Quatuor Modigliani speelt Brahms en Haydn
Kleine Zaal 18 april 2026 20.15 uur
Quatuor Modigliani:
Amaury Coeytaux viool
Loïc Rio viool
Laurent Marfaing altviool
François Kieffer cello
Dit programma maakt deel uit van de serie Wereldberoemde Strijkkwartetten.
György Kurtág (1926)
Twaalf microludes voor strijkkwartet, op. 13 (1977-78)
‘Hommage à Mihály András’
nr. 1
nr. 2
nr. 3
nr. 4 Presto
nr. 5 Lontano, calmo, appena sentito
nr. 6
nr. 7
nr. 8 Con slancio
nr. 9 Leggiero – Pesante, con moto
nr. 10 Molto agitato – più presto
nr. 11
nr. 12 Leggiero, con moto, non dolce
Joseph Haydn (1732-1809)
Strijkkwartet in F gr.t., op. 77 nr. 2, Hob III: 82 (1799)
‘Lobkowitz’
Allegro moderato
Menuet: Presto – Trio
Andante
Finale: Vivace assai
pauze ± 20.55 uur
Johannes Brahms (1833-1897)
Strijkkwartet in c kl.t., op. 51 nr. 1 (1865-73)
Allegro
Romanza: Poco adagio
Allegretto molto moderato e comodo
Allegro
einde ± 22.00 uur
Quatuor Modigliani:
Amaury Coeytaux viool
Loïc Rio viool
Laurent Marfaing altviool
François Kieffer cello
Dit programma maakt deel uit van de serie Wereldberoemde Strijkkwartetten.
György Kurtág (1926)
Twaalf microludes voor strijkkwartet, op. 13 (1977-78)
‘Hommage à Mihály András’
nr. 1
nr. 2
nr. 3
nr. 4 Presto
nr. 5 Lontano, calmo, appena sentito
nr. 6
nr. 7
nr. 8 Con slancio
nr. 9 Leggiero – Pesante, con moto
nr. 10 Molto agitato – più presto
nr. 11
nr. 12 Leggiero, con moto, non dolce
Joseph Haydn (1732-1809)
Strijkkwartet in F gr.t., op. 77 nr. 2, Hob III: 82 (1799)
‘Lobkowitz’
Allegro moderato
Menuet: Presto – Trio
Andante
Finale: Vivace assai
pauze ± 20.55 uur
Johannes Brahms (1833-1897)
Strijkkwartet in c kl.t., op. 51 nr. 1 (1865-73)
Allegro
Romanza: Poco adagio
Allegretto molto moderato e comodo
Allegro
einde ± 22.00 uur
Toelichting
Toelichting
De strijkkwartetten die vandaag klinken zijn stuk voor stuk werken van door de wol geverfde componisten in de bloei of, in Haydns geval, aan het eind van hun leven. Van Haydn wordt zijn laatste kwartet gespeeld en van Brahms zijn eersteling.
De strijkkwartetten die vandaag klinken zijn stuk voor stuk werken van door de wol geverfde componisten in de bloei of, in Haydns geval, aan het eind van hun leven. Van Haydn wordt zijn laatste kwartet gespeeld en van Brahms zijn eersteling.
György Kurtág (1926)
Twaalf microludes
György Kurtág werd op 19 februari 1926 geboren in het huidige Roemenië in een Hongaars-Joods gezin. Hij studeerde aanvankelijk in Boedapest en werd in 1948 Hongaars staatsburger. Na de Hongaarse opstand van 1956 vertrok hij naar Parijs om compositie te studeren bij Olivier Messiaen en Darius Milhaud. In 1958 keerde hij terug naar Boedapest, waar hij onder andere aan de Franz Liszt Muziekacademie les gaf. In 1986 ging hij officieel met pensioen maar hij bleef nog jaren lesgeven. In de jaren tachtig kwam zijn internationale doorbraak als componist. Kurtág, die op 19 februari 100 jaar werd, geldt nog steeds als een van de belangrijkste Hongaarse componisten van onze tijd.
