Quatuor Danel & Quatuor Arod in het Octet van Enescu
Kleine Zaal 23 mei 2026 20.15 uur
Quatuor Danel:
Marc Danel viool
Gilles Millet viool
Vlad Bogdanas altviool
Yovan Markovitch cello
Quatuor Arod:
Jordan Victoria viool
Alexandre Vu viool
Tanguy Parisot altviool
Jérémy Garbarg cello
Dit concert maakt deel uit van de serie Strijkers met Variatie.
Johannes Brahms (1833-1897)
Strijksextet nr. 2 in G gr.t., op. 36 (1864-65)
Allegro non troppo
Scherzo: Allegro non troppo
Poco adagio
Finale: Poco allegro
pauze ± 21.00 uur
George Enescu (1881-1955)
Octet in C gr.t., op. 7 (1900)
Très modéré
Très fougueux
Lentement
Mouvement de valse bien rythmée
einde ± 22.05 uur
Quatuor Danel:
Marc Danel viool
Gilles Millet viool
Vlad Bogdanas altviool
Yovan Markovitch cello
Quatuor Arod:
Jordan Victoria viool
Alexandre Vu viool
Tanguy Parisot altviool
Jérémy Garbarg cello
Dit concert maakt deel uit van de serie Strijkers met Variatie.
Johannes Brahms (1833-1897)
Strijksextet nr. 2 in G gr.t., op. 36 (1864-65)
Allegro non troppo
Scherzo: Allegro non troppo
Poco adagio
Finale: Poco allegro
pauze ± 21.00 uur
George Enescu (1881-1955)
Octet in C gr.t., op. 7 (1900)
Très modéré
Très fougueux
Lentement
Mouvement de valse bien rythmée
einde ± 22.05 uur
Toelichting
Johannes Brahms (1833-1897)
Tweede strijksextet
Johannes Brahms schreef met zijn Tweede strijksextet in G groot een geliefde van zich af. Op het aanhoudend geuite vermoeden dat de componist met de drie keer zeer prominent herhaalde noten a-g-a-dh-e (waarbij dh staat voor een combinatie van d en b) in het tweede thema van het eerste deel de voornaam van zijn bijna-verloofde Agathe von Siebold in de muziek had vereeuwigd, schreef de 31-jarige Brahms in een brief: ‘Hier heb ik mij aan mijn laatste grote liefde onttrokken.’ Het was dus niet zozeer een hommage als wel een afscheidssaluut of een goedmakertje, zo wordt wel verondersteld: Brahms verbrak de verbintenis met Agathe al na één zomer – hij kon zich niet in de boeien laten slaan, zo liet hij haar weinig charmant weten.
Brahms’ bemoeienis met de niet zo algemene vorm van het strijksextet – hij schreef er twee in betrekkelijk korte tijd – had alles van doen met de moeite die hij had met het strijkkwartet. Zijn voorliefde voor een donker, verzadigd klankbeeld kreeg hij zelfs niet bevredigend tot stand met vijf strijkers – het gebruikelijke strijkkwartet met toevoegde cello, naar het voorbeeld van Franz Schuberts indringende Strijkkwintet in C groot, D 956 (1828). Er moest nog een extra altviool aan te pas komen voordat Brahms met een strijkersensemble uit de voeten kon. Zijn Eerste strijksextet in Bes groot werd meteen een succes en dat spoorde de componist snel aan tot het Tweede strijksextet in G groot. De verschillen tussen beide sextetten zijn opmerkelijk, maar niet ongewoon bij Brahms, die wel vaker ‘Doppelwerke’ zou schrijven (zoals bijvoorbeeld de Akademische Festouvertüre, waarna vrijwel meteen de Tragische Ouvertüre volgde). De structuur van het opgewekte en recht-toe-recht-aan geschreven Eerste strijksextet is aanzienlijk minder gecompliceerd dan van het Tweede strijksextet, dat zich met zijn kunstige contrapuntische lijnenspel al snel verliest in een wat sombere beschouwelijkheid.
