Nog geen account of wachtwoord vergeten? Klik hier

Pergolesi's Stabat mater door La Sfera Armoniosa en Mike Fentross

Pergolesi's Stabat mater door La Sfera Armoniosa en Mike Fentross

Grote Zaal
03 maart 2026
20.15 uur

Print dit programma

La Sfera Armoniosa
Mike Fentross dirigent
Erika Baikoff sopraan
Helena Rasker alt

Dit concert maakt deel uit van de serie Onsterfelijke Noten.

In Preludium Live om 19.40 uur in de Spiegelzaal (inloop vanaf 19.35 uur) geeft Jacqueline Oskamp een inleiding op het Stabat Mater van Pergolesi.

Ook interessant:
- Waarom werd Pergolesi's Stabat mater wereldberoemd?
- De theorbe van Mike Fentross

Unico Wilhelm van Wassenaer (1692-1766)

Concerto armonico nr. 3 in A gr.t. (1725-40) 
Grave sostenuto
Da cappella. Canone
Largo andante
Vivace

Giovanni Battista Pergolesi (1710-1736)

Salve Regina in a kl.t. (ca. 1725-35)
voor sopraan, strijkers en orgel
Salve Regina
Ad te clamamus
Ad te suspiramus
Eia, ergo
O clemens, o pia 

Unico Wilhelm van Wassenaer

Concerto armonico nr. 5 in f kl.t. (1725-40) 
Adagio – Largo
Da cappella
A tempo comodo (con sordini)
A tempo giusto

Giovanni Battista Pergolesi

Salve Regina in f kl.t. (jaartal onbekend)
voor alt en strijkers
Salve Regina
Ad te clamamus
Eia, ergo
Et Jesum benedictum
O virgo Maria

pauze ± 21.05 uur

Giovanni Battista Pergolesi

Stabat Mater (1736)
voor sopraan, alt en strijkers
Stabat Mater dolorosa
Cuius animam gementem
O quam tristis et afflicta
Quae moerebat et dolebat
Quis est homo
Vidit suum dulcem natum
Eia Mater fons amoris
Fac, ut ardeat cor meum
Sancta Mater, istud agas
Fac ut portem Christi mortem
Inflammatus et accensus
Quando corpus morietur

einde ± 22.15 uur

Grote Zaal 03 maart 2026 20.15 uur

La Sfera Armoniosa
Mike Fentross dirigent
Erika Baikoff sopraan
Helena Rasker alt

Dit concert maakt deel uit van de serie Onsterfelijke Noten.

In Preludium Live om 19.40 uur in de Spiegelzaal (inloop vanaf 19.35 uur) geeft Jacqueline Oskamp een inleiding op het Stabat Mater van Pergolesi.

Ook interessant:
- Waarom werd Pergolesi's Stabat mater wereldberoemd?
- De theorbe van Mike Fentross

Unico Wilhelm van Wassenaer (1692-1766)

Concerto armonico nr. 3 in A gr.t. (1725-40) 
Grave sostenuto
Da cappella. Canone
Largo andante
Vivace

Giovanni Battista Pergolesi (1710-1736)

Salve Regina in a kl.t. (ca. 1725-35)
voor sopraan, strijkers en orgel
Salve Regina
Ad te clamamus
Ad te suspiramus
Eia, ergo
O clemens, o pia 

Unico Wilhelm van Wassenaer

Concerto armonico nr. 5 in f kl.t. (1725-40) 
Adagio – Largo
Da cappella
A tempo comodo (con sordini)
A tempo giusto

Giovanni Battista Pergolesi

Salve Regina in f kl.t. (jaartal onbekend)
voor alt en strijkers
Salve Regina
Ad te clamamus
Eia, ergo
Et Jesum benedictum
O virgo Maria

pauze ± 21.05 uur

Giovanni Battista Pergolesi

Stabat Mater (1736)
voor sopraan, alt en strijkers
Stabat Mater dolorosa
Cuius animam gementem
O quam tristis et afflicta
Quae moerebat et dolebat
Quis est homo
Vidit suum dulcem natum
Eia Mater fons amoris
Fac, ut ardeat cor meum
Sancta Mater, istud agas
Fac ut portem Christi mortem
Inflammatus et accensus
Quando corpus morietur

einde ± 22.15 uur

Toelichting

Toelichting

door Clemens Romijn

Een goed bewaard geheim

Een van de best bewaarde geheimen uit de Nederlandse muziek­historie was tot ruim veertig jaar geleden de naam van de componist graaf Unico Wilhelm van Wassenaer Obdam. Hij was een vooraanstaand politicus en diplomaat in de Republiek van de Verenigde Nederlanden. Ruim twee eeuwen lag zijn naam in het stof van de vergetelheid begraven, totdat in 1980 de Nederlandse musicoloog Albert Dunning het overtuigende bewijs leverde dat Van Wassenaer de auteur was van zes wereldberoemde concerten voor strijkorkest, de Concerti armonici, die tot dan toe waren toegeschreven aan de Italiaans-Nederlandse componist Carlo Ricciotti (ca. 1681-1756), en ook aan de Italiaan Giovanni Battista Pergolesi (1710-1736).