György Kurtág werd op 19 februari 1926 geboren in het huidige Roemenië in een Hongaars-Joods gezin. Hij studeerde aanvankelijk in Boedapest en werd in 1948 Hongaars staatsburger. Na de Hongaarse opstand van 1956 vertrok hij naar Parijs om compositie te studeren bij Olivier Messiaen en Darius Milhaud. In 1958 keerde hij terug naar Boedapest, waar hij onder andere aan de Franz Liszt Muziekacademie les gaf. In 1986 ging hij officieel met pensioen maar hij bleef nog jaren lesgeven. In de jaren tachtig kwam zijn internationale doorbraak als componist. Kurtág, die op 19 februari 100 jaar werd, geldt nog steeds als een van de belangrijkste Hongaarse componisten van onze tijd.
In 1968 had Kurtág een soort writer’s block dat vijf jaar duurde. Toen een collega hem vroeg om stukjes voor kinderen te componeren vond hij zijn plezier terug. Hij ging experimenteren met notatiesystemen die de uitvoerders moesten inspireren tot spontane muzikale uitingen als vrije declamatie en gregoriaans gezang. De meeste composities vanaf 1973 bevatten dan ook een spelelement en Twaalf microludes voor strijkkwartet zijn hier geen uitzondering op; de term microlude betekent ‘klein spelletje’. Elk deel van de cyclus is gebaseerd op een van de twaalf tonen in het octaaf; de deeltjes zijn heel uiteenlopend van karakter. Kurtág schreef de reeks bij de zestigste verjaardag van zijn vriend Mihály András, componist en dirigent en betrokken bij uitvoeringen van veel van Kurtágs vroegere werk.
In 1968 had Kurtág een soort writer’s block dat vijf jaar duurde. Toen een collega hem vroeg om stukjes voor kinderen te componeren vond hij zijn plezier terug. Hij ging experimenteren met notatiesystemen die de uitvoerders moesten inspireren tot spontane muzikale uitingen als vrije declamatie en gregoriaans gezang. De meeste composities vanaf 1973 bevatten dan ook een spelelement en Twaalf microludes voor strijkkwartet zijn hier geen uitzondering op; de term microlude betekent ‘klein spelletje’. Elk deel van de cyclus is gebaseerd op een van de twaalf tonen in het octaaf; de deeltjes zijn heel uiteenlopend van karakter. Kurtág schreef de reeks bij de zestigste verjaardag van zijn vriend Mihály András, componist en dirigent en betrokken bij uitvoeringen van veel van Kurtágs vroegere werk.
Joseph Haydn (1732-1809)
Strijkkwartet
Dankzij het enorme enthousiasme en een compositieopdracht van prins Lobkowitz, amateurviolist en mecenas van de achttiende-eeuwse muziekwereld, begon Joseph Haydn aan het eind van zijn leven nog aan een serie van zes strijkkwartetten. Omdat hij eigenlijk bezig was met Die Jahreszeiten voltooide hij er maar twee, maar dat zijn absolute hoogtepunten in het genre. Het tweede, het Strijkkwartet in F groot, opus 77 nr. 2 is gecomponeerd met de ervaring van een rijpe componist, maar straalt de levenslust uit van een jonge componist. Het is een prachtige, opwekkende en dansante compositie, waarin de volledige bandbreedte van de vreugde en kunst van het musiceren te horen is.
Dankzij het enorme enthousiasme en een compositieopdracht van prins Lobkowitz, amateurviolist en mecenas van de achttiende-eeuwse muziekwereld, begon Joseph Haydn aan het eind van zijn leven nog aan een serie van zes strijkkwartetten. Omdat hij eigenlijk bezig was met Die Jahreszeiten voltooide hij er maar twee, maar dat zijn absolute hoogtepunten in het genre. Het tweede, het Strijkkwartet in F groot, opus 77 nr. 2 is gecomponeerd met de ervaring van een rijpe componist, maar straalt de levenslust uit van een jonge componist. Het is een prachtige, opwekkende en dansante compositie, waarin de volledige bandbreedte van de vreugde en kunst van het musiceren te horen is.
Bij dit vierdelige werk zijn de middendelen in volgorde omgedraaid; normaal gesproken is er eerst een langzaam deel en dan een menuet, maar Haydn begint met een menuet dat nauwelijks herkenbaar is als de bekende dans in driedelige maatsoort. Hij speelt spelletjes met het ritme; in het boerse dansthema zet hij de luisteraar steeds op het verkeerde been wat maatsoort betreft en hij laat de musici een paar keer op de verkeerde tel beginnen. Het Trio, met de aanduiding pianissimo, staat in de ongebruikelijke toonsoort bes klein (5 mollen!). Het Andante, dat heel statig begint met een duet van de eerste viool en de cello, eindigt in een stevig D groot met de prominente fis. Dit is normaal gesproken niet handig als je verder wilt gaan in F groot. De ongebruikelijke oplossing van Haydn is om het laatste deel te beginnen met een F-groot-akkoord, want waarom zou je ingewikkelde bruggetjes maken? Met dit akkoord staan we in de startblokken voor de Finale in polonaisestijl en zo komen we dansend bij het einde van Haydns laatste voltooide strijkkwartet.