Johannes Brahms schreef met zijn Tweede strijksextet in G groot een geliefde van zich af. Op het aanhoudend geuite vermoeden dat de componist met de drie keer zeer prominent herhaalde noten a-g-a-dh-e (waarbij dh staat voor een combinatie van d en b) in het tweede thema van het eerste deel de voornaam van zijn bijna-verloofde Agathe von Siebold in de muziek had vereeuwigd, schreef de 31-jarige Brahms in een brief: ‘Hier heb ik mij aan mijn laatste grote liefde onttrokken.’ Het was dus niet zozeer een hommage als wel een afscheidssaluut of een goedmakertje, zo wordt wel verondersteld: Brahms verbrak de verbintenis met Agathe al na één zomer – hij kon zich niet in de boeien laten slaan, zo liet hij haar weinig charmant weten.
Brahms’ bemoeienis met de niet zo algemene vorm van het strijksextet – hij schreef er twee in betrekkelijk korte tijd – had alles van doen met de moeite die hij had met het strijkkwartet. Zijn voorliefde voor een donker, verzadigd klankbeeld kreeg hij zelfs niet bevredigend tot stand met vijf strijkers – het gebruikelijke strijkkwartet met toevoegde cello, naar het voorbeeld van Franz Schuberts indringende Strijkkwintet in C groot, D 956 (1828). Er moest nog een extra altviool aan te pas komen voordat Brahms met een strijkersensemble uit de voeten kon. Zijn Eerste strijksextet in Bes groot werd meteen een succes en dat spoorde de componist snel aan tot het Tweede strijksextet in G groot. De verschillen tussen beide sextetten zijn opmerkelijk, maar niet ongewoon bij Brahms, die wel vaker ‘Doppelwerke’ zou schrijven (zoals bijvoorbeeld de Akademische Festouvertüre, waarna vrijwel meteen de Tragische Ouvertüre volgde). De structuur van het opgewekte en recht-toe-recht-aan geschreven Eerste strijksextet is aanzienlijk minder gecompliceerd dan van het Tweede strijksextet, dat zich met zijn kunstige contrapuntische lijnenspel al snel verliest in een wat sombere beschouwelijkheid.
George Enescu (1881-1955)
Octet
In 1910 speelde George Enescu als violist en pianist eigen composities in de Kleine Zaal van Het Concertgebouw. De Frans-Roemeense virtuoos verblufte het publiek met zijn spel en de kenners met zijn gevoelige composities. Een jaar later soleerde hij voor het eerst met het Concertgebouworkest in het Vioolconcert van Johannes Brahms onder Willem Mengelberg, later speelde hij muziek van Johann Sebastian Bach en Robert Schumann onder leiding van Pierre Monteux, en Wolfgang Amadeus Mozart onder Eduard van Beinum.
Zijn veelzijdigheid had voordelen; na zijn optreden als violist verruilde hij in hetzelfde concert de strijkstok voor de baton en dirigeerde hij zijn eigen orkestwerken, ook bij het Concertgebouworkest. Vooral de Roemeense rapsodie was populair. Nadeel was dat Enescu door velen gezien werd als de beroemde violist die ook wel eens wat componeerde en dan voornamelijk aardige Roemeense volksdeuntjes. Zijn bescheiden natuur, wars van zelfpromotie, zorgde ervoor dat dit beeld zich hardnekkig vastzette. Onterecht, want hij componeerde al op zijn vijfde en werd als zevenjarige aangenomen op het conservatorium in Wenen, waar hij compositieles had van Robert Fuchs. Als jongetje van acht vertrok hij – met diploma op zak – naar Parijs, waar hij les nam bij Jules Massenet en Gabriel Fauré. Contrapunt en fuga studeerde hij bij de oude Franse meester André Gédalge.
Op zijn achttiende schreef Enescu een meesterproef in een volkomen eigen stijl, zijn Octet voor strijkers. Alles kwam samen in dit werk dat overloopt van jeugdige energie: zijn Roemeense liefde voor de melodie, de Weense late Romantiek, de Franse elegantie en zijn gedegen opleiding in het contrapunt. Het Octet opent met een lange melodie door zeven van de acht strijkers samen gespeeld, die erg doet denken aan een doina, een Roemeense geïmproviseerde melodie in een vrij ritme en met veel versieringen.
