Nog geen account of wachtwoord vergeten? Klik hier

Concertprogramma

Concertprogramma

Philippe Herreweghe en Collegium Vocale Gent: Mozart

Philippe Herreweghe en Collegium Vocale Gent: Mozart

Grote Zaal
18 november 2021
20.15 uur

Print dit programma

Dit concert maakt deel uit van de serie Monumentale Koorwerken.

Orchestre des Champs-Elysées
Collegium Vocale Gent
Philippe Herreweghe dirigent
Regula Mühlemann sopraan
Sophie Harmsen mezzosopraan
David Fischer tenor
Krešimir Stražanac bas

Lees ook: 
cd-tips voor november
7 missen die niet te missen zijn

 

Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791)

Symfonie nr. 40 in g kl.t., KV 550 (1788)
Molto allegro
Andante
Menuetto & Trio
Allegro assai

pauze ± 20.45 uur

Mis in c kl.t., ‘Grote’, KV 427 (1783)
Kyrie
Gloria
Laudamus te
Gratias
Domine Deus
Qui tollis
Quoniam
Jesu Christe
Credo
Et incarnatus est
Sanctus
Benedictus

einde ± 22.10 uur

Grote Zaal 18 november 2021 20.15 uur

Dit concert maakt deel uit van de serie Monumentale Koorwerken.

Orchestre des Champs-Elysées
Collegium Vocale Gent
Philippe Herreweghe dirigent
Regula Mühlemann sopraan
Sophie Harmsen mezzosopraan
David Fischer tenor
Krešimir Stražanac bas

Lees ook: 
cd-tips voor november
7 missen die niet te missen zijn

 

Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791)

Symfonie nr. 40 in g kl.t., KV 550 (1788)
Molto allegro
Andante
Menuetto & Trio
Allegro assai

pauze ± 20.45 uur

Mis in c kl.t., ‘Grote’, KV 427 (1783)
Kyrie
Gloria
Laudamus te
Gratias
Domine Deus
Qui tollis
Quoniam
Jesu Christe
Credo
Et incarnatus est
Sanctus
Benedictus

einde ± 22.10 uur

Toelichting

Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791)

Mozart: Symfonie nr. 40

door Lonneke Tausch

  • Wolfgang Amadeus Mozart

    anoniem portret

    Wolfgang Amadeus Mozart

    anoniem portret

  • Wolfgang Amadeus Mozart

    anoniem portret

    Wolfgang Amadeus Mozart

    anoniem portret

Nee, 1788 was geen best jaar voor het gezin Mozart. Op 29 juni overleed babydochtertje Theresia. Oostenrijk was in oorlog met de Turken, en mede door de daardoor ontstane economische tegenspoed lieten de financiën van de componist te wensen over; om het over zijn neiging geld over de balk te gooien nog maar niet te hebben. Een verhuizing van het centrum van Wenen naar een goedkopere buitenwijk was noodzakelijk. Zowel de componist als zijn vrouw waren veel ziek, met ook nog eens flinke medische kosten tot gevolg. Meer dan ooit zat Wolfgang Amadeus Mozart thuis, en componeerde. Binnen een week of zes voltooide hij drie grootschalige symfonieën; 26 juni, 25 juli en 10 augustus zijn de data waarop hij ze bijschreef in zijn werkencatalogus. Deze nummers 39, 40 en 41 zouden zijn laatste symfonieën zijn, want tot zijn dood in december 1791 wijdde hij zich niet meer aan het genre. Het is aannemelijk dat het drieluik was bedoeld voor een reeks abonnements­concerten in de herfst, zoals Mozart die ook eerder had georganiseerd en waar het Weense publiek steeds gretig kaarten voor had gekocht. Maar bewijs dat zo’n serie daadwerkelijk heeft plaatsgevonden ontbreekt. Op zijn Duitse reizen in 1789 (Dresden, Leipzig) en 1790 (Frankfurt, München) nam Mozart deze partituren ongetwijfeld ook mee, al is niet precies gedocumenteerd welke muziek hij waar presenteerde. Maar dat hij potentiële opdrachtgevers in het buitenland juist met zijn drie fantasierijke nieuwelingen wilde imponeren ligt voor de hand.

De Symfonie nr. 40 in g klein staat ook wel bekend als de ‘Grote g-klein-­symfonie’, om hem te onderscheiden van de bescheidener Symfonie nr. 25 in g klein (KV 183 uit 1773). Deze twee zijn meteen ook de enige mineursymfonieën van Mozarts hand, alle overige staan in majeur. Het eerste deel heeft – net als de delen 2 en 4 – een sonatevorm. Het speels verende begin van het hoofdthema in de strijkers krijgt bij de tweede inzet als tegenwicht rustige, lang aangehouden tonen in de blazers. In de doorwerking vallen een paar ingenieuze fugatische passages op. Het tweede deel, Andante, heeft mede door de vele repeterende noten een flinke voorwaarts stuwende kracht. De structuur van het Menuet is ongebruikelijk: waar de Weense Klassieken heel kenmerkend componeerden in frases van vier of acht maten komt Mozart hier met groepjes van drie maten – en zet zo de eventuele dansers steeds op het verkeerde been. De finale schiet uit de startblokken met een zogenaamde ‘Mannheimer Rakete’ (een stijgende drieklankfiguur) en kent in de doorwerking een spannende chromatiek, met een tijdelijke tonale desoriëntatie tot gevolg.

Van Mozarts Symfonie nr. 40 in g klein bestaan twee versies: een eerste met een fluit, twee hobo’s, twee fagotten en twee hoorns en een tweede met toegevoegde klarinetten (toen nog niet standaard in de orkestbezetting) en daarop aangepaste hobopartijen. Het was Johannes Brahms die in de jaren 1860 Mozarts handschrift van beide versies wist te verwerven, en hij schonk ze aan de Gesellschaft der Musikfreunde in Wenen waar ze nog steeds worden bewaard.