Bij dit vierdelige werk zijn de middendelen in volgorde omgedraaid; normaal gesproken is er eerst een langzaam deel en dan een menuet, maar Haydn begint met een menuet dat nauwelijks herkenbaar is als de bekende dans in driedelige maatsoort. Hij speelt spelletjes met het ritme; in het boerse dansthema zet hij de luisteraar steeds op het verkeerde been wat maatsoort betreft en hij laat de musici een paar keer op de verkeerde tel beginnen. Het Trio, met de aanduiding pianissimo, staat in de ongebruikelijke toonsoort bes klein (5 mollen!). Het Andante, dat heel statig begint met een duet van de eerste viool en de cello, eindigt in een stevig D groot met de prominente fis. Dit is normaal gesproken niet handig als je verder wilt gaan in F groot. De ongebruikelijke oplossing van Haydn is om het laatste deel te beginnen met een F-groot-akkoord, want waarom zou je ingewikkelde bruggetjes maken? Met dit akkoord staan we in de startblokken voor de Finale in polonaisestijl en zo komen we dansend bij het einde van Haydns laatste voltooide strijkkwartet.
Johannes Brahms (1833-1897)
Strijkkwartet
Johannes Brahms’ kamermuziekoeuvre omspant veertig jaar van zijn carrière en velen zijn het er over eens dat zijn creatieve persoonlijkheid het beste naar voren komt in deze werken. Voordat hij aan zijn strijkkwartetten begon had hij al allerhande kamermuziek gecomponeerd voor grotere bezettingen of ensembles met piano, maar het componeren voor strijkkwartet is een vak apart. Brahms zelf zei hierover: ‘Het is niet moeilijk om te componeren maar wat ongelooflijk moeilijk is, is om de overbodige noten onder te tafel te houden.’ Componisten als Haydn en Beethoven hadden de lat heel hoog gelegd, en het verhaal gaat dat Brahms al meer dan twintig kwartetten had vernietigd voordat de twee kwartetten opus 51 verschenen – nadat hij in 1873 een geheime try-out had georganiseerd en wat revisies had doorgevoerd. Brahms slaagde er bij deze kwartetten in om een compactheid te creëren en economisch om te gaan met het thematische materiaal in een volledig eigen, zeer lyrische, klankwereld.
Johannes Brahms’ kamermuziekoeuvre omspant veertig jaar van zijn carrière en velen zijn het er over eens dat zijn creatieve persoonlijkheid het beste naar voren komt in deze werken. Voordat hij aan zijn strijkkwartetten begon had hij al allerhande kamermuziek gecomponeerd voor grotere bezettingen of ensembles met piano, maar het componeren voor strijkkwartet is een vak apart. Brahms zelf zei hierover: ‘Het is niet moeilijk om te componeren maar wat ongelooflijk moeilijk is, is om de overbodige noten onder te tafel te houden.’ Componisten als Haydn en Beethoven hadden de lat heel hoog gelegd, en het verhaal gaat dat Brahms al meer dan twintig kwartetten had vernietigd voordat de twee kwartetten opus 51 verschenen – nadat hij in 1873 een geheime try-out had georganiseerd en wat revisies had doorgevoerd. Brahms slaagde er bij deze kwartetten in om een compactheid te creëren en economisch om te gaan met het thematische materiaal in een volledig eigen, zeer lyrische, klankwereld.
Het Strijkkwartet in c klein, opus 51 nr. 1 ontstond ongeveer tegelijk met zijn eerste symfonie, waar hij ook jaren en jaren mee bezig was geweest. Het kwartet is ook bijna symfonisch van klank. Het begint met een orkestraal tremolando. De stemming blijft rusteloos. Tussen de retorisch zwaar beladen eerste en laatste delen plaatst Brahms twee miniatuurtjes met contrasterende stemming. Het tweede deel met als aanduiding Romanza straalt warmte, intimiteit en schoonheid uit, maar klinkt bij vlagen ook treurig en angstig in het B-gedeelte. Waar we normaal gesproken een extravert scherzo in drieën zouden verwachten, componeert Brahms een donker en ambivalent intermezzo in een tweedelige maatsoort. Net als Haydn speelt Brahms hier met ritmes en zet hij de luisteraar én de musici graag op het verkeerde been. Het laatste deel heeft weer duidelijk het c-mineurkarakter; dit wordt voor de laatste keer bevestigd door de lage c van de cello die aan het eind van het stuk in een veertien maten durend orgelpunt blijft liggen.