Van Wassenaer werd geboren op kasteel Twickel in Delden in 1692 als telg van een van de oudste Nederlandse adellijke geslachten. Hij studeerde onder meer rechten aan de Universiteit van Leiden. Na zijn vaders dood in 1717 erfde hij het kasteel – waar in 1980 het handschrift van zijn Concerti armonici werd teruggevonden – en begon hij aan zijn grote tocht door Europa (Parijs, Italië, Wenen en Praag). Na een voorspoedige carrière als Nederlands diplomaat stierf hij op 6 november 1766 in Den Haag.

De graaf was een fervent amateur­musicus die omstreeks 1725 in Den Haag lid was van het stedelijk muziekgezelschap, het collegium musicum, waarin ook andere hoge edelen meespeelden, onder wie Willem graaf Bentinck, diens broer Carel Bentinck, en Van Wassenaers zwager Guido Pape. Carlo ­Ricciotti had de leiding. We kunnen ervan uitgaan dat Van Wassenaer zijn zes concerten voor strijkers met dit ensemble heeft uitgevoerd. De concerten zijn zevenstemmig en hebben een levendige afwisseling van solo- en tutti-gedeelten. Ze tellen allemaal vier delen, namelijk een inleidend eerste deel, dan een fugatisch stuk ‘in kerkstijl’ (Da cappella), een gevoelig derde deel, en ten slotte een ­levendige en snelle finale. In 1740 gaf Carlo Ricciotti tegen de zin van Van Wassenaer de concerten anoniem uit met een opdracht aan Van Wassenaers vriend Willem Bentinck en raakten de stukken bekend in de wereld; pas 240 jaar later kwam de juiste naam van hun schepper aan het licht.

Verdriet en rouw van Maria

Een van de centrale the­ma’s in de christelijke cultuur van de afgelopen tweeduizend jaar is het verdriet en de rouw van Maria, de moeder van Jezus die treurt aan de voet van het kru­is waaraan haar zoon hangt vastgenageld. De prachtige tekst van het Stabat Mater stamt van een anonieme Italiaanse Franciscaner monnik uit de dertiende eeuw. Samen met een eenvoudige middeleeuwse melodie inspireerde het gedicht al zeven eeuwen tot het toonzetten van Maria’s klaagzang.

Een goed bewaard geheim

Een van de best bewaarde geheimen uit de Nederlandse muziek­historie was tot ruim veertig jaar geleden de naam van de componist graaf Unico Wilhelm van Wassenaer Obdam. Hij was een vooraanstaand politicus en diplomaat in de Republiek van de Verenigde Nederlanden. Ruim twee eeuwen lag zijn naam in het stof van de vergetelheid begraven, totdat in 1980 de Nederlandse musicoloog Albert Dunning het overtuigende bewijs leverde dat Van Wassenaer de auteur was van zes wereldberoemde concerten voor strijkorkest, de Concerti armonici, die tot dan toe waren toegeschreven aan de Italiaans-Nederlandse componist Carlo Ricciotti (ca. 1681-1756), en ook aan de Italiaan Giovanni Battista Pergolesi (1710-1736).

Van Wassenaer werd geboren op kasteel Twickel in Delden in 1692 als telg van een van de oudste Nederlandse adellijke geslachten. Hij studeerde onder meer rechten aan de Universiteit van Leiden. Na zijn vaders dood in 1717 erfde hij het kasteel – waar in 1980 het handschrift van zijn Concerti armonici werd teruggevonden – en begon hij aan zijn grote tocht door Europa (Parijs, Italië, Wenen en Praag). Na een voorspoedige carrière als Nederlands diplomaat stierf hij op 6 november 1766 in Den Haag.

De graaf was een fervent amateur­musicus die omstreeks 1725 in Den Haag lid was van het stedelijk muziekgezelschap, het collegium musicum, waarin ook andere hoge edelen meespeelden, onder wie Willem graaf Bentinck, diens broer Carel Bentinck, en Van Wassenaers zwager Guido Pape. Carlo ­Ricciotti had de leiding. We kunnen ervan uitgaan dat Van Wassenaer zijn zes concerten voor strijkers met dit ensemble heeft uitgevoerd. De concerten zijn zevenstemmig en hebben een levendige afwisseling van solo- en tutti-gedeelten. Ze tellen allemaal vier delen, namelijk een inleidend eerste deel, dan een fugatisch stuk ‘in kerkstijl’ (Da cappella), een gevoelig derde deel, en ten slotte een ­levendige en snelle finale. In 1740 gaf Carlo Ricciotti tegen de zin van Van Wassenaer de concerten anoniem uit met een opdracht aan Van Wassenaers vriend Willem Bentinck en raakten de stukken bekend in de wereld; pas 240 jaar later kwam de juiste naam van hun schepper aan het licht.

