Nog geen account of wachtwoord vergeten? Klik hier

Concertprogramma

Concertprogramma

Quatuor Arod met Bartók en Ravel

Quatuor Arod met Bartók en Ravel

Kleine Zaal
20 oktober 2021
20.45 uur

Print dit programma

Dit concert maakt deel uit van de serie Strijkkwartetten.

Quatuor Arod:
Jordan Victoria viool
Alexandre Vu viool
Tanguy Parisot altviool
Jérémy Garbarg cello

 

Béla Bartók (1881-1945)

Strijkkwartet nr. 3 in Cis gr.t., Sz. 85 (1927)
Prima parte: Moderato
Seconda parte: Allegro
Ricapitulazione della prima parte: Moderato
Coda: Allegro molto

Maurice Ravel (1875-1937)

Strijkkwartet in F gr.t. (1902-03)
Allegro moderato – Très doux
Assez vif – Très rythmé
Très lent
Vif et agité

er is geen pauze
het concert duurt ongeveer een uur

Kleine Zaal 20 oktober 2021 20.45 uur

Dit concert maakt deel uit van de serie Strijkkwartetten.

Quatuor Arod:
Jordan Victoria viool
Alexandre Vu viool
Tanguy Parisot altviool
Jérémy Garbarg cello

 

Béla Bartók (1881-1945)

Strijkkwartet nr. 3 in Cis gr.t., Sz. 85 (1927)
Prima parte: Moderato
Seconda parte: Allegro
Ricapitulazione della prima parte: Moderato
Coda: Allegro molto

Maurice Ravel (1875-1937)

Strijkkwartet in F gr.t. (1902-03)
Allegro moderato – Très doux
Assez vif – Très rythmé
Très lent
Vif et agité

er is geen pauze
het concert duurt ongeveer een uur

Toelichting

Béla Bartók (1881-1945)

Bartók: Derde strijkkwartet

door Anneloes Brand

  • Béla Bartók

    Béla Bartók

  • Béla Bartók

    Béla Bartók

Béla Bartók voltooide gedurende zijn leven zes strijkkwartetten, waarin je zijn muzikale ontwikkeling kunt volgen. Het Derde strijkkwartet in Cis groot is radicaler dan zijn vroege kwartetten. Het werk maakt niet alleen indruk door de muzikale kleuren aan de oppervlakte, maar ook door de knappe constructie. Dat bleef in 1927 al niet onopgemerkt: Bartóks kwartet won met de Serenata, opus 46 van Alfredo Casella een gedeelde eerste prijs in een compositiewedstrijd georganiseerd door de Musical Fund Society of Philadelphia.

In het Derde strijkkwartet gaan de vier gedeelten naadloos in elkaar over: het eerste gedeelte is langzaam, droevig en soms scherp. Het tweede onderdeel is snel en levendig en groeit in intensiteit. Het derde stuk is – anders dan de titel doet vermoeden – geen herhaling van het eerste, maar een variatie erop. Het laatste gedeelte is een kort coda dat herinnert aan het tweede deel en vol drive opbouwt naar het krachtige slot. Zoals ook in andere composities gebruikte Bartók ­volksmuziekachtige motieven, manieren en ritmes uit Hongaarse en andere Europese volksmuziek als bouwstenen om zijn eigen taal vorm te geven. Bovendien bevat het werk nieuwe technieken die vanaf die tijd vaker voor strijkers werden voorgeschreven: sul ponticello (dicht bij de kam spelen), jeté (met de strijkstok op de snaren stuiteren), col legno (met de houten bovenkant van de strijkstok spelen), glissando (van de ene toon naar de andere glijden) en het zogenaamde ‘Bartók-pizzicato’, waarbij de snaar hoorbaar op de toets terugklapt.

Béla Bartók voltooide gedurende zijn leven zes strijkkwartetten, waarin je zijn muzikale ontwikkeling kunt volgen. Het Derde strijkkwartet in Cis groot is radicaler dan zijn vroege kwartetten. Het werk maakt niet alleen indruk door de muzikale kleuren aan de oppervlakte, maar ook door de knappe constructie. Dat bleef in 1927 al niet onopgemerkt: Bartóks kwartet won met de Serenata, opus 46 van Alfredo Casella een gedeelde eerste prijs in een compositiewedstrijd georganiseerd door de Musical Fund Society of Philadelphia.