Dankzij de steun van particuliere sponsors speelt het Quatuor Modigliani op vier uitstekende Italiaanse instrumenten: Amaury Coeytaux bespeelt een viool uit 1715 van Antonio Stradivari, Loïc Rio een viool uit 1780 van Giovanni Battista Guadagnini, Laurent Marfaing een altviool uit 1660 van Luigi Mariani en François Kieffer een cello uit 1706 van Matteo Goffriller. Het kwartet dankt uitvoeringsrechtenorganisatie SPEDIDAM voor zijn ondersteuning.
Het Strijkkwartet in c klein, opus 51 nr. 1 ontstond ongeveer tegelijk met zijn eerste symfonie, waar hij ook jaren en jaren mee bezig was geweest. Het kwartet is ook bijna symfonisch van klank. Het begint met een orkestraal tremolando. De stemming blijft rusteloos. Tussen de retorisch zwaar beladen eerste en laatste delen plaatst Brahms twee miniatuurtjes met contrasterende stemming. Het tweede deel met als aanduiding Romanza straalt warmte, intimiteit en schoonheid uit, maar klinkt bij vlagen ook treurig en angstig in het B-gedeelte. Waar we normaal gesproken een extravert scherzo in drieën zouden verwachten, componeert Brahms een donker en ambivalent intermezzo in een tweedelige maatsoort. Net als Haydn speelt Brahms hier met ritmes en zet hij de luisteraar én de musici graag op het verkeerde been. Het laatste deel heeft weer duidelijk het c-mineurkarakter; dit wordt voor de laatste keer bevestigd door de lage c van de cello die aan het eind van het stuk in een veertien maten durend orgelpunt blijft liggen.
Dankzij de steun van particuliere sponsors speelt het Quatuor Modigliani op vier uitstekende Italiaanse instrumenten: Amaury Coeytaux bespeelt een viool uit 1715 van Antonio Stradivari, Loïc Rio een viool uit 1780 van Giovanni Battista Guadagnini, Laurent Marfaing een altviool uit 1660 van Luigi Mariani en François Kieffer een cello uit 1706 van Matteo Goffriller. Het kwartet dankt uitvoeringsrechtenorganisatie SPEDIDAM voor zijn ondersteuning.
Toelichting
De strijkkwartetten die vandaag klinken zijn stuk voor stuk werken van door de wol geverfde componisten in de bloei of, in Haydns geval, aan het eind van hun leven. Van Haydn wordt zijn laatste kwartet gespeeld en van Brahms zijn eersteling.
De strijkkwartetten die vandaag klinken zijn stuk voor stuk werken van door de wol geverfde componisten in de bloei of, in Haydns geval, aan het eind van hun leven. Van Haydn wordt zijn laatste kwartet gespeeld en van Brahms zijn eersteling.
György Kurtág (1926)
Twaalf microludes
György Kurtág werd op 19 februari 1926 geboren in het huidige Roemenië in een Hongaars-Joods gezin. Hij studeerde aanvankelijk in Boedapest en werd in 1948 Hongaars staatsburger. Na de Hongaarse opstand van 1956 vertrok hij naar Parijs om compositie te studeren bij Olivier Messiaen en Darius Milhaud. In 1958 keerde hij terug naar Boedapest, waar hij onder andere aan de Franz Liszt Muziekacademie les gaf. In 1986 ging hij officieel met pensioen maar hij bleef nog jaren lesgeven. In de jaren tachtig kwam zijn internationale doorbraak als componist. Kurtág, die op 19 februari 100 jaar werd, geldt nog steeds als een van de belangrijkste Hongaarse componisten van onze tijd.