Verdriet en rouw van Maria

Een van de centrale the­ma’s in de christelijke cultuur van de afgelopen tweeduizend jaar is het verdriet en de rouw van Maria, de moeder van Jezus die treurt aan de voet van het kru­is waaraan haar zoon hangt vastgenageld. De prachtige tekst van het Stabat Mater stamt van een anonieme Italiaanse Franciscaner monnik uit de dertiende eeuw. Samen met een eenvoudige middeleeuwse melodie inspireerde het gedicht al zeven eeuwen tot het toonzetten van Maria’s klaagzang.

  • Titelblad van Unico Wilhelm van Wassenaers zesde Concerto armonico

    Titelblad van Unico Wilhelm van Wassenaers zesde Concerto armonico

  • Titelblad van Unico Wilhelm van Wassenaers zesde Concerto armonico

    Titelblad van Unico Wilhelm van Wassenaers zesde Concerto armonico

De versie van Giovanni Battista Pergolesi steekt sinds de eerste uitvoeringen in 1736 tot op heden met kop en schouders uit boven alle andere. Pergolesi’s prachtige smartelijke lijnen ontmoeten elkaar in snijdende dissonanten en geven uitdrukking aan woorden van rouw en verdriet. Maar nergens laat het notenbeeld zich helemaal gaan in de tekening van leed en pijn, want steeds hervindt het zich in een mengeling van melancholie en waardigheid, zo eigen aan veel kerkmuziek.

Pergolesi’s postume roem

Pergolesi heeft zelf de zegetocht van zijn Stabat Mater niet meer kunnen meemaken. In de laatste maanden van zijn korte leven had hij het werk en ook twee versies van het Salve Regina nog op papier kunnen krijgen, maar toen overleed hij aan tuberculose, 26 jaar oud. Dus nog zo’n tien jaar jonger dan Wolfgang Amadeus Mozart. Het kan goed zijn dat de korte en droevige biografie van de componist nog aan zijn faam heeft bijgedragen. Pergolesi werd namelijk straatarm geboren en met een alarmerend zwakke gezondheid. Omdat zijn ouders te vroeg stierven, werd hij door een edelman naar het Conservatorio dei Poveri di Gesù Cristo in Napels gestuurd. Daarbij had Pergolesi een vervorming aan zijn linkerbeen waardoor hij hinkte. Hij stierf in een Kapucijnenklooster in Pozzuoli en werd begraven in een ­armengraf, zonder dat de wereld besefte wat voor een genie ze verloren had.

Pas na zijn dood in 1736 begon Pergolesi’s ster te rijzen in Frankrijk, Engeland en Duitsland. Al in 1739 bejubelde de Franse politicus en wetenschapper Charles de Brosses de componist en zijn Stabat Mater. Omstreeks 1745 bewerkte Johann ­Sebastian Bach in het verre Leipzig het werk tot het motet Tilge, Höchster, meine Sünden, BWV 1083. In Londen werd het Stabat Mater gepubliceerd in 1749, en Johann Adam Hiller (1728-1804) en Giovanni Paisiello (1740-1816) herschreven het voor vier zangstemmen en een groter orkest met strijkers en blazers. Ook in ons land werd Pergolesi’s uitgesproken katholieke treur­muziek al tamelijk vroeg uitgevoerd, in 1766, nota bene aan het protestantse hof van de Oranjes in Den Haag. Giovanni Battista Zingoni, de Italiaanse leraar van prinses Carolina van Nassau, zette het destijds op de lessenaars van de hofkapel. Inmiddels was het Stabat Mater het meest gedrukte muziekwerk in de tweede helft van de achttiende eeuw geworden. 

Heil Maria

Tijdens zijn verblijf in het Kapu­cijnenklooster in Pozzuoli schreef Pergolesi kort voor zijn dood niet alleen het Stabat Mater, maar ook twee versies van het Salve Regina, een smeekbede tot Maria, de hemel­koningin, ‘Heil Maria’. Het grego­riaanse Salve Regina geldt als een van de vroegste middeleeuwse Maria-­gezangen en stamt naar men vermoedt van de hand van een Benedictijner monnik uit Reichenau. Pergolesi ontwierp zijn melodieën daarentegen zonder verwijzing naar het gregoriaans en hanteerde in zijn Salve Regina’s een expressieve stijl verwant aan de ‘empfindsame’ stijl zoals die bij de generatie van de oudste zonen van Bach rond dezelfde tijd in zwang kwam. Karakteristiek zijn de schrijnende chromatiek, de dissonante langs elkaar schurende melodische lijnen in de begeleidende strijkers en de vele zuchtende figuren (Seufzer). De stilistische verwantschap met het Stabat Mater is groot, niet vreemd voor werken die beide van smart vervuld zijn en aan Maria gewijd. Grote bewogenheid en zelfs opstandigheid kruipt er in de noten wanneer ‘de ballingen tot Maria smeken, zuchtend en wenend in dit dal van tranen’. Bij het aan Jezus gewijde gedeelte lijkt de zon op te gaan, want verdwenen zijn hier chromatiek, dissonanten en al het voorafgaande mineur. Maar in de laatste regels ‘o clemens, o pia’ (o zachtmoedige, o vrome) worden de registers van het smachten en ­smeken weer vol uitgetrokken; de muziek eindigt in dezelfde weemoedigheid als waarmee ze begon.