In het Derde strijkkwartet gaan de vier gedeelten naadloos in elkaar over: het eerste gedeelte is langzaam, droevig en soms scherp. Het tweede onderdeel is snel en levendig en groeit in intensiteit. Het derde stuk is – anders dan de titel doet vermoeden – geen herhaling van het eerste, maar een variatie erop. Het laatste gedeelte is een kort coda dat herinnert aan het tweede deel en vol drive opbouwt naar het krachtige slot. Zoals ook in andere composities gebruikte Bartók ­volksmuziekachtige motieven, manieren en ritmes uit Hongaarse en andere Europese volksmuziek als bouwstenen om zijn eigen taal vorm te geven. Bovendien bevat het werk nieuwe technieken die vanaf die tijd vaker voor strijkers werden voorgeschreven: sul ponticello (dicht bij de kam spelen), jeté (met de strijkstok op de snaren stuiteren), col legno (met de houten bovenkant van de strijkstok spelen), glissando (van de ene toon naar de andere glijden) en het zogenaamde ‘Bartók-pizzicato’, waarbij de snaar hoorbaar op de toets terugklapt.

door Anneloes Brand

Maurice Ravel 1875-1937

Strijkkwartet

door Anneloes Brand

Maurice Ravel voltooide zijn enige strijkkwartet in 1903 – achtentwintig jaar oud en ‘eeuwige student’ aan het Parijse conservatorium. Hij droeg het op aan zijn leraar, Gabriel Fauré, en zond het eerste deel ervan in voor de jaarlijkse compositiewedstrijd van het conservatorium.

De jury was niet onder de indruk en aangezien dit Ravels derde mislukte poging was, werd hij van school gestuurd. De jonge componist liet zijn Strijkkwartet in F groot toch tijdens een Société Nationale-­concert in maart 1904 in première brengen door het Heymann Kwartet.

Hoewel het werk positief werd ontvangen door het publiek, klaagden de critici dat het niet paste in de traditie van Ludwig van Beethoven en andere Duitse componisten. Ook Fauré was niet zo enthousiast: hij noemde de finale ‘gekunsteld, niet goed in balans, in feite een mislukking’. Claude Debussy daarentegen schijnt te hebben gezegd: ‘In naam van de Muziekgoden en in mijn belang, verander geen noot aan wat je hebt geschreven.’

 

Maurice Ravel voltooide zijn enige strijkkwartet in 1903 – achtentwintig jaar oud en ‘eeuwige student’ aan het Parijse conservatorium. Hij droeg het op aan zijn leraar, Gabriel Fauré, en zond het eerste deel ervan in voor de jaarlijkse compositiewedstrijd van het conservatorium.

De jury was niet onder de indruk en aangezien dit Ravels derde mislukte poging was, werd hij van school gestuurd. De jonge componist liet zijn Strijkkwartet in F groot toch tijdens een Société Nationale-­concert in maart 1904 in première brengen door het Heymann Kwartet.

Hoewel het werk positief werd ontvangen door het publiek, klaagden de critici dat het niet paste in de traditie van Ludwig van Beethoven en andere Duitse componisten. Ook Fauré was niet zo enthousiast: hij noemde de finale ‘gekunsteld, niet goed in balans, in feite een mislukking’. Claude Debussy daarentegen schijnt te hebben gezegd: ‘In naam van de Muziekgoden en in mijn belang, verander geen noot aan wat je hebt geschreven.’

 

  • Maurice Ravel

    Maurice Ravel

  • Maurice Ravel

    Maurice Ravel

Alhoewel Debussy en Ravel vriendschappelijk met elkaar omgingen, waren ze ook elkaars rivalen. Beide ‘impressionisten’ componeerden slechts één strijkkwartet (Debussy’s kwartet is van tien jaar eerder) en het is dan ook niet verwonderlijk dat ze vaak met elkaar vergeleken worden.

Allebei bevatten ze nieuwe harmonieën (gebaseerd op modaliteit), strijktechnieken en klankkleuren. Beide strijkkwartetten hebben een scherzo als tweede deel waarin pizzicato’s de boventoon voeren, een langzaam impressionistisch derde deel, en een cyclische opbouw waarbij thema’s worden hergebruikt om een eenheid te creëren.

Maar een belangrijk verschil is dat Debussy neigt naar impressionistische, bijna improvisatieachtige vrijheid en Ravel meer naar neoklassiek vakmanschap. Het Strijkkwartet in F groot wordt met zijn lyrische openingsdeel, swingende tweede deel, dromerige derde deel en gloedvolle finale gezien als een van Ravels meesterwerken.

Alhoewel Debussy en Ravel vriendschappelijk met elkaar omgingen, waren ze ook elkaars rivalen. Beide ‘impressionisten’ componeerden slechts één strijkkwartet (Debussy’s kwartet is van tien jaar eerder) en het is dan ook niet verwonderlijk dat ze vaak met elkaar vergeleken worden.