Nee, 1788 was geen best jaar voor het gezin Mozart. Op 29 juni overleed babydochtertje Theresia. Oostenrijk was in oorlog met de Turken, en mede door de daardoor ontstane economische tegenspoed lieten de financiën van de componist te wensen over; om het over zijn neiging geld over de balk te gooien nog maar niet te hebben. Een verhuizing van het centrum van Wenen naar een goedkopere buitenwijk was noodzakelijk. Zowel de componist als zijn vrouw waren veel ziek, met ook nog eens flinke medische kosten tot gevolg. Meer dan ooit zat Wolfgang Amadeus Mozart thuis, en componeerde. Binnen een week of zes voltooide hij drie grootschalige symfonieën; 26 juni, 25 juli en 10 augustus zijn de data waarop hij ze bijschreef in zijn werkencatalogus. Deze nummers 39, 40 en 41 zouden zijn laatste symfonieën zijn, want tot zijn dood in december 1791 wijdde hij zich niet meer aan het genre. Het is aannemelijk dat het drieluik was bedoeld voor een reeks abonnements­concerten in de herfst, zoals Mozart die ook eerder had georganiseerd en waar het Weense publiek steeds gretig kaarten voor had gekocht. Maar bewijs dat zo’n serie daadwerkelijk heeft plaatsgevonden ontbreekt. Op zijn Duitse reizen in 1789 (Dresden, Leipzig) en 1790 (Frankfurt, München) nam Mozart deze partituren ongetwijfeld ook mee, al is niet precies gedocumenteerd welke muziek hij waar presenteerde. Maar dat hij potentiële opdrachtgevers in het buitenland juist met zijn drie fantasierijke nieuwelingen wilde imponeren ligt voor de hand.

De Symfonie nr. 40 in g klein staat ook wel bekend als de ‘Grote g-klein-­symfonie’, om hem te onderscheiden van de bescheidener Symfonie nr. 25 in g klein (KV 183 uit 1773). Deze twee zijn meteen ook de enige mineursymfonieën van Mozarts hand, alle overige staan in majeur. Het eerste deel heeft – net als de delen 2 en 4 – een sonatevorm. Het speels verende begin van het hoofdthema in de strijkers krijgt bij de tweede inzet als tegenwicht rustige, lang aangehouden tonen in de blazers. In de doorwerking vallen een paar ingenieuze fugatische passages op. Het tweede deel, Andante, heeft mede door de vele repeterende noten een flinke voorwaarts stuwende kracht. De structuur van het Menuet is ongebruikelijk: waar de Weense Klassieken heel kenmerkend componeerden in frases van vier of acht maten komt Mozart hier met groepjes van drie maten – en zet zo de eventuele dansers steeds op het verkeerde been. De finale schiet uit de startblokken met een zogenaamde ‘Mannheimer Rakete’ (een stijgende drieklankfiguur) en kent in de doorwerking een spannende chromatiek, met een tijdelijke tonale desoriëntatie tot gevolg.

Van Mozarts Symfonie nr. 40 in g klein bestaan twee versies: een eerste met een fluit, twee hobo’s, twee fagotten en twee hoorns en een tweede met toegevoegde klarinetten (toen nog niet standaard in de orkestbezetting) en daarop aangepaste hobopartijen. Het was Johannes Brahms die in de jaren 1860 Mozarts handschrift van beide versies wist te verwerven, en hij schonk ze aan de Gesellschaft der Musikfreunde in Wenen waar ze nog steeds worden bewaard.

door Lonneke Tausch

Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791)

Mozart: Mis in c klein

door Lonneke Tausch

Al jong componeerde Mozart ook muziek voor de eredienst: zijn vroegst overgeleverde (losstaande) Kyrie, KV 33 voor koor en strijkers, noteerde hij in Parijs toen hij in 1766 als tienjarig wonderkind met zijn vader en zusje op reis was in Nederland, België en Frankrijk. Een tweede los Kyrie kennen we uit 1781 (KV 341, onderweg voltooid in München). Een complete mis componeerde hij zestien keer, en daarnaast zijn er nog de onvoltooide dodenmis (Mozart werkte tot op zijn sterfbed aan zijn Requiem in d klein, KV 626) en de incomplete Mis in c klein, KV 426 (later bijgenaamd de ‘Grote’).

Aan de Mis in c klein begon Mozart nadat er een einde was gekomen aan zijn dienstverband bij het aartsbisschoppelijk hof in Salzburg – dat hem in verschillende opzichten beknotte – en hij zich als zelfstandige had gevestigd in muziekmetropool Wenen. De aanleiding voor het schrijven van de mis was een persoonlijke: hij had hem bedoeld als dankzegging voor zijn huwelijk. Op 4 augustus 1782 was de componist in de Weense St. Stephansdom getrouwd met sopraan Constanze Weber. De aanvankelijke bezwaren van zijn vader (samen te vatten als ‘te vrijgevochten’) waren geluwd, maar pas een paar dagen na het huwelijk ontving de bruidegom per post diens formele goedkeuring. In een brief van 4 januari 1783 schrijft Mozart aan zijn vader over een mis die hij intussen voor de helft klaar heeft en die hij in Salzburg wil laten horen als hij daar zijn vrouw komt voorstellen. In de herfst is het zover: ‘de Engel van Salzburg’ keert voor even terug naar zijn geboortestad, en in de St. Peterskerk dirigeert hij op 26 oktober 1783 zijn overigens nog steeds onvoltooide Mis in c klein. Constanze was daadwerkelijk een van de solisten, en schoonvader Leopold zal ongetwijfeld in de kerkbanken hebben zitten luisteren.

