg, want in Hongarije zelf waren intussen aardig wat vergeetbare ­saloncomponisten opgestaan en vlogen de folkloristisch getinte ‘zigeuner­fantasieën’ je om de oren. Daarbij werd gemakshalve geen onderscheid meer gemaakt tussen, bijvoorbeeld, de ­verbunkos (een achttiende-eeuwse rekruteringsdans van het Hongaarse leger), de csárdás en traditionele Roma-­muziek; het stadse publiek hoorde het verschil toch niet. 

Wie de verschillen wél hoorden waren Zoltán Kodály en Béla Bartók, twee jonge componisten die vanaf 1908 musicologisch veldwerk verrichtten. In de ­Hongaarse provincies registreerden ze traditionele dansen en liederen, wat behalve academisch nut ook inspiratie­waarde had. Vooral Bartók ontwikkelde een volstrekt eigen componeertrant waarin oeroude folklore en ­modernisme samengingen; geen enkele andere componist was hem daarin voorgegaan. Helaas werd hij slachtoffer van de politieke instabiliteit na de Eerste Wereldoorlog. Bartóks aandacht voor de culturele verwantschap met buurlanden viel in het ultranationalistische Hongarije niet goed. Erkenning kwam voor Bartók pas postuum, toen hij als immigrant in Amerika was overleden.

Ook zijn navolgelingen Ligeti en Kurtág weken om politieke reden uit. In hun composities hoor je niet het Hongarije dat men gewend was. Wel resoneren de recente trauma’s van het land mee: het nazibewind, de Russische invasie en de Hongaarse opstand. Niet toevallig gebruikte regisseur Stanley Kubrick muziek van Bartók en Ligeti bij een aantal van zijn beklemmendste filmscènes. En zo kennen sommige mensen Hongaarse muziek alleen ­vanuit horrorperspectief.

En toch bereikt één staaltje oude Hongaarse glorie ons nog altijd in een directe, ongebroken lijn. Pianisten onderscheiden een specifieke ‘Hongaarse school’ waarvan Liszt de grondlegger was. Zijn opvattingen over partituurtrouw en voordracht zijn van generatie op generatie overgeleverd. András Schiff en Dénes Várjon behoren tot de fakkeldragers, evenals legendarische grootheden als György Sándor, Lili Kraus, Géza Anda en  – recenter –  Zoltán Kocsis. De laatste zei ooit dat je een discipel van de Hongaarse school al kon herkennen aan de manier waarop die achter de piano ging zitten. Van zo’n pianist wordt niet alleen technische perfectie verwacht –  iets waarop de Russische school nadruk legt –  maar ook een diep respect voor de intenties van de componist en kennis van diens historische achtergrond. Het gevolg is dat je als luisteraar de muziek dichter benadert dan ooit. En dat is mooi voor een land dat zich muzikaal vaak via omwegen presenteert.

door Michiel Cleij

Toelichting

door Michiel Cleij

  • Hongaarse muziek

    Door: Olivia Ettema

    Hongaarse muziek

    Door: Olivia Ettema

  • Hongaarse muziek

    Door: Olivia Ettema

    Hongaarse muziek

    Door: Olivia Ettema

Arm Hongarije. Met een staatshoofd dat regelmatig nieuwe controverses oproept dreig je de muziek van het land te vergeten. Ja, popliefhebbers kennen het jaarlijkse Sziget Festival, maar dat maakt je nog niet veel wijzer over Hongarijes enorme muzikale erfenis. Hoofdstad Boedapest trekt miljoenen bezoekers, maar slechts weinigen daarvan gaan op zoek naar inheemse Roma-musici – al vormen die mobiele ensembles en kunnen ze overal opduiken. Een nog kleiner deel laaft zich aan de klanken van het cimbalom, het nationale snaarinstrument dat buiten Hongarije vooral bekend werd door filmcomponisten die een exotisch geluid zochten. Het lijkt bijna een natuurwet: er is veel muziek van ­Hongaarse origine, maar die hoor je pas via een omweg. 