Allebei bevatten ze nieuwe harmonieën (gebaseerd op modaliteit), strijktechnieken en klankkleuren. Beide strijkkwartetten hebben een scherzo als tweede deel waarin pizzicato’s de boventoon voeren, een langzaam impressionistisch derde deel, en een cyclische opbouw waarbij thema’s worden hergebruikt om een eenheid te creëren.

Maar een belangrijk verschil is dat Debussy neigt naar impressionistische, bijna improvisatieachtige vrijheid en Ravel meer naar neoklassiek vakmanschap. Het Strijkkwartet in F groot wordt met zijn lyrische openingsdeel, swingende tweede deel, dromerige derde deel en gloedvolle finale gezien als een van Ravels meesterwerken.

door Anneloes Brand

Béla Bartók (1881-1945)

Bartók: Derde strijkkwartet

door Anneloes Brand

  • Béla Bartók

    Béla Bartók

  • Béla Bartók

    Béla Bartók

Béla Bartók voltooide gedurende zijn leven zes strijkkwartetten, waarin je zijn muzikale ontwikkeling kunt volgen. Het Derde strijkkwartet in Cis groot is radicaler dan zijn vroege kwartetten. Het werk maakt niet alleen indruk door de muzikale kleuren aan de oppervlakte, maar ook door de knappe constructie. Dat bleef in 1927 al niet onopgemerkt: Bartóks kwartet won met de Serenata, opus 46 van Alfredo Casella een gedeelde eerste prijs in een compositiewedstrijd georganiseerd door de Musical Fund Society of Philadelphia.

In het Derde strijkkwartet gaan de vier gedeelten naadloos in elkaar over: het eerste gedeelte is langzaam, droevig en soms scherp. Het tweede onderdeel is snel en levendig en groeit in intensiteit. Het derde stuk is – anders dan de titel doet vermoeden – geen herhaling van het eerste, maar een variatie erop. Het laatste gedeelte is een kort coda dat herinnert aan het tweede deel en vol drive opbouwt naar het krachtige slot. Zoals ook in andere composities gebruikte Bartók ­volksmuziekachtige motieven, manieren en ritmes uit Hongaarse en andere Europese volksmuziek als bouwstenen om zijn eigen taal vorm te geven. Bovendien bevat het werk nieuwe technieken die vanaf die tijd vaker voor strijkers werden voorgeschreven: sul ponticello (dicht bij de kam spelen), jeté (met de strijkstok op de snaren stuiteren), col legno (met de houten bovenkant van de strijkstok spelen), glissando (van de ene toon naar de andere glijden) en het zogenaamde ‘Bartók-pizzicato’, waarbij de snaar hoorbaar op de toets terugklapt.

Béla Bartók voltooide gedurende zijn leven zes strijkkwartetten, waarin je zijn muzikale ontwikkeling kunt volgen. Het Derde strijkkwartet in Cis groot is radicaler dan zijn vroege kwartetten. Het werk maakt niet alleen indruk door de muzikale kleuren aan de oppervlakte, maar ook door de knappe constructie. Dat bleef in 1927 al niet onopgemerkt: Bartóks kwartet won met de Serenata, opus 46 van Alfredo Casella een gedeelde eerste prijs in een compositiewedstrijd georganiseerd door de Musical Fund Society of Philadelphia.

In het Derde strijkkwartet gaan de vier gedeelten naadloos in elkaar over: het eerste gedeelte is langzaam, droevig en soms scherp. Het tweede onderdeel is snel en levendig en groeit in intensiteit. Het derde stuk is – anders dan de titel doet vermoeden – geen herhaling van het eerste, maar een variatie erop. Het laatste gedeelte is een kort coda dat herinnert aan het tweede deel en vol drive opbouwt naar het krachtige slot. Zoals ook in andere composities gebruikte Bartók ­volksmuziekachtige motieven, manieren en ritmes uit Hongaarse en andere Europese volksmuziek als bouwstenen om zijn eigen taal vorm te geven. Bovendien bevat het werk nieuwe technieken die vanaf die tijd vaker voor strijkers werden voorgeschreven: sul ponticello (dicht bij de kam spelen), jeté (met de strijkstok op de snaren stuiteren), col legno (met de houten bovenkant van de strijkstok spelen), glissando (van de ene toon naar de andere glijden) en het zogenaamde ‘Bartók-pizzicato’, waarbij de snaar hoorbaar op de toets terugklapt.

door Anneloes Brand

Maurice Ravel 1875-1937

Strijkkwartet

door Anneloes Brand

Maurice Ravel voltooide zijn enige strijkkwartet in 1903 – achtentwintig jaar oud en ‘eeuwige student’ aan het Parijse conservatorium. Hij droeg het op aan zijn leraar, Gabriel Fauré, en zond het eerste deel ervan in voor de jaarlijkse compositiewedstrijd van het conservatorium.