Voor Enescu was de melodie de essentie van muziek en het allermooist vond hij de stapeling van verschillende melodieën: polyfonie. Als tiener was hij complexe vormen al volledig meester. Het vierdelige Octet volgt in zijn geheel de sonatevorm, met de expositie in het eerste deel, de doorwerking in het tweede en derde deel en de reprise in het wervelende laatste deel. Alle eerdere melodieën komen daar terug in een geraffineerd weefsel. Gédalge was bijzonder trots op zijn oud-leerling en zorgde ervoor dat het Octet gepubliceerd werd. Als dank droeg Enescu het werk aan hem op. De eerste uitvoering liet langer op zich wachten. Het viel niet mee om met acht uitstekende musici voldoende repetitietijd vrij te maken. Bij de première, in 1909 in Parijs, konden de twee kwartetten die zich eraan waagden niet zonder Enescu als dirigent.
In 1910 speelde George Enescu als violist en pianist eigen composities in de Kleine Zaal van Het Concertgebouw. De Frans-Roemeense virtuoos verblufte het publiek met zijn spel en de kenners met zijn gevoelige composities. Een jaar later soleerde hij voor het eerst met het Concertgebouworkest in het Vioolconcert van Johannes Brahms onder Willem Mengelberg, later speelde hij muziek van Johann Sebastian Bach en Robert Schumann onder leiding van Pierre Monteux, en Wolfgang Amadeus Mozart onder Eduard van Beinum.
Zijn veelzijdigheid had voordelen; na zijn optreden als violist verruilde hij in hetzelfde concert de strijkstok voor de baton en dirigeerde hij zijn eigen orkestwerken, ook bij het Concertgebouworkest. Vooral de Roemeense rapsodie was populair. Nadeel was dat Enescu door velen gezien werd als de beroemde violist die ook wel eens wat componeerde en dan voornamelijk aardige Roemeense volksdeuntjes. Zijn bescheiden natuur, wars van zelfpromotie, zorgde ervoor dat dit beeld zich hardnekkig vastzette. Onterecht, want hij componeerde al op zijn vijfde en werd als zevenjarige aangenomen op het conservatorium in Wenen, waar hij compositieles had van Robert Fuchs. Als jongetje van acht vertrok hij – met diploma op zak – naar Parijs, waar hij les nam bij Jules Massenet en Gabriel Fauré. Contrapunt en fuga studeerde hij bij de oude Franse meester André Gédalge.
Op zijn achttiende schreef Enescu een meesterproef in een volkomen eigen stijl, zijn Octet voor strijkers. Alles kwam samen in dit werk dat overloopt van jeugdige energie: zijn Roemeense liefde voor de melodie, de Weense late Romantiek, de Franse elegantie en zijn gedegen opleiding in het contrapunt. Het Octet opent met een lange melodie door zeven van de acht strijkers samen gespeeld, die erg doet denken aan een doina, een Roemeense geïmproviseerde melodie in een vrij ritme en met veel versieringen.
Voor Enescu was de melodie de essentie van muziek en het allermooist vond hij de stapeling van verschillende melodieën: polyfonie. Als tiener was hij complexe vormen al volledig meester. Het vierdelige Octet volgt in zijn geheel de sonatevorm, met de expositie in het eerste deel, de doorwerking in het tweede en derde deel en de reprise in het wervelende laatste deel. Alle eerdere melodieën komen daar terug in een geraffineerd weefsel. Gédalge was bijzonder trots op zijn oud-leerling en zorgde ervoor dat het Octet gepubliceerd werd. Als dank droeg Enescu het werk aan hem op. De eerste uitvoering liet langer op zich wachten. Het viel niet mee om met acht uitstekende musici voldoende repetitietijd vrij te maken. Bij de première, in 1909 in Parijs, konden de twee kwartetten die zich eraan waagden niet zonder Enescu als dirigent.
Johannes Brahms (1833-1897)
Tweede strijksextet
Johannes Brahms schreef met zijn Tweede strijksextet in G groot een geliefde van zich af. Op het aanhoudend geuite vermoeden dat de componist met de drie keer zeer prominent herhaalde noten a-g-a-dh-e (waarbij dh staat voor een combinatie van d en b) in het tweede thema van het eerste deel de voornaam van zijn bijna-verloofde Agathe von Siebold in de muziek had vereeuwigd, schreef de 31-jarige Brahms in een brief: ‘Hier heb ik mij aan mijn laatste grote liefde onttrokken.’ Het was dus niet zozeer een hommage als wel een afscheidssaluut of een goedmakertje, zo wordt wel verondersteld: Brahms verbrak de verbintenis met Agathe al na één zomer – hij kon zich niet in de boeien laten slaan, zo liet hij haar weinig charmant weten.