Dat laatste geldt zeker voor de volksmuziek. In het achterland leven nog altijd authentieke speel- en danstradities voort. Ze hebben minder blootgestaan aan toeristische aandacht dan, bijvoorbeeld, flamencomuziek in Spanje; die werd al in de negentiende eeuw gekoesterd cultuurgoed en een lucratief export­artikel. Er waren een paar succesvolle Roma-­orkesten die door Europa toerden, maar Hongaarse volksmuziek bleef het karakter van een verborgen schatkist houden; men kende de inhoud omdat internationaal fameuze componisten er gretig in graaiden. Thuisblijvers kunnen daar tot op de dag van vandaag hun voordeel mee doen. Je hoort Hongarije in de werken van Franz Liszt, Béla Bartók en Zoltán Kodály – om de bekendsten te noemen – en indirect bij Johannes Brahms, die op jonge leeftijd geïnspireerd raakte door het inheemse repertoire van een bevriende ­Hongaarse violist. 

Het is niet uitzonderlijk dat componisten van de ­Romantiek zich op die folklore stortten; hetzelfde gebeurde tezelfdertijd in andere landen die hun nationale karakter wilden uitdragen. Volksmuziek gaf aan al dat vlagvertoon de pakkendste kleuren. Daardoor lijkt de Hongaarse muziekcultuur eenzijdiger dan die is, want het land excelleerde ook enige tijd in vroegchristelijke gezangen, schiep in de negentiende eeuw een nationale vorm van opera, en legde de basis voor een unieke klavierschool die vele internationale pianisten voortbracht. In de twintigste eeuw leverde Hongarije met György Ligeti (1923-2006) en György Kurtág (op 19 februari wordt hij honderd!) twee invloedrijke naoorlogse modernisten. Er valt dus heel wat te luisteren als je een complete indruk wilt krijgen. Logisch ook, gezien Hongarijes complexe  – om niet te zeggen chaotische – geschiedenis.

Bij de vorming van het Konink­rijk Hongarije in het jaar 1000 had het land al een voor Europa volstrekt uniek karakter, door de versmelting van Oegrische volkeren uit het noorden met de bewoners van oostelijk Turkije. Het idee van een eigen volksaard en een eigen cultuur zat er dan ook al vroeg in. Dat veranderde niet toen het land eerst door het Ottomaanse Rijk en vervolgens door het Habsburgse huis werd ingelijfd; nationalistische gevoelens werden veeleer aangewakkerd dan getemperd. Toch was het uiteindelijk de Oostenrijks-­Hongaarse dubbelmonarchie die de glorietijd bracht. Hongarije werd in 1867 een goeddeels zelfstandige, federale staat en kwam tot ongekende bloei; Boedapest kon in cultureel opzicht wedijveren met Wenen. Muzikaal was dat een win-win-situatie, omdat beide partijen elkaars muziekcultuur verrijkten. Hongaarse componisten volgden de klassieke voorbeelden die ze uit Oostenrijk aangereikt kregen en voegden daar hun eigen couleur locale aan toe. De meest ambitieuze was ­Ferenc Erkel, die de basis legde voor een Hongaarse operacultuur vol romantische verheerlijking van de nationale geschiedenis en tradities.

Op dat moment had zijn landgenoot Franz Liszt, de internationaal ­actieve pianovirtuoos, reeds het nodige ambassadeurswerk gedaan met zijn Hongaarse rapsodieën: flamboyante, exotisch gekruide muziek die in het buitenland onmiddellijk aansloeg. ­Johannes Brahms haakte er prompt op in met zijn Hongaarse dansen en overtrof daarmee zelfs het succes van Liszt. Om een idee te krijgen van Hongaarse volksdansen hoefde je niet verder te reizen dan de concertzaal om de hoek. En dat was maar een topje van de ijsberg, want in Hongarije zelf waren intussen aardig wat vergeetbare ­saloncomponisten opgestaan en vlogen de folkloristisch getinte ‘zigeuner­fantasieën’ je om de oren. Daarbij werd gemakshalve geen onderscheid meer gemaakt tussen, bijvoorbeeld, de ­verbunkos (een achttiende-eeuwse rekruteringsdans van het Hongaarse leger), de csárdás en traditionele Roma-­muziek; het stadse publiek hoorde het verschil toch niet. 