Sinds Mozart zich in Wenen gevestigd had, bezocht hij geregeld de huisconcerten van baron Gottfried van Swieten. In de rijke bibliotheek van deze muziekminnende diplomaat nam hij bovendien kennis van het contrapuntische koorrepertoire van Händel en Bach. Dit is onmiskenbaar terug te horen in verschillende delen van de Mis in c klein. In het openingskoor van het Gloria citeert Mozart op de woorden ‘in excelsis’ het ‘Hallelujah’ uit Händels Messiah (1741), en zowel het slotkoor van het Gloria als het begin van het Credo en het dubbelkorige Sanctus zijn sterk verwant aan de grote koordelen van Bachs oratoria. Bij de ­dramatische chromatiek van het ‘Qui tollis’ (onderdeel van het Gloria) springt het ‘Crucifixus’ uit Bachs ‘Hohe Messe’ (1748-49) in gedachten. Mozart liet op deze manier zien dat hij de in zijn tijd steeds meer als ouderwets beschouwde koortechnieken van zijn barokvoorgangers op waarde schatte en wel degelijk zelf ook in de vingers had. In contrast daarmee is in andere misdelen de operacomponist Mozart niet ver weg. Bijvoorbeeld de solo ‘Laudamus te’, het damesduet ‘Domine Deus’ en het solistentrio ‘Quoniam’ (alle drie onderdelen van het Gloria) zouden niet hebben misstaan in een van Mozarts Italiaanse opera’s. De lenige sopraanmelodieën in Mozarts ‘dankmis’, met name het ‘Et incarnatus est’, zijn op te vatten als liefdesverklaringen van de pasgetrouwde componist aan zijn echtgenote en muze Constanze.

In Mozarts ‘Grote’ mis in c klein is het Credo onvolledig en ontbreekt het gehele Agnus Dei; ook bestaat niet van alle overgeleverde onderdelen een volledig uitgewerkte instrumentatie in Mozarts handschrift. Waarom Mozart het werk nooit helemaal heeft afgemaakt is niet bekend; het kan eenvoudigweg het tijdgebrek zijn geweest van een drukbezette cultureel ondernemer. Tot op de dag van vandaag zijn er musici en musicologen die zich bezighouden met completeringen, maar gezien de muzikale kwaliteit van wat Mozart wél schreef is de liturgische onvolledigheid voor veel hedendaagse uitvoerenden en concertbezoekers van ondergeschikt belang.

Al jong componeerde Mozart ook muziek voor de eredienst: zijn vroegst overgeleverde (losstaande) Kyrie, KV 33 voor koor en strijkers, noteerde hij in Parijs toen hij in 1766 als tienjarig wonderkind met zijn vader en zusje op reis was in Nederland, België en Frankrijk. Een tweede los Kyrie kennen we uit 1781 (KV 341, onderweg voltooid in München). Een complete mis componeerde hij zestien keer, en daarnaast zijn er nog de onvoltooide dodenmis (Mozart werkte tot op zijn sterfbed aan zijn Requiem in d klein, KV 626) en de incomplete Mis in c klein, KV 426 (later bijgenaamd de ‘Grote’).

Aan de Mis in c klein begon Mozart nadat er een einde was gekomen aan zijn dienstverband bij het aartsbisschoppelijk hof in Salzburg – dat hem in verschillende opzichten beknotte – en hij zich als zelfstandige had gevestigd in muziekmetropool Wenen. De aanleiding voor het schrijven van de mis was een persoonlijke: hij had hem bedoeld als dankzegging voor zijn huwelijk. Op 4 augustus 1782 was de componist in de Weense St. Stephansdom getrouwd met sopraan Constanze Weber. De aanvankelijke bezwaren van zijn vader (samen te vatten als ‘te vrijgevochten’) waren geluwd, maar pas een paar dagen na het huwelijk ontving de bruidegom per post diens formele goedkeuring. In een brief van 4 januari 1783 schrijft Mozart aan zijn vader over een mis die hij intussen voor de helft klaar heeft en die hij in Salzburg wil laten horen als hij daar zijn vrouw komt voorstellen. In de herfst is het zover: ‘de Engel van Salzburg’ keert voor even terug naar zijn geboortestad, en in de St. Peterskerk dirigeert hij op 26 oktober 1783 zijn overigens nog steeds onvoltooide Mis in c klein. Constanze was daadwerkelijk een van de solisten, en schoonvader Leopold zal ongetwijfeld in de kerkbanken hebben zitten luisteren.

Sinds Mozart zich in Wenen gevestigd had, bezocht hij geregeld de huisconcerten van baron Gottfried van Swieten. In de rijke bibliotheek van deze muziekminnende diplomaat nam hij bovendien kennis van het contrapuntische koorrepertoire van Händel en Bach. Dit is onmiskenbaar terug te horen in verschillende delen van de Mis in c klein. In het openingskoor van het Gloria citeert Mozart op de woorden ‘in excelsis’ het ‘Hallelujah’ uit Händels Messiah (1741), en zowel het slotkoor van het Gloria als het begin van het Credo en het dubbelkorige Sanctus zijn sterk verwant aan de grote koordelen van Bachs oratoria. Bij de ­dramatische chromatiek van het ‘Qui tollis’ (onderdeel van het Gloria) springt het ‘Crucifixus’ uit Bachs ‘Hohe Messe’ (1748-49) in gedachten. Mozart liet op deze manier zien dat hij de in zijn tijd steeds meer als ouderwets beschouwde koortechnieken van zijn barokvoorgangers op waarde schatte en wel degelijk zelf ook in de vingers had. In contrast daarmee is in andere misdelen de operacomponist Mozart niet ver weg. Bijvoorbeeld de solo ‘Laudamus te’, het damesduet ‘Domine Deus’ en het solistentrio ‘Quoniam’ (alle drie onderdelen van het Gloria) zouden niet hebben misstaan in een van Mozarts Italiaanse opera’s. De lenige sopraanmelodieën in Mozarts ‘dankmis’, met name het ‘Et incarnatus est’, zijn op te vatten als liefdesverklaringen van de pasgetrouwde componist aan zijn echtgenote en muze Constanze.