De jury was niet onder de indruk en aangezien dit Ravels derde mislukte poging was, werd hij van school gestuurd. De jonge componist liet zijn Strijkkwartet in F groot toch tijdens een Société Nationale-­concert in maart 1904 in première brengen door het Heymann Kwartet.

Hoewel het werk positief werd ontvangen door het publiek, klaagden de critici dat het niet paste in de traditie van Ludwig van Beethoven en andere Duitse componisten. Ook Fauré was niet zo enthousiast: hij noemde de finale ‘gekunsteld, niet goed in balans, in feite een mislukking’. Claude Debussy daarentegen schijnt te hebben gezegd: ‘In naam van de Muziekgoden en in mijn belang, verander geen noot aan wat je hebt geschreven.’

 

Maurice Ravel voltooide zijn enige strijkkwartet in 1903 – achtentwintig jaar oud en ‘eeuwige student’ aan het Parijse conservatorium. Hij droeg het op aan zijn leraar, Gabriel Fauré, en zond het eerste deel ervan in voor de jaarlijkse compositiewedstrijd van het conservatorium.

De jury was niet onder de indruk en aangezien dit Ravels derde mislukte poging was, werd hij van school gestuurd. De jonge componist liet zijn Strijkkwartet in F groot toch tijdens een Société Nationale-­concert in maart 1904 in première brengen door het Heymann Kwartet.

Hoewel het werk positief werd ontvangen door het publiek, klaagden de critici dat het niet paste in de traditie van Ludwig van Beethoven en andere Duitse componisten. Ook Fauré was niet zo enthousiast: hij noemde de finale ‘gekunsteld, niet goed in balans, in feite een mislukking’. Claude Debussy daarentegen schijnt te hebben gezegd: ‘In naam van de Muziekgoden en in mijn belang, verander geen noot aan wat je hebt geschreven.’

 

  • Maurice Ravel

    Maurice Ravel

  • Maurice Ravel

    Maurice Ravel

Alhoewel Debussy en Ravel vriendschappelijk met elkaar omgingen, waren ze ook elkaars rivalen. Beide ‘impressionisten’ componeerden slechts één strijkkwartet (Debussy’s kwartet is van tien jaar eerder) en het is dan ook niet verwonderlijk dat ze vaak met elkaar vergeleken worden.

Allebei bevatten ze nieuwe harmonieën (gebaseerd op modaliteit), strijktechnieken en klankkleuren. Beide strijkkwartetten hebben een scherzo als tweede deel waarin pizzicato’s de boventoon voeren, een langzaam impressionistisch derde deel, en een cyclische opbouw waarbij thema’s worden hergebruikt om een eenheid te creëren.

Maar een belangrijk verschil is dat Debussy neigt naar impressionistische, bijna improvisatieachtige vrijheid en Ravel meer naar neoklassiek vakmanschap. Het Strijkkwartet in F groot wordt met zijn lyrische openingsdeel, swingende tweede deel, dromerige derde deel en gloedvolle finale gezien als een van Ravels meesterwerken.

Alhoewel Debussy en Ravel vriendschappelijk met elkaar omgingen, waren ze ook elkaars rivalen. Beide ‘impressionisten’ componeerden slechts één strijkkwartet (Debussy’s kwartet is van tien jaar eerder) en het is dan ook niet verwonderlijk dat ze vaak met elkaar vergeleken worden.

Allebei bevatten ze nieuwe harmonieën (gebaseerd op modaliteit), strijktechnieken en klankkleuren. Beide strijkkwartetten hebben een scherzo als tweede deel waarin pizzicato’s de boventoon voeren, een langzaam impressionistisch derde deel, en een cyclische opbouw waarbij thema’s worden hergebruikt om een eenheid te creëren.

Maar een belangrijk verschil is dat Debussy neigt naar impressionistische, bijna improvisatieachtige vrijheid en Ravel meer naar neoklassiek vakmanschap. Het Strijkkwartet in F groot wordt met zijn lyrische openingsdeel, swingende tweede deel, dromerige derde deel en gloedvolle finale gezien als een van Ravels meesterwerken.

door Anneloes Brand