Wie de verschillen wél hoorden waren Zoltán Kodály en Béla Bartók, twee jonge componisten die vanaf 1908 musicologisch veldwerk verrichtten. In de ­Hongaarse provincies registreerden ze traditionele dansen en liederen, wat behalve academisch nut ook inspiratie­waarde had. Vooral Bartók ontwikkelde een volstrekt eigen componeertrant waarin oeroude folklore en ­modernisme samengingen; geen enkele andere componist was hem daarin voorgegaan. Helaas werd hij slachtoffer van de politieke instabiliteit na de Eerste Wereldoorlog. Bartóks aandacht voor de culturele verwantschap met buurlanden viel in het ultranationalistische Hongarije niet goed. Erkenning kwam voor Bartók pas postuum, toen hij als immigrant in Amerika was overleden.

Ook zijn navolgelingen Ligeti en Kurtág weken om politieke reden uit. In hun composities hoor je niet het Hongarije dat men gewend was. Wel resoneren de recente trauma’s van het land mee: het nazibewind, de Russische invasie en de Hongaarse opstand. Niet toevallig gebruikte regisseur Stanley Kubrick muziek van Bartók en Ligeti bij een aantal van zijn beklemmendste filmscènes. En zo kennen sommige mensen Hongaarse muziek alleen ­vanuit horrorperspectief.

En toch bereikt één staaltje oude Hongaarse glorie ons nog altijd in een directe, ongebroken lijn. Pianisten onderscheiden een specifieke ‘Hongaarse school’ waarvan Liszt de grondlegger was. Zijn opvattingen over partituurtrouw en voordracht zijn van generatie op generatie overgeleverd. András Schiff en Dénes Várjon behoren tot de fakkeldragers, evenals legendarische grootheden als György Sándor, Lili Kraus, Géza Anda en  – recenter –  Zoltán Kocsis. De laatste zei ooit dat je een discipel van de Hongaarse school al kon herkennen aan de manier waarop die achter de piano ging zitten. Van zo’n pianist wordt niet alleen technische perfectie verwacht –  iets waarop de Russische school nadruk legt –  maar ook een diep respect voor de intenties van de componist en kennis van diens historische achtergrond. Het gevolg is dat je als luisteraar de muziek dichter benadert dan ooit. En dat is mooi voor een land dat zich muzikaal vaak via omwegen presenteert.

Arm Hongarije. Met een staatshoofd dat regelmatig nieuwe controverses oproept dreig je de muziek van het land te vergeten. Ja, popliefhebbers kennen het jaarlijkse Sziget Festival, maar dat maakt je nog niet veel wijzer over Hongarijes enorme muzikale erfenis. Hoofdstad Boedapest trekt miljoenen bezoekers, maar slechts weinigen daarvan gaan op zoek naar inheemse Roma-musici – al vormen die mobiele ensembles en kunnen ze overal opduiken. Een nog kleiner deel laaft zich aan de klanken van het cimbalom, het nationale snaarinstrument dat buiten Hongarije vooral bekend werd door filmcomponisten die een exotisch geluid zochten. Het lijkt bijna een natuurwet: er is veel muziek van ­Hongaarse origine, maar die hoor je pas via een omweg. 

Dat laatste geldt zeker voor de volksmuziek. In het achterland leven nog altijd authentieke speel- en danstradities voort. Ze hebben minder blootgestaan aan toeristische aandacht dan, bijvoorbeeld, flamencomuziek in Spanje; die werd al in de negentiende eeuw gekoesterd cultuurgoed en een lucratief export­artikel. Er waren een paar succesvolle Roma-­orkesten die door Europa toerden, maar Hongaarse volksmuziek bleef het karakter van een verborgen schatkist houden; men kende de inhoud omdat internationaal fameuze componisten er gretig in graaiden. Thuisblijvers kunnen daar tot op de dag van vandaag hun voordeel mee doen. Je hoort Hongarije in de werken van Franz Liszt, Béla Bartók en Zoltán Kodály – om de bekendsten te noemen – en indirect bij Johannes Brahms, die op jonge leeftijd geïnspireerd raakte door het inheemse repertoire van een bevriende ­Hongaarse violist. 