György Kurtág werd op 19 februari 1926 geboren in het huidige Roemenië in een Hongaars-Joods gezin. Hij studeerde aanvankelijk in Boedapest en werd in 1948 Hongaars staatsburger. Na de Hongaarse opstand van 1956 vertrok hij naar Parijs om compositie te studeren bij Olivier Messiaen en Darius Milhaud. In 1958 keerde hij terug naar Boedapest, waar hij onder andere aan de Franz Liszt Muziekacademie les gaf. In 1986 ging hij officieel met pensioen maar hij bleef nog jaren lesgeven. In de jaren tachtig kwam zijn internationale doorbraak als componist. Kurtág, die op 19 februari 100 jaar werd, geldt nog steeds als een van de belangrijkste Hongaarse componisten van onze tijd.
In 1968 had Kurtág een soort writer’s block dat vijf jaar duurde. Toen een collega hem vroeg om stukjes voor kinderen te componeren vond hij zijn plezier terug. Hij ging experimenteren met notatiesystemen die de uitvoerders moesten inspireren tot spontane muzikale uitingen als vrije declamatie en gregoriaans gezang. De meeste composities vanaf 1973 bevatten dan ook een spelelement en Twaalf microludes voor strijkkwartet zijn hier geen uitzondering op; de term microlude betekent ‘klein spelletje’. Elk deel van de cyclus is gebaseerd op een van de twaalf tonen in het octaaf; de deeltjes zijn heel uiteenlopend van karakter. Kurtág schreef de reeks bij de zestigste verjaardag van zijn vriend Mihály András, componist en dirigent en betrokken bij uitvoeringen van veel van Kurtágs vroegere werk.
In 1968 had Kurtág een soort writer’s block dat vijf jaar duurde. Toen een collega hem vroeg om stukjes voor kinderen te componeren vond hij zijn plezier terug. Hij ging experimenteren met notatiesystemen die de uitvoerders moesten inspireren tot spontane muzikale uitingen als vrije declamatie en gregoriaans gezang. De meeste composities vanaf 1973 bevatten dan ook een spelelement en Twaalf microludes voor strijkkwartet zijn hier geen uitzondering op; de term microlude betekent ‘klein spelletje’. Elk deel van de cyclus is gebaseerd op een van de twaalf tonen in het octaaf; de deeltjes zijn heel uiteenlopend van karakter. Kurtág schreef de reeks bij de zestigste verjaardag van zijn vriend Mihály András, componist en dirigent en betrokken bij uitvoeringen van veel van Kurtágs vroegere werk.
Joseph Haydn (1732-1809)
Strijkkwartet
Dankzij het enorme enthousiasme en een compositieopdracht van prins Lobkowitz, amateurviolist en mecenas van de achttiende-eeuwse muziekwereld, begon Joseph Haydn aan het eind van zijn leven nog aan een serie van zes strijkkwartetten. Omdat hij eigenlijk bezig was met Die Jahreszeiten voltooide hij er maar twee, maar dat zijn absolute hoogtepunten in het genre. Het tweede, het Strijkkwartet in F groot, opus 77 nr. 2 is gecomponeerd met de ervaring van een rijpe componist, maar straalt de levenslust uit van een jonge componist. Het is een prachtige, opwekkende en dansante compositie, waarin de volledige bandbreedte van de vreugde en kunst van het musiceren te horen is.
Dankzij het enorme enthousiasme en een compositieopdracht van prins Lobkowitz, amateurviolist en mecenas van de achttiende-eeuwse muziekwereld, begon Joseph Haydn aan het eind van zijn leven nog aan een serie van zes strijkkwartetten. Omdat hij eigenlijk bezig was met Die Jahreszeiten voltooide hij er maar twee, maar dat zijn absolute hoogtepunten in het genre. Het tweede, het Strijkkwartet in F groot, opus 77 nr. 2 is gecomponeerd met de ervaring van een rijpe componist, maar straalt de levenslust uit van een jonge componist. Het is een prachtige, opwekkende en dansante compositie, waarin de volledige bandbreedte van de vreugde en kunst van het musiceren te horen is.