De versie van Giovanni Battista Pergolesi steekt sinds de eerste uitvoeringen in 1736 tot op heden met kop en schouders uit boven alle andere. Pergolesi’s prachtige smartelijke lijnen ontmoeten elkaar in snijdende dissonanten en geven uitdrukking aan woorden van rouw en verdriet. Maar nergens laat het notenbeeld zich helemaal gaan in de tekening van leed en pijn, want steeds hervindt het zich in een mengeling van melancholie en waardigheid, zo eigen aan veel kerkmuziek.

Pergolesi’s postume roem

Pergolesi heeft zelf de zegetocht van zijn Stabat Mater niet meer kunnen meemaken. In de laatste maanden van zijn korte leven had hij het werk en ook twee versies van het Salve Regina nog op papier kunnen krijgen, maar toen overleed hij aan tuberculose, 26 jaar oud. Dus nog zo’n tien jaar jonger dan Wolfgang Amadeus Mozart. Het kan goed zijn dat de korte en droevige biografie van de componist nog aan zijn faam heeft bijgedragen. Pergolesi werd namelijk straatarm geboren en met een alarmerend zwakke gezondheid. Omdat zijn ouders te vroeg stierven, werd hij door een edelman naar het Conservatorio dei Poveri di Gesù Cristo in Napels gestuurd. Daarbij had Pergolesi een vervorming aan zijn linkerbeen waardoor hij hinkte. Hij stierf in een Kapucijnenklooster in Pozzuoli en werd begraven in een ­armengraf, zonder dat de wereld besefte wat voor een genie ze verloren had.

Pas na zijn dood in 1736 begon Pergolesi’s ster te rijzen in Frankrijk, Engeland en Duitsland. Al in 1739 bejubelde de Franse politicus en wetenschapper Charles de Brosses de componist en zijn Stabat Mater. Omstreeks 1745 bewerkte Johann ­Sebastian Bach in het verre Leipzig het werk tot het motet Tilge, Höchster, meine Sünden, BWV 1083. In Londen werd het Stabat Mater gepubliceerd in 1749, en Johann Adam Hiller (1728-1804) en Giovanni Paisiello (1740-1816) herschreven het voor vier zangstemmen en een groter orkest met strijkers en blazers. Ook in ons land werd Pergolesi’s uitgesproken katholieke treur­muziek al tamelijk vroeg uitgevoerd, in 1766, nota bene aan het protestantse hof van de Oranjes in Den Haag. Giovanni Battista Zingoni, de Italiaanse leraar van prinses Carolina van Nassau, zette het destijds op de lessenaars van de hofkapel. Inmiddels was het Stabat Mater het meest gedrukte muziekwerk in de tweede helft van de achttiende eeuw geworden. 

Heil Maria

Tijdens zijn verblijf in het Kapu­cijnenklooster in Pozzuoli schreef Pergolesi kort voor zijn dood niet alleen het Stabat Mater, maar ook twee versies van het Salve Regina, een smeekbede tot Maria, de hemel­koningin, ‘Heil Maria’. Het grego­riaanse Salve Regina geldt als een van de vroegste middeleeuwse Maria-­gezangen en stamt naar men vermoedt van de hand van een Benedictijner monnik uit Reichenau. Pergolesi ontwierp zijn melodieën daarentegen zonder verwijzing naar het gregoriaans en hanteerde in zijn Salve Regina’s een expressieve stijl verwant aan de ‘empfindsame’ stijl zoals die bij de generatie van de oudste zonen van Bach rond dezelfde tijd in zwang kwam. Karakteristiek zijn de schrijnende chromatiek, de dissonante langs elkaar schurende melodische lijnen in de begeleidende strijkers en de vele zuchtende figuren (Seufzer). De stilistische verwantschap met het Stabat Mater is groot, niet vreemd voor werken die beide van smart vervuld zijn en aan Maria gewijd. Grote bewogenheid en zelfs opstandigheid kruipt er in de noten wanneer ‘de ballingen tot Maria smeken, zuchtend en wenend in dit dal van tranen’. Bij het aan Jezus gewijde gedeelte lijkt de zon op te gaan, want verdwenen zijn hier chromatiek, dissonanten en al het voorafgaande mineur. Maar in de laatste regels ‘o clemens, o pia’ (o zachtmoedige, o vrome) worden de registers van het smachten en ­smeken weer vol uitgetrokken; de muziek eindigt in dezelfde weemoedigheid als waarmee ze begon.

door Clemens Romijn

Toelichting

door Clemens Romijn

Een goed bewaard geheim

Een van de best bewaarde geheimen uit de Nederlandse muziek­historie was tot ruim veertig jaar geleden de naam van de componist graaf Unico Wilhelm van Wassenaer Obdam. Hij was een vooraanstaand politicus en diplomaat in de Republiek van de Verenigde Nederlanden. Ruim twee eeuwen lag zijn naam in het stof van de vergetelheid begraven, totdat in 1980 de Nederlandse musicoloog Albert Dunning het overtuigende bewijs leverde dat Van Wassenaer de auteur was van zes wereldberoemde concerten voor strijkorkest, de Concerti armonici, die tot dan toe waren toegeschreven aan de Italiaans-Nederlandse componist Carlo Ricciotti (ca. 1681-1756), en ook aan de Italiaan Giovanni Battista Pergolesi (1710-1736).