In Mozarts ‘Grote’ mis in c klein is het Credo onvolledig en ontbreekt het gehele Agnus Dei; ook bestaat niet van alle overgeleverde onderdelen een volledig uitgewerkte instrumentatie in Mozarts handschrift. Waarom Mozart het werk nooit helemaal heeft afgemaakt is niet bekend; het kan eenvoudigweg het tijdgebrek zijn geweest van een drukbezette cultureel ondernemer. Tot op de dag van vandaag zijn er musici en musicologen die zich bezighouden met completeringen, maar gezien de muzikale kwaliteit van wat Mozart wél schreef is de liturgische onvolledigheid voor veel hedendaagse uitvoerenden en concertbezoekers van ondergeschikt belang.

door Lonneke Tausch

Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791)

Mozart: Symfonie nr. 40

door Lonneke Tausch

  • Wolfgang Amadeus Mozart

    anoniem portret

    Wolfgang Amadeus Mozart

    anoniem portret

  • Wolfgang Amadeus Mozart

    anoniem portret

    Wolfgang Amadeus Mozart

    anoniem portret

Nee, 1788 was geen best jaar voor het gezin Mozart. Op 29 juni overleed babydochtertje Theresia. Oostenrijk was in oorlog met de Turken, en mede door de daardoor ontstane economische tegenspoed lieten de financiën van de componist te wensen over; om het over zijn neiging geld over de balk te gooien nog maar niet te hebben. Een verhuizing van het centrum van Wenen naar een goedkopere buitenwijk was noodzakelijk. Zowel de componist als zijn vrouw waren veel ziek, met ook nog eens flinke medische kosten tot gevolg. Meer dan ooit zat Wolfgang Amadeus Mozart thuis, en componeerde. Binnen een week of zes voltooide hij drie grootschalige symfonieën; 26 juni, 25 juli en 10 augustus zijn de data waarop hij ze bijschreef in zijn werkencatalogus. Deze nummers 39, 40 en 41 zouden zijn laatste symfonieën zijn, want tot zijn dood in december 1791 wijdde hij zich niet meer aan het genre. Het is aannemelijk dat het drieluik was bedoeld voor een reeks abonnements­concerten in de herfst, zoals Mozart die ook eerder had georganiseerd en waar het Weense publiek steeds gretig kaarten voor had gekocht. Maar bewijs dat zo’n serie daadwerkelijk heeft plaatsgevonden ontbreekt. Op zijn Duitse reizen in 1789 (Dresden, Leipzig) en 1790 (Frankfurt, München) nam Mozart deze partituren ongetwijfeld ook mee, al is niet precies gedocumenteerd welke muziek hij waar presenteerde. Maar dat hij potentiële opdrachtgevers in het buitenland juist met zijn drie fantasierijke nieuwelingen wilde imponeren ligt voor de hand.

De Symfonie nr. 40 in g klein staat ook wel bekend als de ‘Grote g-klein-­symfonie’, om hem te onderscheiden van de bescheidener Symfonie nr. 25 in g klein (KV 183 uit 1773). Deze twee zijn meteen ook de enige mineursymfonieën van Mozarts hand, alle overige staan in majeur. Het eerste deel heeft – net als de delen 2 en 4 – een sonatevorm. Het speels verende begin van het hoofdthema in de strijkers krijgt bij de tweede inzet als tegenwicht rustige, lang aangehouden tonen in de blazers. In de doorwerking vallen een paar ingenieuze fugatische passages op. Het tweede deel, Andante, heeft mede door de vele repeterende noten een flinke voorwaarts stuwende kracht. De structuur van het Menuet is ongebruikelijk: waar de Weense Klassieken heel kenmerkend componeerden in frases van vier of acht maten komt Mozart hier met groepjes van drie maten – en zet zo de eventuele dansers steeds op het verkeerde been. De finale schiet uit de startblokken met een zogenaamde ‘Mannheimer Rakete’ (een stijgende drieklankfiguur) en kent in de doorwerking een spannende chromatiek, met een tijdelijke tonale desoriëntatie tot gevolg.

Van Mozarts Symfonie nr. 40 in g klein bestaan twee versies: een eerste met een fluit, twee hobo’s, twee fagotten en twee hoorns en een tweede met toegevoegde klarinetten (toen nog niet standaard in de orkestbezetting) en daarop aangepaste hobopartijen. Het was Johannes Brahms die in de jaren 1860 Mozarts handschrift van beide versies wist te verwerven, en hij schonk ze aan de Gesellschaft der Musikfreunde in Wenen waar ze nog steeds worden bewaard.