Brahms’ bemoeienis met de niet zo algemene vorm van het strijksextet – hij schreef er twee in betrekkelijk korte tijd – had alles van doen met de moeite die hij had met het strijkkwartet. Zijn voorliefde voor een donker, verzadigd klankbeeld kreeg hij zelfs niet bevredigend tot stand met vijf strijkers – het gebruikelijke strijkkwartet met toevoegde cello, naar het voorbeeld van Franz Schuberts indringende Strijkkwintet in C groot, D 956 (1828). Er moest nog een extra altviool aan te pas komen voordat Brahms met een strijkersensemble uit de voeten kon. Zijn Eerste strijksextet in Bes groot werd meteen een succes en dat spoorde de componist snel aan tot het Tweede strijksextet in G groot. De verschillen tussen beide sextetten zijn opmerkelijk, maar niet ongewoon bij Brahms, die wel vaker ‘Doppelwerke’ zou schrijven (zoals bijvoorbeeld de Akademische Festouvertüre, waarna vrijwel meteen de Tragische Ouvertüre volgde). De structuur van het opgewekte en recht-toe-recht-aan geschreven Eerste strijksextet is aanzienlijk minder gecompliceerd dan van het Tweede strijksextet, dat zich met zijn kunstige contrapuntische lijnenspel al snel verliest in een wat sombere beschouwelijkheid.
Johannes Brahms schreef met zijn Tweede strijksextet in G groot een geliefde van zich af. Op het aanhoudend geuite vermoeden dat de componist met de drie keer zeer prominent herhaalde noten a-g-a-dh-e (waarbij dh staat voor een combinatie van d en b) in het tweede thema van het eerste deel de voornaam van zijn bijna-verloofde Agathe von Siebold in de muziek had vereeuwigd, schreef de 31-jarige Brahms in een brief: ‘Hier heb ik mij aan mijn laatste grote liefde onttrokken.’ Het was dus niet zozeer een hommage als wel een afscheidssaluut of een goedmakertje, zo wordt wel verondersteld: Brahms verbrak de verbintenis met Agathe al na één zomer – hij kon zich niet in de boeien laten slaan, zo liet hij haar weinig charmant weten.
Brahms’ bemoeienis met de niet zo algemene vorm van het strijksextet – hij schreef er twee in betrekkelijk korte tijd – had alles van doen met de moeite die hij had met het strijkkwartet. Zijn voorliefde voor een donker, verzadigd klankbeeld kreeg hij zelfs niet bevredigend tot stand met vijf strijkers – het gebruikelijke strijkkwartet met toevoegde cello, naar het voorbeeld van Franz Schuberts indringende Strijkkwintet in C groot, D 956 (1828). Er moest nog een extra altviool aan te pas komen voordat Brahms met een strijkersensemble uit de voeten kon. Zijn Eerste strijksextet in Bes groot werd meteen een succes en dat spoorde de componist snel aan tot het Tweede strijksextet in G groot. De verschillen tussen beide sextetten zijn opmerkelijk, maar niet ongewoon bij Brahms, die wel vaker ‘Doppelwerke’ zou schrijven (zoals bijvoorbeeld de Akademische Festouvertüre, waarna vrijwel meteen de Tragische Ouvertüre volgde). De structuur van het opgewekte en recht-toe-recht-aan geschreven Eerste strijksextet is aanzienlijk minder gecompliceerd dan van het Tweede strijksextet, dat zich met zijn kunstige contrapuntische lijnenspel al snel verliest in een wat sombere beschouwelijkheid.
George Enescu (1881-1955)
Octet
In 1910 speelde George Enescu als violist en pianist eigen composities in de Kleine Zaal van Het Concertgebouw. De Frans-Roemeense virtuoos verblufte het publiek met zijn spel en de kenners met zijn gevoelige composities. Een jaar later soleerde hij voor het eerst met het Concertgebouworkest in het Vioolconcert van Johannes Brahms onder Willem Mengelberg, later speelde hij muziek van Johann Sebastian Bach en Robert Schumann onder leiding van Pierre Monteux, en Wolfgang Amadeus Mozart onder Eduard van Beinum.