Van Wassenaer werd geboren op kasteel Twickel in Delden in 1692 als telg van een van de oudste Nederlandse adellijke geslachten. Hij studeerde onder meer rechten aan de Universiteit van Leiden. Na zijn vaders dood in 1717 erfde hij het kasteel – waar in 1980 het handschrift van zijn Concerti armonici werd teruggevonden – en begon hij aan zijn grote tocht door Europa (Parijs, Italië, Wenen en Praag). Na een voorspoedige carrière als Nederlands diplomaat stierf hij op 6 november 1766 in Den Haag.

De graaf was een fervent amateur­musicus die omstreeks 1725 in Den Haag lid was van het stedelijk muziekgezelschap, het collegium musicum, waarin ook andere hoge edelen meespeelden, onder wie Willem graaf Bentinck, diens broer Carel Bentinck, en Van Wassenaers zwager Guido Pape. Carlo ­Ricciotti had de leiding. We kunnen ervan uitgaan dat Van Wassenaer zijn zes concerten voor strijkers met dit ensemble heeft uitgevoerd. De concerten zijn zevenstemmig en hebben een levendige afwisseling van solo- en tutti-gedeelten. Ze tellen allemaal vier delen, namelijk een inleidend eerste deel, dan een fugatisch stuk ‘in kerkstijl’ (Da cappella), een gevoelig derde deel, en ten slotte een ­levendige en snelle finale. In 1740 gaf Carlo Ricciotti tegen de zin van Van Wassenaer de concerten anoniem uit met een opdracht aan Van Wassenaers vriend Willem Bentinck en raakten de stukken bekend in de wereld; pas 240 jaar later kwam de juiste naam van hun schepper aan het licht.

Verdriet en rouw van Maria

Een van de centrale the­ma’s in de christelijke cultuur van de afgelopen tweeduizend jaar is het verdriet en de rouw van Maria, de moeder van Jezus die treurt aan de voet van het kru­is waaraan haar zoon hangt vastgenageld. De prachtige tekst van het Stabat Mater stamt van een anonieme Italiaanse Franciscaner monnik uit de dertiende eeuw. Samen met een eenvoudige middeleeuwse melodie inspireerde het gedicht al zeven eeuwen tot het toonzetten van Maria’s klaagzang.

Een goed bewaard geheim

Een van de best bewaarde geheimen uit de Nederlandse muziek­historie was tot ruim veertig jaar geleden de naam van de componist graaf Unico Wilhelm van Wassenaer Obdam. Hij was een vooraanstaand politicus en diplomaat in de Republiek van de Verenigde Nederlanden. Ruim twee eeuwen lag zijn naam in het stof van de vergetelheid begraven, totdat in 1980 de Nederlandse musicoloog Albert Dunning het overtuigende bewijs leverde dat Van Wassenaer de auteur was van zes wereldberoemde concerten voor strijkorkest, de Concerti armonici, die tot dan toe waren toegeschreven aan de Italiaans-Nederlandse componist Carlo Ricciotti (ca. 1681-1756), en ook aan de Italiaan Giovanni Battista Pergolesi (1710-1736).

Van Wassenaer werd geboren op kasteel Twickel in Delden in 1692 als telg van een van de oudste Nederlandse adellijke geslachten. Hij studeerde onder meer rechten aan de Universiteit van Leiden. Na zijn vaders dood in 1717 erfde hij het kasteel – waar in 1980 het handschrift van zijn Concerti armonici werd teruggevonden – en begon hij aan zijn grote tocht door Europa (Parijs, Italië, Wenen en Praag). Na een voorspoedige carrière als Nederlands diplomaat stierf hij op 6 november 1766 in Den Haag.

De graaf was een fervent amateur­musicus die omstreeks 1725 in Den Haag lid was van het stedelijk muziekgezelschap, het collegium musicum, waarin ook andere hoge edelen meespeelden, onder wie Willem graaf Bentinck, diens broer Carel Bentinck, en Van Wassenaers zwager Guido Pape. Carlo ­Ricciotti had de leiding. We kunnen ervan uitgaan dat Van Wassenaer zijn zes concerten voor strijkers met dit ensemble heeft uitgevoerd. De concerten zijn zevenstemmig en hebben een levendige afwisseling van solo- en tutti-gedeelten. Ze tellen allemaal vier delen, namelijk een inleidend eerste deel, dan een fugatisch stuk ‘in kerkstijl’ (Da cappella), een gevoelig derde deel, en ten slotte een ­levendige en snelle finale. In 1740 gaf Carlo Ricciotti tegen de zin van Van Wassenaer de concerten anoniem uit met een opdracht aan Van Wassenaers vriend Willem Bentinck en raakten de stukken bekend in de wereld; pas 240 jaar later kwam de juiste naam van hun schepper aan het licht.