Nee, 1788 was geen best jaar voor het gezin Mozart. Op 29 juni overleed babydochtertje Theresia. Oostenrijk was in oorlog met de Turken, en mede door de daardoor ontstane economische tegenspoed lieten de financiën van de componist te wensen over; om het over zijn neiging geld over de balk te gooien nog maar niet te hebben. Een verhuizing van het centrum van Wenen naar een goedkopere buitenwijk was noodzakelijk. Zowel de componist als zijn vrouw waren veel ziek, met ook nog eens flinke medische kosten tot gevolg. Meer dan ooit zat Wolfgang Amadeus Mozart thuis, en componeerde. Binnen een week of zes voltooide hij drie grootschalige symfonieën; 26 juni, 25 juli en 10 augustus zijn de data waarop hij ze bijschreef in zijn werkencatalogus. Deze nummers 39, 40 en 41 zouden zijn laatste symfonieën zijn, want tot zijn dood in december 1791 wijdde hij zich niet meer aan het genre. Het is aannemelijk dat het drieluik was bedoeld voor een reeks abonnements­concerten in de herfst, zoals Mozart die ook eerder had georganiseerd en waar het Weense publiek steeds gretig kaarten voor had gekocht. Maar bewijs dat zo’n serie daadwerkelijk heeft plaatsgevonden ontbreekt. Op zijn Duitse reizen in 1789 (Dresden, Leipzig) en 1790 (Frankfurt, München) nam Mozart deze partituren ongetwijfeld ook mee, al is niet precies gedocumenteerd welke muziek hij waar presenteerde. Maar dat hij potentiële opdrachtgevers in het buitenland juist met zijn drie fantasierijke nieuwelingen wilde imponeren ligt voor de hand.

De Symfonie nr. 40 in g klein staat ook wel bekend als de ‘Grote g-klein-­symfonie’, om hem te onderscheiden van de bescheidener Symfonie nr. 25 in g klein (KV 183 uit 1773). Deze twee zijn meteen ook de enige mineursymfonieën van Mozarts hand, alle overige staan in majeur. Het eerste deel heeft – net als de delen 2 en 4 – een sonatevorm. Het speels verende begin van het hoofdthema in de strijkers krijgt bij de tweede inzet als tegenwicht rustige, lang aangehouden tonen in de blazers. In de doorwerking vallen een paar ingenieuze fugatische passages op. Het tweede deel, Andante, heeft mede door de vele repeterende noten een flinke voorwaarts stuwende kracht. De structuur van het Menuet is ongebruikelijk: waar de Weense Klassieken heel kenmerkend componeerden in frases van vier of acht maten komt Mozart hier met groepjes van drie maten – en zet zo de eventuele dansers steeds op het verkeerde been. De finale schiet uit de startblokken met een zogenaamde ‘Mannheimer Rakete’ (een stijgende drieklankfiguur) en kent in de doorwerking een spannende chromatiek, met een tijdelijke tonale desoriëntatie tot gevolg.

Van Mozarts Symfonie nr. 40 in g klein bestaan twee versies: een eerste met een fluit, twee hobo’s, twee fagotten en twee hoorns en een tweede met toegevoegde klarinetten (toen nog niet standaard in de orkestbezetting) en daarop aangepaste hobopartijen. Het was Johannes Brahms die in de jaren 1860 Mozarts handschrift van beide versies wist te verwerven, en hij schonk ze aan de Gesellschaft der Musikfreunde in Wenen waar ze nog steeds worden bewaard.

door Lonneke Tausch

Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791)

Mozart: Mis in c klein

door Lonneke Tausch

Al jong componeerde Mozart ook muziek voor de eredienst: zijn vroegst overgeleverde (losstaande) Kyrie, KV 33 voor koor en strijkers, noteerde hij in Parijs toen hij in 1766 als tienjarig wonderkind met zijn vader en zusje op reis was in Nederland, België en Frankrijk. Een tweede los Kyrie kennen we uit 1781 (KV 341, onderweg voltooid in München). Een complete mis componeerde hij zestien keer, en daarnaast zijn er nog de onvoltooide dodenmis (Mozart werkte tot op zijn sterfbed aan zijn Requiem in d klein, KV 626) en de incomplete Mis in c klein, KV 426 (later bijgenaamd de ‘Grote’).

Aan de Mis in c klein begon Mozart nadat er een einde was gekomen aan zijn dienstverband bij het aartsbisschoppelijk hof in Salzburg – dat hem in verschillende opzichten beknotte – en hij zich als zelfstandige had gevestigd in muziekmetropool Wenen. De aanleiding voor het schrijven van de mis was een persoonlijke: hij had hem bedoeld als dankzegging voor zijn huwelijk. Op 4 augustus 1782 was de componist in de Weense St. Stephansdom getrouwd met sopraan Constanze Weber. De aanvankelijke bezwaren van zijn vader (samen te vatten als ‘te vrijgevochten’) waren geluwd, maar pas een paar dagen na het huwelijk ontving de bruidegom per post diens formele goedkeuring. In een brief van 4 januari 1783 schrijft Mozart aan zijn vader over een mis die hij intussen voor de helft klaar heeft en die hij in Salzburg wil laten horen als hij daar zijn vrouw komt voorstellen. In de herfst is het zover: ‘de Engel van Salzburg’ keert voor even terug naar zijn geboortestad, en in de St. Peterskerk dirigeert hij op 26 oktober 1783 zijn overigens nog steeds onvoltooide Mis in c klein. Constanze was daadwerkelijk een van de solisten, en schoonvader Leopold zal ongetwijfeld in de kerkbanken hebben zitten luisteren.