Bij dit vierdelige werk zijn de middendelen in volgorde omgedraaid; normaal gesproken is er eerst een langzaam deel en dan een menuet, maar Haydn begint met een menuet dat nauwelijks herkenbaar is als de bekende dans in driedelige maatsoort. Hij speelt spelletjes met het ritme; in het boerse dansthema zet hij de luisteraar steeds op het verkeerde been wat maatsoort betreft en hij laat de musici een paar keer op de verkeerde tel beginnen. Het Trio, met de aanduiding pianissimo, staat in de ongebruikelijke toonsoort bes klein (5 mollen!). Het Andante, dat heel statig begint met een duet van de eerste viool en de cello, eindigt in een stevig D groot met de prominente fis. Dit is normaal gesproken niet handig als je verder wilt gaan in F groot. De ongebruikelijke oplossing van Haydn is om het laatste deel te beginnen met een F-groot-akkoord, want waarom zou je ingewikkelde bruggetjes maken? Met dit akkoord staan we in de startblokken voor de Finale in polonaisestijl en zo komen we dansend bij het einde van Haydns laatste voltooide strijkkwartet.
Bij dit vierdelige werk zijn de middendelen in volgorde omgedraaid; normaal gesproken is er eerst een langzaam deel en dan een menuet, maar Haydn begint met een menuet dat nauwelijks herkenbaar is als de bekende dans in driedelige maatsoort. Hij speelt spelletjes met het ritme; in het boerse dansthema zet hij de luisteraar steeds op het verkeerde been wat maatsoort betreft en hij laat de musici een paar keer op de verkeerde tel beginnen. Het Trio, met de aanduiding pianissimo, staat in de ongebruikelijke toonsoort bes klein (5 mollen!). Het Andante, dat heel statig begint met een duet van de eerste viool en de cello, eindigt in een stevig D groot met de prominente fis. Dit is normaal gesproken niet handig als je verder wilt gaan in F groot. De ongebruikelijke oplossing van Haydn is om het laatste deel te beginnen met een F-groot-akkoord, want waarom zou je ingewikkelde bruggetjes maken? Met dit akkoord staan we in de startblokken voor de Finale in polonaisestijl en zo komen we dansend bij het einde van Haydns laatste voltooide strijkkwartet.
Johannes Brahms (1833-1897)
Strijkkwartet
Johannes Brahms’ kamermuziekoeuvre omspant veertig jaar van zijn carrière en velen zijn het er over eens dat zijn creatieve persoonlijkheid het beste naar voren komt in deze werken. Voordat hij aan zijn strijkkwartetten begon had hij al allerhande kamermuziek gecomponeerd voor grotere bezettingen of ensembles met piano, maar het componeren voor strijkkwartet is een vak apart. Brahms zelf zei hierover: ‘Het is niet moeilijk om te componeren maar wat ongelooflijk moeilijk is, is om de overbodige noten onder te tafel te houden.’ Componisten als Haydn en Beethoven hadden de lat heel hoog gelegd, en het verhaal gaat dat Brahms al meer dan twintig kwartetten had vernietigd voordat de twee kwartetten opus 51 verschenen – nadat hij in 1873 een geheime try-out had georganiseerd en wat revisies had doorgevoerd. Brahms slaagde er bij deze kwartetten in om een compactheid te creëren en economisch om te gaan met het thematische materiaal in een volledig eigen, zeer lyrische, klankwereld.
Johannes Brahms’ kamermuziekoeuvre omspant veertig jaar van zijn carrière en velen zijn het er over eens dat zijn creatieve persoonlijkheid het beste naar voren komt in deze werken. Voordat hij aan zijn strijkkwartetten begon had hij al allerhande kamermuziek gecomponeerd voor grotere bezettingen of ensembles met piano, maar het componeren voor strijkkwartet is een vak apart. Brahms zelf zei hierover: ‘Het is niet moeilijk om te componeren maar wat ongelooflijk moeilijk is, is om de overbodige noten onder te tafel te houden.’ Componisten als Haydn en Beethoven hadden de lat heel hoog gelegd, en het verhaal gaat dat Brahms al meer dan twintig kwartetten had vernietigd voordat de twee kwartetten opus 51 verschenen – nadat hij in 1873 een geheime try-out had georganiseerd en wat revisies had doorgevoerd. Brahms slaagde er bij deze kwartetten in om een compactheid te creëren en economisch om te gaan met het thematische materiaal in een volledig eigen, zeer lyrische, klankwereld.