Verdriet en rouw van Maria

Een van de centrale the­ma’s in de christelijke cultuur van de afgelopen tweeduizend jaar is het verdriet en de rouw van Maria, de moeder van Jezus die treurt aan de voet van het kru­is waaraan haar zoon hangt vastgenageld. De prachtige tekst van het Stabat Mater stamt van een anonieme Italiaanse Franciscaner monnik uit de dertiende eeuw. Samen met een eenvoudige middeleeuwse melodie inspireerde het gedicht al zeven eeuwen tot het toonzetten van Maria’s klaagzang.

  • Titelblad van Unico Wilhelm van Wassenaers zesde Concerto armonico

    Titelblad van Unico Wilhelm van Wassenaers zesde Concerto armonico

  • Titelblad van Unico Wilhelm van Wassenaers zesde Concerto armonico

    Titelblad van Unico Wilhelm van Wassenaers zesde Concerto armonico

De versie van Giovanni Battista Pergolesi steekt sinds de eerste uitvoeringen in 1736 tot op heden met kop en schouders uit boven alle andere. Pergolesi’s prachtige smartelijke lijnen ontmoeten elkaar in snijdende dissonanten en geven uitdrukking aan woorden van rouw en verdriet. Maar nergens laat het notenbeeld zich helemaal gaan in de tekening van leed en pijn, want steeds hervindt het zich in een mengeling van melancholie en waardigheid, zo eigen aan veel kerkmuziek.

Pergolesi’s postume roem

Pergolesi heeft zelf de zegetocht van zijn Stabat Mater niet meer kunnen meemaken. In de laatste maanden van zijn korte leven had hij het werk en ook twee versies van het Salve Regina nog op papier kunnen krijgen, maar toen overleed hij aan tuberculose, 26 jaar oud. Dus nog zo’n tien jaar jonger dan Wolfgang Amadeus Mozart. Het kan goed zijn dat de korte en droevige biografie van de componist nog aan zijn faam heeft bijgedragen. Pergolesi werd namelijk straatarm geboren en met een alarmerend zwakke gezondheid. Omdat zijn ouders te vroeg stierven, werd hij door een edelman naar het Conservatorio dei Poveri di Gesù Cristo in Napels gestuurd. Daarbij had Pergolesi een vervorming aan zijn linkerbeen waardoor hij hinkte. Hij stierf in een Kapucijnenklooster in Pozzuoli en werd begraven in een ­armengraf, zonder dat de wereld besefte wat voor een genie ze verloren had.

Pas na zijn dood in 1736 begon Pergolesi’s ster te rijzen in Frankrijk, Engeland en Duitsland. Al in 1739 bejubelde de Franse politicus en wetenschapper Charles de Brosses de componist en zijn Stabat Mater. Omstreeks 1745 bewerkte Johann ­Sebastian Bach in het verre Leipzig het werk tot het motet Tilge, Höchster, meine Sünden, BWV 1083. In Londen werd het Stabat Mater gepubliceerd in 1749, en Johann Adam Hiller (1728-1804) en Giovanni Paisiello (1740-1816) herschreven het voor vier zangstemmen en een groter orkest met strijkers en blazers. Ook in ons land werd Pergolesi’s uitgesproken katholieke treur­muziek al tamelijk vroeg uitgevoerd, in 1766, nota bene aan het protestantse hof van de Oranjes in Den Haag. Giovanni Battista Zingoni, de Italiaanse leraar van prinses Carolina van Nassau, zette het destijds op de lessenaars van de hofkapel. Inmiddels was het Stabat Mater het meest gedrukte muziekwerk in de tweede helft van de achttiende eeuw geworden. 

Heil Maria

Tijdens zijn verblijf in het Kapu­cijnenklooster in Pozzuoli schreef Pergolesi kort voor zijn dood niet alleen het Stabat Mater, maar ook twee versies van het Salve Regina, een smeekbede tot Maria, de hemel­koningin, ‘Heil Maria’. Het grego­riaanse Salve Regina geldt als een van de vroegste middeleeuwse Maria-­gezangen en stamt naar men vermoedt van de hand van een Benedictijner monnik uit Reichenau. Pergolesi ontwierp zijn melodieën daarentegen zonder verwijzing naar het gregoriaans en hanteerde in zijn Salve Regina’s een expressieve stijl verwant aan de ‘empfindsame’ stijl zoals die bij de generatie van de oudste zonen van Bach rond dezelfde tijd in zwang kwam. Karakteristiek zijn de schrijnende chromatiek, de dissonante langs elkaar schurende melodische lijnen in de begeleidende strijkers en de vele zuchtende figuren (Seufzer). De stilistische verwantschap met het Stabat Mater is groot, niet vreemd voor werken die beide van smart vervuld zijn en aan Maria gewijd. Grote bewogenheid en zelfs opstandigheid kruipt er in de noten wanneer ‘de ballingen tot Maria smeken, zuchtend en wenend in dit dal van tranen’. Bij het aan Jezus gewijde gedeelte lijkt de zon op te gaan, want verdwenen zijn hier chromatiek, dissonanten en al het voorafgaande mineur. Maar in de laatste regels ‘o clemens, o pia’ (o zachtmoedige, o vrome) worden de registers van het smachten en ­smeken weer vol uitgetrokken; de muziek eindigt in dezelfde weemoedigheid als waarmee ze begon.