Het is niet uitzonderlijk dat componisten van de ­Romantiek zich op die folklore stortten; hetzelfde gebeurde tezelfdertijd in andere landen die hun nationale karakter wilden uitdragen. Volksmuziek gaf aan al dat vlagvertoon de pakkendste kleuren. Daardoor lijkt de Hongaarse muziekcultuur eenzijdiger dan die is, want het land excelleerde ook enige tijd in vroegchristelijke gezangen, schiep in de negentiende eeuw een nationale vorm van opera, en legde de basis voor een unieke klavierschool die vele internationale pianisten voortbracht. In de twintigste eeuw leverde Hongarije met György Ligeti (1923-2006) en György Kurtág (op 19 februari wordt hij honderd!) twee invloedrijke naoorlogse modernisten. Er valt dus heel wat te luisteren als je een complete indruk wilt krijgen. Logisch ook, gezien Hongarijes complexe  – om niet te zeggen chaotische – geschiedenis.

Bij de vorming van het Konink­rijk Hongarije in het jaar 1000 had het land al een voor Europa volstrekt uniek karakter, door de versmelting van Oegrische volkeren uit het noorden met de bewoners van oostelijk Turkije. Het idee van een eigen volksaard en een eigen cultuur zat er dan ook al vroeg in. Dat veranderde niet toen het land eerst door het Ottomaanse Rijk en vervolgens door het Habsburgse huis werd ingelijfd; nationalistische gevoelens werden veeleer aangewakkerd dan getemperd. Toch was het uiteindelijk de Oostenrijks-­Hongaarse dubbelmonarchie die de glorietijd bracht. Hongarije werd in 1867 een goeddeels zelfstandige, federale staat en kwam tot ongekende bloei; Boedapest kon in cultureel opzicht wedijveren met Wenen. Muzikaal was dat een win-win-situatie, omdat beide partijen elkaars muziekcultuur verrijkten. Hongaarse componisten volgden de klassieke voorbeelden die ze uit Oostenrijk aangereikt kregen en voegden daar hun eigen couleur locale aan toe. De meest ambitieuze was ­Ferenc Erkel, die de basis legde voor een Hongaarse operacultuur vol romantische verheerlijking van de nationale geschiedenis en tradities.

Op dat moment had zijn landgenoot Franz Liszt, de internationaal ­actieve pianovirtuoos, reeds het nodige ambassadeurswerk gedaan met zijn Hongaarse rapsodieën: flamboyante, exotisch gekruide muziek die in het buitenland onmiddellijk aansloeg. ­Johannes Brahms haakte er prompt op in met zijn Hongaarse dansen en overtrof daarmee zelfs het succes van Liszt. Om een idee te krijgen van Hongaarse volksdansen hoefde je niet verder te reizen dan de concertzaal om de hoek. En dat was maar een topje van de ijsberg, want in Hongarije zelf waren intussen aardig wat vergeetbare ­saloncomponisten opgestaan en vlogen de folkloristisch getinte ‘zigeuner­fantasieën’ je om de oren. Daarbij werd gemakshalve geen onderscheid meer gemaakt tussen, bijvoorbeeld, de ­verbunkos (een achttiende-eeuwse rekruteringsdans van het Hongaarse leger), de csárdás en traditionele Roma-­muziek; het stadse publiek hoorde het verschil toch niet. 

Wie de verschillen wél hoorden waren Zoltán Kodály en Béla Bartók, twee jonge componisten die vanaf 1908 musicologisch veldwerk verrichtten. In de ­Hongaarse provincies registreerden ze traditionele dansen en liederen, wat behalve academisch nut ook inspiratie­waarde had. Vooral Bartók ontwikkelde een volstrekt eigen componeertrant waarin oeroude folklore en ­modernisme samengingen; geen enkele andere componist was hem daarin voorgegaan. Helaas werd hij slachtoffer van de politieke instabiliteit na de Eerste Wereldoorlog. Bartóks aandacht voor de culturele verwantschap met buurlanden viel in het ultranationalistische Hongarije niet goed. Erkenning kwam voor Bartók pas postuum, toen hij als immigrant in Amerika was overleden.