Het Strijkkwartet in c klein, opus 51 nr. 1 ontstond ongeveer tegelijk met zijn eerste symfonie, waar hij ook jaren en jaren mee bezig was geweest. Het kwartet is ook bijna symfonisch van klank. Het begint met een orkestraal tremolando. De stemming blijft rusteloos. Tussen de retorisch zwaar beladen eerste en laatste delen plaatst Brahms twee miniatuurtjes met contrasterende stemming. Het tweede deel met als aanduiding Romanza straalt warmte, intimiteit en schoonheid uit, maar klinkt bij vlagen ook treurig en angstig in het B-gedeelte. Waar we normaal gesproken een extravert scherzo in drieën zouden verwachten, componeert Brahms een donker en ambivalent intermezzo in een tweedelige maatsoort. Net als Haydn speelt Brahms hier met ritmes en zet hij de luisteraar én de musici graag op het verkeerde been. Het laatste deel heeft weer duidelijk het c-mineurkarakter; dit wordt voor de laatste keer bevestigd door de lage c van de cello die aan het eind van het stuk in een veertien maten durend orgelpunt blijft liggen.
Dankzij de steun van particuliere sponsors speelt het Quatuor Modigliani op vier uitstekende Italiaanse instrumenten: Amaury Coeytaux bespeelt een viool uit 1715 van Antonio Stradivari, Loïc Rio een viool uit 1780 van Giovanni Battista Guadagnini, Laurent Marfaing een altviool uit 1660 van Luigi Mariani en François Kieffer een cello uit 1706 van Matteo Goffriller. Het kwartet dankt uitvoeringsrechtenorganisatie SPEDIDAM voor zijn ondersteuning.
Het Strijkkwartet in c klein, opus 51 nr. 1 ontstond ongeveer tegelijk met zijn eerste symfonie, waar hij ook jaren en jaren mee bezig was geweest. Het kwartet is ook bijna symfonisch van klank. Het begint met een orkestraal tremolando. De stemming blijft rusteloos. Tussen de retorisch zwaar beladen eerste en laatste delen plaatst Brahms twee miniatuurtjes met contrasterende stemming. Het tweede deel met als aanduiding Romanza straalt warmte, intimiteit en schoonheid uit, maar klinkt bij vlagen ook treurig en angstig in het B-gedeelte. Waar we normaal gesproken een extravert scherzo in drieën zouden verwachten, componeert Brahms een donker en ambivalent intermezzo in een tweedelige maatsoort. Net als Haydn speelt Brahms hier met ritmes en zet hij de luisteraar én de musici graag op het verkeerde been. Het laatste deel heeft weer duidelijk het c-mineurkarakter; dit wordt voor de laatste keer bevestigd door de lage c van de cello die aan het eind van het stuk in een veertien maten durend orgelpunt blijft liggen.
Dankzij de steun van particuliere sponsors speelt het Quatuor Modigliani op vier uitstekende Italiaanse instrumenten: Amaury Coeytaux bespeelt een viool uit 1715 van Antonio Stradivari, Loïc Rio een viool uit 1780 van Giovanni Battista Guadagnini, Laurent Marfaing een altviool uit 1660 van Luigi Mariani en François Kieffer een cello uit 1706 van Matteo Goffriller. Het kwartet dankt uitvoeringsrechtenorganisatie SPEDIDAM voor zijn ondersteuning.
Biografie
Quatuor Modigliani, strijkkwartet
Kort na de oprichting in 2003 in Parijs won het Quatuor Modigliani drie eerste prijzen, achtereenvolgens op het Tromp Concours in Eindhoven (2004), het Vittorio Rimbotti Concours in Florence (2005) en de Young Concert Artists Auditions in New York (2006).
De discografie kent inmiddels meerdere bekroonde opnames, het kwartet treedt jaarlijks op in de Verenigde Staten en Azië, en het reist langs belangrijke Europese podia als Wigmore Hall in Londen, de Philharmonie en het Théâtre des Champs-Élysées in Parijs, de Berliner Philharmonie, het Wiener Konzerthaus en de Elbphilharmonie Hamburg.
Het Quatuor Modigliani is sinds 2011 oprichter en artistiek leider van het Saint-Paul-de-Vence Festival en sinds 2020 ook artistiek leider van het strijkkwartetfestival ‘Vibre! Quatuors à Bordeaux’ en het bijbehorende concours.
Het kwartet is bovendien mentor aan de École Normale de Musique de Paris Alfred Cortot en artist in residence bij Radio France in Parijs vanaf seizoen 2025/2026. Sinds zijn Concertgebouwdebuut in de zomerprogrammering van 2005 keert het Quatuor Modigliani regelmatig terug naar de Kleine Zaal; de vorige keer was in oktober 2023 met werken van Haydn, Wolf, Schubert en Élise Bertrand.