Sinds Mozart zich in Wenen gevestigd had, bezocht hij geregeld de huisconcerten van baron Gottfried van Swieten. In de rijke bibliotheek van deze muziekminnende diplomaat nam hij bovendien kennis van het contrapuntische koorrepertoire van Händel en Bach. Dit is onmiskenbaar terug te horen in verschillende delen van de Mis in c klein. In het openingskoor van het Gloria citeert Mozart op de woorden ‘in excelsis’ het ‘Hallelujah’ uit Händels Messiah (1741), en zowel het slotkoor van het Gloria als het begin van het Credo en het dubbelkorige Sanctus zijn sterk verwant aan de grote koordelen van Bachs oratoria. Bij de ­dramatische chromatiek van het ‘Qui tollis’ (onderdeel van het Gloria) springt het ‘Crucifixus’ uit Bachs ‘Hohe Messe’ (1748-49) in gedachten. Mozart liet op deze manier zien dat hij de in zijn tijd steeds meer als ouderwets beschouwde koortechnieken van zijn barokvoorgangers op waarde schatte en wel degelijk zelf ook in de vingers had. In contrast daarmee is in andere misdelen de operacomponist Mozart niet ver weg. Bijvoorbeeld de solo ‘Laudamus te’, het damesduet ‘Domine Deus’ en het solistentrio ‘Quoniam’ (alle drie onderdelen van het Gloria) zouden niet hebben misstaan in een van Mozarts Italiaanse opera’s. De lenige sopraanmelodieën in Mozarts ‘dankmis’, met name het ‘Et incarnatus est’, zijn op te vatten als liefdesverklaringen van de pasgetrouwde componist aan zijn echtgenote en muze Constanze.

In Mozarts ‘Grote’ mis in c klein is het Credo onvolledig en ontbreekt het gehele Agnus Dei; ook bestaat niet van alle overgeleverde onderdelen een volledig uitgewerkte instrumentatie in Mozarts handschrift. Waarom Mozart het werk nooit helemaal heeft afgemaakt is niet bekend; het kan eenvoudigweg het tijdgebrek zijn geweest van een drukbezette cultureel ondernemer. Tot op de dag van vandaag zijn er musici en musicologen die zich bezighouden met completeringen, maar gezien de muzikale kwaliteit van wat Mozart wél schreef is de liturgische onvolledigheid voor veel hedendaagse uitvoerenden en concertbezoekers van ondergeschikt belang.

Al jong componeerde Mozart ook muziek voor de eredienst: zijn vroegst overgeleverde (losstaande) Kyrie, KV 33 voor koor en strijkers, noteerde hij in Parijs toen hij in 1766 als tienjarig wonderkind met zijn vader en zusje op reis was in Nederland, België en Frankrijk. Een tweede los Kyrie kennen we uit 1781 (KV 341, onderweg voltooid in München). Een complete mis componeerde hij zestien keer, en daarnaast zijn er nog de onvoltooide dodenmis (Mozart werkte tot op zijn sterfbed aan zijn Requiem in d klein, KV 626) en de incomplete Mis in c klein, KV 426 (later bijgenaamd de ‘Grote’).

Aan de Mis in c klein begon Mozart nadat er een einde was gekomen aan zijn dienstverband bij het aartsbisschoppelijk hof in Salzburg – dat hem in verschillende opzichten beknotte – en hij zich als zelfstandige had gevestigd in muziekmetropool Wenen. De aanleiding voor het schrijven van de mis was een persoonlijke: hij had hem bedoeld als dankzegging voor zijn huwelijk. Op 4 augustus 1782 was de componist in de Weense St. Stephansdom getrouwd met sopraan Constanze Weber. De aanvankelijke bezwaren van zijn vader (samen te vatten als ‘te vrijgevochten’) waren geluwd, maar pas een paar dagen na het huwelijk ontving de bruidegom per post diens formele goedkeuring. In een brief van 4 januari 1783 schrijft Mozart aan zijn vader over een mis die hij intussen voor de helft klaar heeft en die hij in Salzburg wil laten horen als hij daar zijn vrouw komt voorstellen. In de herfst is het zover: ‘de Engel van Salzburg’ keert voor even terug naar zijn geboortestad, en in de St. Peterskerk dirigeert hij op 26 oktober 1783 zijn overigens nog steeds onvoltooide Mis in c klein. Constanze was daadwerkelijk een van de solisten, en schoonvader Leopold zal ongetwijfeld in de kerkbanken hebben zitten luisteren.

Sinds Mozart zich in Wenen gevestigd had, bezocht hij geregeld de huisconcerten van baron Gottfried van Swieten. In de rijke bibliotheek van deze muziekminnende diplomaat nam hij bovendien kennis van het contrapuntische koorrepertoire van Händel en Bach. Dit is onmiskenbaar terug te horen in verschillende delen van de Mis in c klein. In het openingskoor van het Gloria citeert Mozart op de woorden ‘in excelsis’ het ‘Hallelujah’ uit Händels Messiah (1741), en zowel het slotkoor van het Gloria als het begin van het Credo en het dubbelkorige Sanctus zijn sterk verwant aan de grote koordelen van Bachs oratoria. Bij de ­dramatische chromatiek van het ‘Qui tollis’ (onderdeel van het Gloria) springt het ‘Crucifixus’ uit Bachs ‘Hohe Messe’ (1748-49) in gedachten. Mozart liet op deze manier zien dat hij de in zijn tijd steeds meer als ouderwets beschouwde koortechnieken van zijn barokvoorgangers op waarde schatte en wel degelijk zelf ook in de vingers had. In contrast daarmee is in andere misdelen de operacomponist Mozart niet ver weg. Bijvoorbeeld de solo ‘Laudamus te’, het damesduet ‘Domine Deus’ en het solistentrio ‘Quoniam’ (alle drie onderdelen van het Gloria) zouden niet hebben misstaan in een van Mozarts Italiaanse opera’s. De lenige sopraanmelodieën in Mozarts ‘dankmis’, met name het ‘Et incarnatus est’, zijn op te vatten als liefdesverklaringen van de pasgetrouwde componist aan zijn echtgenote en muze Constanze.