Ook zijn navolgelingen Ligeti en Kurtág weken om politieke reden uit. In hun composities hoor je niet het Hongarije dat men gewend was. Wel resoneren de recente trauma’s van het land mee: het nazibewind, de Russische invasie en de Hongaarse opstand. Niet toevallig gebruikte regisseur Stanley Kubrick muziek van Bartók en Ligeti bij een aantal van zijn beklemmendste filmscènes. En zo kennen sommige mensen Hongaarse muziek alleen ­vanuit horrorperspectief.

En toch bereikt één staaltje oude Hongaarse glorie ons nog altijd in een directe, ongebroken lijn. Pianisten onderscheiden een specifieke ‘Hongaarse school’ waarvan Liszt de grondlegger was. Zijn opvattingen over partituurtrouw en voordracht zijn van generatie op generatie overgeleverd. András Schiff en Dénes Várjon behoren tot de fakkeldragers, evenals legendarische grootheden als György Sándor, Lili Kraus, Géza Anda en  – recenter –  Zoltán Kocsis. De laatste zei ooit dat je een discipel van de Hongaarse school al kon herkennen aan de manier waarop die achter de piano ging zitten. Van zo’n pianist wordt niet alleen technische perfectie verwacht –  iets waarop de Russische school nadruk legt –  maar ook een diep respect voor de intenties van de componist en kennis van diens historische achtergrond. Het gevolg is dat je als luisteraar de muziek dichter benadert dan ooit. En dat is mooi voor een land dat zich muzikaal vaak via omwegen presenteert.

door Michiel Cleij

Biografie

Áron Horváth, cimbalom

De Hongaarse ­cimbalomspeler Áron Horváth bespeelt zijn instrument al sinds zijn ­zevende. Aanvankelijk concentreerde hij zich op de volksmuziek van zijn vaderland en hij besteedde de eerste acht jaar van zijn studie aan het beheersen van dit traditionele repertoire. In 2016 won hij de instrumentale categorie van de prestigieuze Hongaarse tv-­competitie Fölszállott a Páva, een belangrijke mijlpaal aan het begin van zijn carrière.

Om zijn muzikale horizon te verbreden vervolgde hij in 2019 zijn opleiding bij de vooraanstaande cimbalomspeler Miklós Lukács, bij wie hij klassieke muziek en improvisatie studeerde. Een belangrijk moment in zijn ontwikkeling was zijn ontmoeting in 2021 met de Hongaarse jazzsaxofonist Mihály Dresch, die hem in aanraking bracht met een genre dat hem sindsdien blijft inspireren.

In 2023 werd Áron Horváth toegelaten tot de Franz Liszt Muziekacademie in Boedapest om zijn studie klassiek cimbalom voort te zetten. Hij treedt regelmatig op en maakt cd-opnamen met diverse jazz- en wereldmuziekensembles, waaronder Elán, Intergeese en Sarjú Banda. Dit seizoen tourt hij als Rising Star van de European Concert Hall Organisation door Europa, en zo maakt hij nu ook zijn debuut in Het Concertgebouw.

Emma Nagy, zang

Emma Nagy werd geboren in een klein stadje in de buurt van Boedapest en begon op vierjarige leeftijd met vioolspelen. Tot haar achttiende volgde ze een opleiding tot klassiek violiste, maar toen ze kennismaakte met jazz en improvisatie en omdat ze al sinds haar kindertijd volksliederen zong, besloot ze zich verder te ontwikkelen als zangeres.

In haar eerste conservatoriumjaar richtte ze een band op die zich volledig toelegde op het spelen van eigen composities met improvisatie. Dit Nagy Emma Quintet heeft sindsdien opgetreden in onder meer Spanje, Rome, Zuid-Tirol, Polen en Baskenland, en onlangs stond het op het Jarasum Jazz Festival in Zuid-Korea.

In thuisland Hongarije heeft het kwintet van Emma Nagy de Fonogram Award, de Artisjus Award en de Müpa Jazz Showcase Prize gewonnen, en in Polen de Krakow Jazz Juniors Grand Prize. Recent trad de groep op met de Britse jazzsaxofonist en rapper Soweto Kinch. Emma Nagy is betrokken bij de Modern Art Orchestra Big Band en studeert momenteel klassieke compositie aan de Liszt Muziekacademie in Boedapest.