Zijn veelzijdigheid had voordelen; na zijn optreden als violist verruilde hij in hetzelfde concert de strijkstok voor de baton en dirigeerde hij zijn eigen orkestwerken, ook bij het Concertgebouworkest. Vooral de Roemeense rapsodie was populair. Nadeel was dat Enescu door velen gezien werd als de beroemde violist die ook wel eens wat componeerde en dan voornamelijk aardige Roemeense volksdeuntjes. Zijn bescheiden natuur, wars van zelfpromotie, zorgde ervoor dat dit beeld zich hardnekkig vastzette. Onterecht, want hij componeerde al op zijn vijfde en werd als zevenjarige aangenomen op het conservatorium in Wenen, waar hij compositieles had van Robert Fuchs. Als jongetje van acht vertrok hij – met diploma op zak – naar Parijs, waar hij les nam bij Jules Massenet en Gabriel Fauré. Contrapunt en fuga studeerde hij bij de oude Franse meester André Gédalge.
Op zijn achttiende schreef Enescu een meesterproef in een volkomen eigen stijl, zijn Octet voor strijkers. Alles kwam samen in dit werk dat overloopt van jeugdige energie: zijn Roemeense liefde voor de melodie, de Weense late Romantiek, de Franse elegantie en zijn gedegen opleiding in het contrapunt. Het Octet opent met een lange melodie door zeven van de acht strijkers samen gespeeld, die erg doet denken aan een doina, een Roemeense geïmproviseerde melodie in een vrij ritme en met veel versieringen.
Voor Enescu was de melodie de essentie van muziek en het allermooist vond hij de stapeling van verschillende melodieën: polyfonie. Als tiener was hij complexe vormen al volledig meester. Het vierdelige Octet volgt in zijn geheel de sonatevorm, met de expositie in het eerste deel, de doorwerking in het tweede en derde deel en de reprise in het wervelende laatste deel. Alle eerdere melodieën komen daar terug in een geraffineerd weefsel. Gédalge was bijzonder trots op zijn oud-leerling en zorgde ervoor dat het Octet gepubliceerd werd. Als dank droeg Enescu het werk aan hem op. De eerste uitvoering liet langer op zich wachten. Het viel niet mee om met acht uitstekende musici voldoende repetitietijd vrij te maken. Bij de première, in 1909 in Parijs, konden de twee kwartetten die zich eraan waagden niet zonder Enescu als dirigent.
In 1910 speelde George Enescu als violist en pianist eigen composities in de Kleine Zaal van Het Concertgebouw. De Frans-Roemeense virtuoos verblufte het publiek met zijn spel en de kenners met zijn gevoelige composities. Een jaar later soleerde hij voor het eerst met het Concertgebouworkest in het Vioolconcert van Johannes Brahms onder Willem Mengelberg, later speelde hij muziek van Johann Sebastian Bach en Robert Schumann onder leiding van Pierre Monteux, en Wolfgang Amadeus Mozart onder Eduard van Beinum.
Zijn veelzijdigheid had voordelen; na zijn optreden als violist verruilde hij in hetzelfde concert de strijkstok voor de baton en dirigeerde hij zijn eigen orkestwerken, ook bij het Concertgebouworkest. Vooral de Roemeense rapsodie was populair. Nadeel was dat Enescu door velen gezien werd als de beroemde violist die ook wel eens wat componeerde en dan voornamelijk aardige Roemeense volksdeuntjes. Zijn bescheiden natuur, wars van zelfpromotie, zorgde ervoor dat dit beeld zich hardnekkig vastzette. Onterecht, want hij componeerde al op zijn vijfde en werd als zevenjarige aangenomen op het conservatorium in Wenen, waar hij compositieles had van Robert Fuchs. Als jongetje van acht vertrok hij – met diploma op zak – naar Parijs, waar hij les nam bij Jules Massenet en Gabriel Fauré. Contrapunt en fuga studeerde hij bij de oude Franse meester André Gédalge.
Op zijn achttiende schreef Enescu een meesterproef in een volkomen eigen stijl, zijn Octet voor strijkers. Alles kwam samen in dit werk dat overloopt van jeugdige energie: zijn Roemeense liefde voor de melodie, de Weense late Romantiek, de Franse elegantie en zijn gedegen opleiding in het contrapunt. Het Octet opent met een lange melodie door zeven van de acht strijkers samen gespeeld, die erg doet denken aan een doina, een Roemeense geïmproviseerde melodie in een vrij ritme en met veel versieringen.