In Mozarts ‘Grote’ mis in c klein is het Credo onvolledig en ontbreekt het gehele Agnus Dei; ook bestaat niet van alle overgeleverde onderdelen een volledig uitgewerkte instrumentatie in Mozarts handschrift. Waarom Mozart het werk nooit helemaal heeft afgemaakt is niet bekend; het kan eenvoudigweg het tijdgebrek zijn geweest van een drukbezette cultureel ondernemer. Tot op de dag van vandaag zijn er musici en musicologen die zich bezighouden met completeringen, maar gezien de muzikale kwaliteit van wat Mozart wél schreef is de liturgische onvolledigheid voor veel hedendaagse uitvoerenden en concertbezoekers van ondergeschikt belang.

door Lonneke Tausch

Biografie

Collegium Vocale Gent, koor

Collegium Vocale Gent werd in 1970 opgericht op initiatief van Philippe Herreweghe. Het koor paste als een van de eerste de nieuwe inzichten inzake de uitvoering van barokmuziek toe op de vocale muziek. Deze authentieke, tekstgerichte aanpak zorgde voor een transparant klankidioom waardoor het in korte tijd wereldfaam verwierf.

Collegium Vocale Gent is uitgegroeid tot een flexibel ensemble met een ruim repertoire uit verschillende stijlperiodes. De grootste troef is dat voor elk project een geoptimaliseerde bezetting bijeengebracht wordt. Het koor werkt met het eigen barokorkest en met gespecialiseerde gezelschappen als het Orchestre des Champs-­Elysées, het Freiburger Barockorchester of de Akademie für Alte Musik Berlin, maar heeft ook symfonische orkesten als partner zoals het Antwerp Symphony Orchestra, het Chamber Orchestra of Europe en het Concertgebouworkest.

Collegium Vocale Gent geniet de steun van de Vlaamse Gemeenschap en de stad Gent, en was van 2011 tot 2013 ambassadeur van de Europese Unie. Sinds 2017 organiseert het koor in Toscane een eigen zomerfestival: Collegium ­Vocale Crete Senesi.

In de Eigen Programmering van Het Concertgebouw was Collegium ­Vocale Gent voor het laatst te beluisteren op 17 mei 2016 in een Mozart-­programma met het Boedapest Festival Orkest onder leiding van Iván Fischer.

Orchestre des Champs-Elysées, orkest

In 1991 nam Philippe Herreweghe samen met Alain Durel, directeur van het Théâtre des Champs-­Elysées in Parijs, het initiatief tot de oprichting van een nieuw orkest: het ­Orchestre des ­Champs-Elysées, toegewijd aan het uitvoeren van repertoire van grofweg Haydn tot ­Debussy met gebruikmaking van instrumenten zoals die werden bespeeld in de tijd van de componisten zelf.

Het Orchestre des Champs-­Elysées was geruime tijd huisorkest van zowel het Théâtre des Champs-Elysées in Parijs als BOZAR in Brussel. Het gezelschap is geregeld in Het Concertgebouw te gast en treedt op in zalen als het Gewandhaus in Leipzig, de Musikverein in Wenen, de Alte Oper in Frankfurt, de Philharmonieën van Berlijn, München en Keulen, het Barbican Centre in Londen en het Lincoln Center in New York. Ook tourde het door Japan, Korea, China en Australië.

Philippe Herreweghe is chef-dirigent, en als gastdirigenten werden onder anderen Daniel Harding, Christian Zacharias, Louis Langrée, Heinz Holliger, Christophe Coin en René Jacobs uitgenodigd. Het Orchestre des Champs-Elysées onderhoudt een sterke band met Collegium Vocale Gent, het koor waarmee het ook veel vocaal repertoire op cd uitbracht.

Philippe Herreweghe, dirigent

Philippe Herreweghe combineerde in Gent zijn universitaire studie (geneeskunde en psychiatrie) met een piano-­opleiding aan het conservatorium. Al tijdens zijn studietijd begon hij met dirigeren en richtte hij Collegium Vocale Gent op. Hij werkte samen met Nikolaus Harnoncourt en ­Gustav ­Leonhardt aan hun complete opnames van Bachs cantates en groeide uit tot een van de bekendste oudemuziekdirigenten. Later breidde hij zijn repertoire gestaag uit naar het grote symfonische repertoire.

Hij was oprichter van La Chapelle Royale (1977, gespecialiseerd in de Franse muziek van de zeventiende eeuw), het Orchestre des Champs- Elysées (1991) en zijn eigen Italiaanse festival Collegium Vocale Crete Senesi (2001).

In 2010 begon de dirigent zijn eigen label Φ (PHI). Sinds 1997 is Philippe Herreweghe bovendien eredirigent van het Antwerp Symphony Orchestra. Als gastdirigent stond hij voor onder meer het Gewandhaus­orchester Leipzig, het Mahler Chamber Orchestra en het Tonhalle-Orchester Zürich.

Bij het Concertgebouworkest leidde hij meermaals de passie-uitvoeringen en was hij bijvoorbeeld ook te gast voor de Kerstmatinee 2017 met Bachs ‘Hohe Messe’.

Philippe Herreweghe is cultureel ambassadeur van Vlaanderen, Officier des Arts et Lettres en Chevalier de la Légion d’Honneur, heeft eredoctoraten van de universiteiten van Leuven en Gent en kreeg in 2010 de Bach-­Medaille van de stad Leipzig.

Regula Mühlemann, sopraan

Regula Mühlemann werd geboren in Luzern, waar ze studeerde aan het conservatorium en haar eerste operarollen vertolkte. De coloratuursopraan was in 2015 finalist in de Cardiff Singer of the World Competition.