De versie van Giovanni Battista Pergolesi steekt sinds de eerste uitvoeringen in 1736 tot op heden met kop en schouders uit boven alle andere. Pergolesi’s prachtige smartelijke lijnen ontmoeten elkaar in snijdende dissonanten en geven uitdrukking aan woorden van rouw en verdriet. Maar nergens laat het notenbeeld zich helemaal gaan in de tekening van leed en pijn, want steeds hervindt het zich in een mengeling van melancholie en waardigheid, zo eigen aan veel kerkmuziek.

Pergolesi’s postume roem

Pergolesi heeft zelf de zegetocht van zijn Stabat Mater niet meer kunnen meemaken. In de laatste maanden van zijn korte leven had hij het werk en ook twee versies van het Salve Regina nog op papier kunnen krijgen, maar toen overleed hij aan tuberculose, 26 jaar oud. Dus nog zo’n tien jaar jonger dan Wolfgang Amadeus Mozart. Het kan goed zijn dat de korte en droevige biografie van de componist nog aan zijn faam heeft bijgedragen. Pergolesi werd namelijk straatarm geboren en met een alarmerend zwakke gezondheid. Omdat zijn ouders te vroeg stierven, werd hij door een edelman naar het Conservatorio dei Poveri di Gesù Cristo in Napels gestuurd. Daarbij had Pergolesi een vervorming aan zijn linkerbeen waardoor hij hinkte. Hij stierf in een Kapucijnenklooster in Pozzuoli en werd begraven in een ­armengraf, zonder dat de wereld besefte wat voor een genie ze verloren had.

Pas na zijn dood in 1736 begon Pergolesi’s ster te rijzen in Frankrijk, Engeland en Duitsland. Al in 1739 bejubelde de Franse politicus en wetenschapper Charles de Brosses de componist en zijn Stabat Mater. Omstreeks 1745 bewerkte Johann ­Sebastian Bach in het verre Leipzig het werk tot het motet Tilge, Höchster, meine Sünden, BWV 1083. In Londen werd het Stabat Mater gepubliceerd in 1749, en Johann Adam Hiller (1728-1804) en Giovanni Paisiello (1740-1816) herschreven het voor vier zangstemmen en een groter orkest met strijkers en blazers. Ook in ons land werd Pergolesi’s uitgesproken katholieke treur­muziek al tamelijk vroeg uitgevoerd, in 1766, nota bene aan het protestantse hof van de Oranjes in Den Haag. Giovanni Battista Zingoni, de Italiaanse leraar van prinses Carolina van Nassau, zette het destijds op de lessenaars van de hofkapel. Inmiddels was het Stabat Mater het meest gedrukte muziekwerk in de tweede helft van de achttiende eeuw geworden. 

Heil Maria

Tijdens zijn verblijf in het Kapu­cijnenklooster in Pozzuoli schreef Pergolesi kort voor zijn dood niet alleen het Stabat Mater, maar ook twee versies van het Salve Regina, een smeekbede tot Maria, de hemel­koningin, ‘Heil Maria’. Het grego­riaanse Salve Regina geldt als een van de vroegste middeleeuwse Maria-­gezangen en stamt naar men vermoedt van de hand van een Benedictijner monnik uit Reichenau. Pergolesi ontwierp zijn melodieën daarentegen zonder verwijzing naar het gregoriaans en hanteerde in zijn Salve Regina’s een expressieve stijl verwant aan de ‘empfindsame’ stijl zoals die bij de generatie van de oudste zonen van Bach rond dezelfde tijd in zwang kwam. Karakteristiek zijn de schrijnende chromatiek, de dissonante langs elkaar schurende melodische lijnen in de begeleidende strijkers en de vele zuchtende figuren (Seufzer). De stilistische verwantschap met het Stabat Mater is groot, niet vreemd voor werken die beide van smart vervuld zijn en aan Maria gewijd. Grote bewogenheid en zelfs opstandigheid kruipt er in de noten wanneer ‘de ballingen tot Maria smeken, zuchtend en wenend in dit dal van tranen’. Bij het aan Jezus gewijde gedeelte lijkt de zon op te gaan, want verdwenen zijn hier chromatiek, dissonanten en al het voorafgaande mineur. Maar in de laatste regels ‘o clemens, o pia’ (o zachtmoedige, o vrome) worden de registers van het smachten en ­smeken weer vol uitgetrokken; de muziek eindigt in dezelfde weemoedigheid als waarmee ze begon.

door Clemens Romijn

Biografie

La Sfera Armoniosa, ensemble

La Sfera Armoniosa werd in 1992 opgericht door luitist Mike ­Fentross en gambiste Paulina van Laarhoven en richt zich op muziek uit de zeventiende en achttiende eeuw. De groep speelde de afgelopen jaren op vooraanstaande Europese podia en festivals.