Voor Enescu was de melodie de essentie van muziek en het allermooist vond hij de stapeling van verschillende melodieën: polyfonie. Als tiener was hij complexe vormen al volledig meester. Het vierdelige Octet volgt in zijn geheel de sonatevorm, met de expositie in het eerste deel, de doorwerking in het tweede en derde deel en de reprise in het wervelende laatste deel. Alle eerdere melodieën komen daar terug in een geraffineerd weefsel. Gédalge was bijzonder trots op zijn oud-leerling en zorgde ervoor dat het Octet gepubliceerd werd. Als dank droeg Enescu het werk aan hem op. De eerste uitvoering liet langer op zich wachten. Het viel niet mee om met acht uitstekende musici voldoende repetitietijd vrij te maken. Bij de première, in 1909 in Parijs, konden de twee kwartetten die zich eraan waagden niet zonder Enescu als dirigent.
Biografie
Quatuor Danel, kwartet
Het Quatuor Danel werd in 1991 opgericht en functioneert in de huidige samenstelling sinds cellist Yovan Markovitch in 2014 toetrad. Het geeft wereldwijd concerten op de belangrijkste podia en werkt samen met collega’s als Leif Ove Andsnes, Jean-Efflam Bavouzet, Alexander Melnikov, Adrien La Marca, Clemens Hagen en het Borodin Quartet.
Russische componisten nemen in het repertoire van het Quatuor Danel een bijzondere plaats in, en in 2005 zette het alle vijftien strijkkwartetten van Sjostakovitsj op cd.
In Manchester en Utrecht verzorgde het Frans-Belgische kwartet de eerste uitvoering wereldwijd van de complete kwartetcyclus van Weinberg, gevolgd door een cd-opname. In april 2024 verscheen bovendien een internationaal lovend ontvangen live-registratie vanuit het Gewandhaus in Leipzig van de complete strijkkwartetten van Sjostakovitsj.
In seizoen 2024/2025 ging het Quatuor Danel opnieuw naar Leipzig voor de uitvoering en opname van Prokofjevs strijkkwartetten, én voor de presentatie van de strijkkwartetten van Sjostakovitsj tijdens een grootschalige herdenking van de vijftigste sterfdag van de componist. Dat seizoen hadden de strijkers ook een residency in Wigmore Hall in Londen.
Andere recente hoogtepunten zijn tournees naar Japan, de Verenigde Staten, Taiwan en Zuid-Korea. Het Quatuor Danel is als ‘quartet in residence’ verbonden aan de University van Manchester. Het kwartet debuteerde in de Kleine Zaal in 1998 en was daar voor het laatst te beluisteren in november 2018.
Quatuor Arod, strijkkwartet
Het in Parijs gevestigde Quatuor Arod bestaat sinds 2013 en brak drie jaar later internationaal door met het winnen van het ARD Concours in München. Het sleepte ook eerste prijzen in de wacht tijdens het Carl Nielsen Kamermuziekconcours (2015) en de European Chamber Music Competition (2014) en werd in 2017 uitgeroepen tot BBC New Generation Artist. In de Kleine Zaal maakte het zijn debuut in maart 2018 en keerde het een jaar later al terug in het kader van de Rising Stars-serie.
Het Quatuor Arod was te gast in de belangrijkste Europese concertzalen waaronder het Wiener Konzerthaus en de Philharmonie Berlin, en ook in Carnegie Hall in New York en Oji Hall in Tokio. Daarnaast speelde het op festivals als die van Verbier, Montreux, Aix-en-Provence, Rheingau, Bremen en Praag.
In groter bezette kamermuziek werkten de musici samen met bijvoorbeeld altviolist Amihai Grosz en klarinettist Martin Fröst, en afgelopen januari klonk tijdens de Strijkkwartet Biënnale Amsterdam Schuberts Strijkkwintet in C groot met Klaus Mäkelä als extra cellist. In 2025 verscheen de nieuwste cd: Haydn Op. 76.
De laatste keer dat het Quatuor Arod optrad in de Kleine Zaal was in april 2022 met pianist Alexandre Tharaud als gast in het Tweede pianokwintet van Dvořák. De ensemblenaam is ontleend aan de naam van Legolas’ paard in The Lord of the Rings; in Tolkiens mythische Rohirric-taal betekent ‘arod’ zoveel als ‘snel’.