Mozart neemt een belangrijke plek in in haar agenda. Ze nam twee aria-albums op (in 2016 en 2020), zong aan de Wiener Staatsoper in Die Entführung aus dem Serail (Blonde), Die Zauberflöte (Pamina) en Le nozze di Figaro (Susanna), stond in het Festspielhaus Baden-Baden in La clemenza di Tito, in het Teatro San Carlo in Napels in Die Entführung aus dem Serail en in de Berliner Staatsoper in La finta giardiniera. Als Susanna in Le nozze di Figaro trad ze ook op in Genève en Zürich en tijdens de Mozartwoche Salzburg. Als Elisa in Il re pastore tourde ze met Les Arts Florissants en William Christie en als Zerlina in Don Giovanni was ze te gast op het Yehudi Menuhin Festival in Gstaad.

Voor opera’s van andere componisten werd Regula Mühlemann geëngageerd door de Wiener Staatsoper (Donizetti, Johann Strauss), La Scala in Milaan (Richard Strauss), het Theater an der Wien (Rossini) en het Théatre des Champs-Elysées (Beethoven). Op het concertpodium soleerde ze bijvoorbeeld in Mahlers Vierde symfonie bij de Sächsische Staatskapelle Dresden onder Mariss Jansons en in Bachs Passionen en ‘Hohe Messe’ bij de Internationale Bach Akademie Stuttgart.

David Fischer, tenor

David Fischer voltooide zijn zangstudie in Freiburg bij Reginaldo Pinheiro en volgde masterclasses bij Brigitte Fassbaender. De jonge Duitse tenor bekroonde het jaar 2016 met het winnen van het Concours de Genève en trad vervolgens toe tot het zangersensemble van de Oper Bonn, waar hij gestalte gaf aan onder meer Reverend Horace Adams in Brittens Peter Grimes, Pang in Puccini’s Turandot en Jaquino in Beethovens Fidelio.

Sinds september 2019 is hij vast ensemblelid van de Deutsche Oper am Rhein. Hij is geregeld te gast aan de Oper Leipzig, tourde met het Freiburger Barockorchester en René Jacobs door Azië met Mozarts Don Giovanni en debuteerde in februari 2021 aan het Salzburger Landestheater als Tamino in Die Zauberflöte van Mozart.

Als concertzanger voerde David Fischer Stravinsky’s Pulcinella uit met het Rundfunk-Sinfonie­orchester Berlin onder leiding van Sylvain Cambreling, Mendelssohns Die erste Walpurgisnacht met Frieder Bernius en de Deutsche Kammerphilharmonie Bremen, en Bachs Johannes-­Passion met de NDR Radiophilharmonie Hannover en Andrew Manze. Met zijn Finse liedpartner Pauliina Tukiainen gaf hij recitals in Genève en tijdens het Schumannfest in Bonn.

David Fischer maakt zijn debuut in de Grote Zaal.

Sophie Harmsen, mezzosopraan

Als kind van Duitse diplomaten reisde Sophie Harmsen al jong over de wereld, en ze studeerde aan de universiteit van Kaapstad en in Duitsland bij de Canadese sopraan Edith Wiens. Philippe Herreweghe nodigde haar eerder al uit om Dvořák te zingen met het Konzerthausorchester Berlin, C.Ph.E. Bach met zijn eigen Collegium Vocale Gent, en Mozart tijdens de Mozartwoche Salzburg.

Onder leiding van René Jacobs debuteerde de mezzosopraan als Donna Elvira in Mozarts Don Giovanni en tourde ze door Europa in Beethovens Missa solemnis, en met Andrea Marcon ging ze op tournee met Bachs ‘Hohe Messe’. Aan het Teatro Real Madrid vertolkte ze de partij van Annio in Mozarts La clemenza di Tito. Dergelijke engagementen verraden Sophie Harmsens voorliefde voor het oudere repertoire.

Onder de dirigenten met wie ze verder nog werkte, zijn Adam Fischer, Iván Fischer, Daniel Harding, Thomas Hengelbrock, Manfred ­Honeck, Václav Luks, Raphaël ­Pichon en Markus Stenz.

Sophie Harmsen was te gast op de internationale festivals van Salzburg, Schleswig-Holstein en Rheingau en soleerde bij onder meer het ­Gewandhausorchester Leipzig, het SWR Symphonieorchester, de Akademie für Alte Musik Berlin en het RIAS Kammerchor, het Royal Stockholm Philharmonic Orchestra en het Israël Philharmonisch Orkest.

Kresimir Strazanac, bas

Krešimir Stražanac studeerde zang bij Dunja Vejzović en liedinterpretatie bij Cornelis Witthoefft aan de Staatliche Hochschule für Musik und darstellende Kunst Stuttgart en privé bij Jane Thorner Mengedoht en Hanns-­Friedrich Kunz. Hij won prijzen op de Cantilena Gesangswettbewerb in Bayreuth en het Internationale Hugo Wolf Concours in Slovenië.

Als vast ensemblelid van het Opernhaus Zürich verscheen de Kroatische zanger in opera’s van onder anderen Eötvös, Puccini en ­Richard Strauss. Als gastzanger werd hij geëngageerd door de Bayerische Staatsoper in München en de Oper Frankfurt. Krešimir Stražanac soleerde bij een groot aantal orkesten in bijvoorbeeld de Passionen en vele andere werken van Bach, de requiems van Mozart, Brahms, Dvořák en Fauré en de oratoria van Mendelssohn.

Onder de gespecialiseerde barokgezelschappen die hem uitnodigden, zijn bijvoorbeeld Concerto Köln en Collegium 1704. Krešimir Stražanac werkte met dirigenten als ­Herbert Blomstedt, Manfred Honeck, René Jacobs, Václav Luks, Hans- Christoph Rademann, Jukka-Pekka Saraste en Franz Welser-Möst.

Onder leiding van Philippe Herreweghe trad hij reeds veelvuldig op, onder meer in december 2017 bij het Concertgebouworkest in Bachs ‘Hohe Messe’.