Naast muziek van componisten als Monteverdi, Händel en Pergolesi staat ook geregeld minder bekend repertoire op de lessenaars, vaak na uitgebreid onderzoek gedestilleerd uit oude drukken en manuscripten.

Zo was de debuut-cd gewijd aan Kapsperger en ontdekte artistiek leider Mike Fentross in 2003 in een bibliotheekkelder in Venetië twee vroege opera’s van Cavalli. Met La Sfera Armoniosa verzorgde hij van allebei de hedendaagse wereldpremière: ­L’Ipermestra tijdens het Festival Oude Muziek Utrecht 2006, en La Rosinda in 2008 op de Musikfestspiele Potsdam en Bayreuth Barock.

La Sfera Armoniosa bestaat uit een kern van acht instrumentalisten, en afhankelijk van de uit te voeren werken kan de bezetting worden gevarieerd en aangevuld, ook met vocale solisten, een koor of een dansgezelschap. Het ensemble werkt aan de cd-serie ­Hollandse Meesters, gewijd aan muziek van vergeten Nederlandse componisten zoals Willem de Fesch en Pieter Hellendaal. Het vorige ­optreden (in triobezetting) was een Kleine Zaal-­programma in de Spotlightserie van sopraan Claron McFadden op 28 april 2024.

Mike Fentross, dirigent

Mike Fentross is voornamelijk actief in de oude muziek, als solist, basso-continuo­speler en dirigent. Hij begon zijn studie bij luitpionier Toyohiko Satoh aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag en speelde kamer­muziek in diverse ensembles en met collega’s als Janine Jansen, ­Philippe ­Jaroussky en Yo-Yo Ma.

Onder begeleiding van Stefan Pas wierp hij zich ondertussen op het directievak, en hij dirigeerde op onder meer het Musica Antiqua Festival in Brugge en het Hay­dn Festival in Eisenstadt. In de zomer van 2009 debuteerde Mike Fentross als dirigent in Het Concertgebouw en in de zomerserie van 2010 leidde hij er Monteverdi’s Maria­vespers met het Nederlands Kamerkoor.

In de Kleine Zaal was hij onder meer te beluisteren met de zangers Nora Fischer, Maarten Engeltjes en Henk Neven. Samen met rietblazer Maarten Ornstein verkent Mike Fentross de grenzen tussen West-Europese klassieke muziek, Baltische folklore en improvisatie; in november 2022 kreeg het duo de Willem Breuker Prijs. Mike Fentross is medeoprichter en artistiek leider van La Sfera Armoniosa en hoofdvak­docent luit en basso continuo aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag.

Erika Baikoff, sopraan

De Russisch-Amerikaanse sopraan Erika Baikoff studeerde Frans aan Princeton University en zang aan de Guildhall School of Music and Drama in Londen. Ze vervolgde haar opleiding in prestigieuze programma’s zoals het Lindemann Young Artist Program van de Metropolitan Opera New York, de Opéra National de Lyon Studio, het Verbier Festival Atelier Lyrique en de Académie van Aix-en-Provence.

Sinds seizoen 2024/2025 is ze lid van het ensemble van de Bayerische Staatsoper, waar ze dit jaar diverse roldebuten maakt waaronder Pamina (Die Zauberflöte van Mozart) en Clorinda (La Cenerentola van ­Rossini). Op het concertpodium soleert Erika Baikoff bij orkesten als het Symphonie­orchester des Bayerischen Rundfunks, het BBC Symphony Orchestra en de Bremer Philharmoniker.

Als toegewijd liedzangeres is ze te horen tijdens festivals als de Sch­ubertiade Schwarzenberg en de Heidelberger Frühling. Ze is eerste­prijswinnaar van de Helmut Deutsch Liedwettbewerb en het Concours international de chant-piano Nadia et Lili Boulanger, en BBC New Generation Artist sinds 2025. Erika Baikoff maakt haar debuut in Het Concertgebouw.

Helena Rasker, alt

De Nederlandse alt Helena Rasker heeft een internationale carrière met repertoire dat zich uitstrekt van de Barok tot hedendaagse muziek. Ze was onder meer te gast bij het Opernhaus Zürich, het Théâtre des Champs-Elysées, de Staatsoper Berlin, de English National Opera en de Salzburger Festspiele.

Bij De Nationale Op­era zong ze vele rollen, waaronder in 2024 zowel Zita in Puccini’s Gianni Schicchi als Auntie in Brittens Peter Grimes. In het concertrepertoire werkte ze onder meer met het Nederlands Philharmonisch, Pygmalion en Ensemble Modern.

Dit seizoen maakt de zangeres haar debuut in het Theater an der Wien in Alice in Wonderland van Unsuk Chin, waarmee ze op 1 juni 2024 ook te horen was in de NTR ZaterdagMatinee in Het Concertgebouw. Ook debuteert de alt bij de Opéra National de Lorraine in een nieuwe productie van Poulencs Dialogues des Carmélites. Helena Rasker studeerde aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag en aan het Tanglewood Music Center.